22-01-08

zij behaagt een jongen, raakt een man

Ik laat het weer begaan. Wat geeft het dat het klet-tert dat het regent, zij is bij hem. Vice-versa is hij er-gens vaag in haar aanwezig. Ik heb het raden naar verhalen van een date. Ze spraken af omstreeks half negen. Bij haar thuis, gezellig. Hun verwendag bij de haard, de vonken geven gensters. Hij gebaart, mas-seert en streelt. Hij steelt haar met zijn jongensogen, al haar lippen wijken vol, zij valt voor hem. Om niet te spreken dat zij aan mij denkt. Zij laat mij deze avond teleregistreren. Inbegrepen al de buitenlucht, het afstandsweer, de opgeblazen wind, de afgedropen regen. Niks dan nattigheid, de narigheid voor mij. En toch. De film van wat zich afspeelt. Al hun tederheid. Verlegen handen en geen enkel leeg gebaar ontbloot. Hij is een minnaar met het hoofd vol vlinderzorgen. Hij komt neergestreken op de honing van haar lichaam. Hij loopt pas ontloken, aarzelt dartel, jong volwassen, minzaam alles op de tast. Hij ademt niet of nauwelijks als hij gans de vrouw raakt in haar vezels. Ik ervaar het wezen van haar ziel, de stapelvaart plezier voor haar. Ik tel hun lichtminuten minitieus, ik wentel stille uren verder, geen seconde zonder glans, het dans-scenario dat rokt en rolt. Dat naakt aan zonde zoge-zegd. De macht van mijn fantasme ondertitelt. Ik ver-zin het script met ronding tot de krolse volzin die haar optilt, haar omringt met vingers van een detective die het slot doet smelten, wondes detecteert. Ik ben een definitie van de liefde, een spion die in zijn hart de diefstal tolereert. Wie geeft er anders om haar lot?

Hij kon de kleinzoon van haar nonkel zijn. Ik noem hem niet bij naam, hij is een tropisch lichaam in zijn zwoele opklim tot een man. Hij woelt in haar. Zij laat begaan, ik ben een buitenstaander, starend naar mijn navel, met de hare in gedachten. Het wordt nacht en hij blijft slapen. Ik sta dapper aan mijn raam, ik tel de sterren. Godverdekke, wat een aantal, ik word gek van al dat pinken, ik krijg tranen van de vlekken die de hemel maakt. Er is geen kant of raakvlak aan de schepper van dit kladwerk, dit lijkt zatte kerstmis op de maan. Een lunatiek geval. Hij kan niet slapen, kust haar rug, zij zucht. Ze komen nader in elkaar. Hun bed haalt verse adem, ik hoor plots zijn naam, zij stamelt hem in alle talen. Hij wordt rustig, plukt de vrucht. Perfect, denk ik. Zo heb ik haar beschreven, leg ik me verloren neer. De eer is voor een winterdromer die de zomer honoreert. Zij moet zich niet generen. Zij mag doen met al haar lange ladybenen, liggen met haar opwipbillen. Wat voorspelbaar, heb ik steeds gezegd. Gefantaseerd, zegt zij. Geweldig is haar gladheid, el-ke opstoot van haar ranke lijf. Ik vertel de slanke jon-gen morgen het restant. Ik ben een man, een klein verstand. Ik zie haar graag, hij houdt van haar. Zij blijft bestaan in tussenstand. Tot ons fictief gerief.

18:47 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regen, sterren, weer, wind |  Facebook |