10-11-07

zoveel als zeker in de zever van de zee

Je boezem roezemoest. En wat zoiets met mannen doet. Je haalt je schouders op, de lintjes blinken strak. De diepte stijgt en zakt weer weg tot straks. Je weet het van je weelde want je kijkt vertede-rend. Je strekt een been verlegen, legt een glim-lach op je lippen weg. Ik lees je kleren verder af, ik spreek wat klare onzin, onder andere over al mijn streken: waar ik zogezegd geboren ben. Verloren land, het gras was malser aan de overkant. Mijn zelfverkozen eiland, wars van elke heimat. Ik ver-baas je zonder heimwee, steek de brand in onze weide. Vonken op de donkere heide. Geef mij zonde godverdomme. Jij mankeert een reden om mij op te vreten. Door te slikken. Uit te zweten. Spijs- en pijnvertering. Lijkenpikken. Lik en ruk wat stuk. Op de vloer en naar de stenen zweeft je volle wezen. Geen genezing overleeft de hemel. Zeg iets, jiezes. Geef een teken, kerel. Deze tafel springt en slingert van begeerte, keert verlangens tegen beter weten, stampt zijn hete poten onder ons en trapt op te-nen. Zuchten en gezever, weet ik veel. Ik schud me nuchter af, de wind blaast regen door burelen, brengt verwarring in de wereld van ons twee.

Tot plots: het meisje Laura wandelt zonder vragen binnen, geeft zich helemaal en ongeschonden, schenkt ons warme thee. Wij drenken vingers met een koekje, blazen zwoelte af. De storm gaat lager liggen, strekt zijn lichaam open, wit doorweekt van onze lege wonde. Wij zijn nagenoeg bijna tevreden. Nietwaar Lorelei? Je bent het feestkonijn, de zenuw zonder pees. Ik vrees je schaduw, beef beleefd. Je moest eens weten wat dat geeft. Ik smeek je, zet je radio aan, vertel verhalen aan het spel van bleke schaamte (zogenaamd). Zing de roddels uit het raam. De losse flodders. Man met dame ongehoord, verdriet valt van verdieping, kiepert uit de boot. Geen kreet, geen nood en ook geen save our souls.
Beweeg niet water. Staar en laat de sporen droog, vergiet geen traan. Het zilte nat wordt liever zat van onze ziel. Verdrinkt zich van spectakel tot de laatste adem. Grappig is de nadering, de onder-gang. Het net vangt vissen zonder vin noch pin, geen stekels meer. De zee is groots en grot van plotse inzinking. Gesmoord vergeten dringt nog door in ons geweten. Reeds is heden wat geweest is te vergeefs geweest. Ik vraag haar geen gebed, geen achterhaalde zegen en geen teken van vergeving meer. Ik zink gelaten, zonder taal, ik slaap al later, dieper op de bodem van de vrede. Ver in zen ben ik

23:56 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: heimat, heimwee, zee, zen |  Facebook |