13-01-08

wuiven naar het huis dat thuis vertrekt

Zelden, nee nooit (zeg ik), zulke stomme zaterdag-avond ondergaan. De dood was neergestreken in de wereldstraat. Ik hield mijn panoramaraam gesloten, maar de weemoed waaide wintertranen binnen-waarts. Op windkracht melo forte. Wat een week gedoe, de werkelijkheid leek sterk op wreedheid, om een mens te breken met de wetten van ellende. @God almachtig, liggend in een wolkenpak: doe niet zo kinderachtig heer-weetal, laat ons dit negeren please. Ga door met scheppen man, je bent een vet-zak, wees rechtvaardig en rechtschapen, raak niet aan de kinderen. Ik verbind me tot geen knieval, maar wil knikken als een schaap dat graag geslacht wordt. Om de stal te redden van de ondergang, de stad te stillen in de sidderatie en de streek gelijk te geven in zijn strijd om nivellering. Niks van, want ik zeg maar wat. Ik wil behagen, raak me aarde, draag me door dit tranendal, ik tolereer voor één keer het gerold cliché. Ik wil nog wilder worden, zotter tot de volle vrede. En dan feesten geven, liefde is een prijsbeest.

Wat geweest is, is geweest. Het huis loopt leeg, een regel om te registreren. Geen vergissing, want we wisten alles reeds van gisteren. Toch zo triestig dat het miezert, kriebelt in de uitgewoonde ziel, een kamer zonder bed, het schoon behang hangt af, de kast heeft barsten in zijn bast. De taal parkeert zich in een spiegelbeeld, een metrum dat geen meter op-schiet, zelfs geen open spleet voorspelt, laat staan een spectrum wentelt, wiekt op perspectief. De tekst verwerkt dit niet. Zo simpel kan een afscheid niet te vatten zijn, een heenreis onvermijdbaar in te tikken, een vertrek te hopeloos verstoord met ander woor-den. Alles wringt, het is een gissen naar gemis. Het spoor loopt dood in ons, trekt verder leven in de verse liefde en zo zijn we terug beland bij hoop. Een kind is vader van de wens, wij zijn volwassen mensen quasi en aanvaarden. Zij wordt weer een meisje en een mama blijft ze kortgerokt. Ik heb geen ogen op mijn gat, mijn kop wil ook wat kijken. Waar is nog de tijd dat alles in verwekking was, er zat nog rek op ongekende seks en erotiek lag als een kronkellijf met warme dijen in ons bed. We stonden monter op met rock’n roll, het knakte als geroosterd brood. Oké, soms niet, so what. Vandaag is morgen het verleden, ik verkondig onbekommerd het vergeten en vergeven. Laat de zonen en de dochters, afgerond met twee, het weten van de vrede. Dat het geen cliché is, maar een zaak van goed geweten. En wij leefden zoveel langer opgevreeën met de open kansen van de jon-ge leegte. Een gezin beschikt, gewogen en gewikt. Wij schikken ons en schoppen alle remmen los, de stoppen vlammen door. Het tweede ja-woord aan me-neer pastoor. Och here, leid ons in bekoring, godver-dorie. Tijd voor wittebrood verstrooid op hemelbed.

11:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rock n roll, vrede, cliche, pastoor |  Facebook |