07-03-07

gluren bij de evennaaste en de buren

Het is een feit, veel mensen staan op springen. Springtime. Niet voor mij. Ik hou het bij een oprisping. Beschouw me als vergisssing hier. Van mezelf, dat ik er ben. Maar dit gezegd, geschreven zijnde gaat het leven verder. Ook voor Helga, weet u wel. Ze speelde in mijn vorig item sociologe. Ik kom haar wellicht nog eens tegen, in de lente, als de tijd verspringt. Niet dringen, jongens, venten.
Ik ben een man en weet van wanten. Woorden zijn voor niks te koop, een praatje voor de vage hoop. Zoals met buurman, hij bewoont me boven. In zijn huisje op mijn dak. Zijn permanente penthouse, met geen pen te perforeren. Ondoorgrondelijk. Dodelijk somber. Kanker in zijn hart, zegt buurvrouw Lea. Zo bezing ik haar, verzin haar man als Leo. En ik ben Theo, lachen wij. Wij dementeren ons graag af. Verstrakken als de bovenman ons afblaft. Met zijn ijsblik. Een koele rimpelzak. De dwarsknik in het stapgevoel. Samen in de lift staat voor verkillen.
Hij schraapt zich wat, ik gaap hem aan, verstar. Hij zuigt de lucht uit trage kokers. Liftgekooid kuch ik me weg. Malaise plakt als mayonnaise, een vondst waarvoor ik de wenkbrauw frons. Maar op of neer, de hapering hangt me in de kleren. De conversatie zegt hem niks. Bromberen, dat verkiest hij. Koud weerklinkt zijn leven, winter kan niks leren, keren. Vaarwel Emiel, mijmer ik, het is hard te sterven als ons Helga met de lente komt. Of Olga met de lange benen, krolse tenen. Zoals Justine en ik, beminnen in scenario’s van de Sade. Dag malcontente Tessa van de Weekend Knack, erotiek is in de herenmode. Sorry tante. Ik bedenk maar wat, van mensen en de dingen die voorbijgaan.

 

Vrolijk ik mezelf niet op: verantwoordelijk bén ik. Dat is de boodschap. Dan pak ik de moraal in eigen handen, schrijf ik mijn moreel naar vrijgevochten. Een uitweg uit een vast gegeven, geef ik het leed uit handen. Libertijnen aller lande, zet hem lieder-lijk stijf op. Een dwarsnoot op uw fluit. Trek een kloot af van de dagelijkse zonde. Daag het leven uit. Zoals Justine, ik heb haar hoger aangehaald. Zij woont koketjes om de hoek, in de brillenwinkel voor de nette mensen. Dure merken, zelfs monturen ex-centriek als zerken, ik weet niet beter, zijnde een plebejer. Maar wel proper op mezelf. Een proletariër met schone handen en een Ray-Ban voor de ogen. Als Justine me ziet, dan kijk ik terug. Ze wuift me uit als ik haar blik met bril verschuif. Een erecode tussen onbekenden, vrienden werden we vanzelf. Schaduwen die zich in de luwte leggen, iets her-kennen. De eerste warmte doet haar werk. Morgen bloeien bloemen. In de open wonde. Wondere we-reld van de uitgeschreven liefde. Een ruiker voor een uitvaart. Sterft de buurman zich een weg.

22:17 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (5) | Tags: tessa vermeiren, weekend knack |  Facebook |