25-07-07

van lieverlede ziel, geen lichaam meer

Mijn lichaam is fantastisch ziek, het ligt in flarden op een bed. Mijn armen strelen al mijn benen, dra-peren lakens om me heen. Geven hete tekens aan de dekens. Klam valt de verklaring in. Op het dak van deze kamer waakt een dode dokter, in het donker loopt hij langs. Een lijk dat niet bezwijken wil. Hij draagt de fakkel van mijn koorts. Ik toon me niet verschrikt. Geen klacht rolt van mijn kaken naar het tranendal. Ik verkies mijn zwetende aan-wezigheid, verzwijg het lijden en zijn tijdelijkheid. Een tandem die op spijkers rijdt, duaal van meta-fysica. Mijn brein kijkt naar de indirecte pijn. Vanuit mijn ziel zie ik de schade aan. De ravage is geheel fysiek, van aardse aard en typisch hedendaags. Ik verbijt vandaag het krijsen van de kiemen, afge-streepte striemen op een krijtlijn van verlies. Verdriet het mij, dan grieft het niet. Ik krijg een tweede kans, een derde. Zeven keren staat gelijk aan eeuwigheid. De tijden zat heb ik. Santé.

 

Genoeg gezeverd. Ik haal de thermometer uit mijn gat, mijn achterste geweten. Trek een Tommy aan mijn onderdelen, steek sandalen van Theresa aan mijn zomertenen, een benepen 42. Volgen chrono-logisch voorts een polo van het wit-geel Kruis, een zeemansklak en waterlanders (watte) aan een bril met balzakken (vandatte). Ik zie er beeldig uit. Te geestig voor een gek, beoordeel ik mezelf frivool, bij groot gebrek aan medespelers. Ik stap naar buiten, groet met diepe ernst de vroege herfst in Leuven. Dat is lang geleden, bijna was ik van het hoog balkon gegleden. Ik woon in de wolken met mijn hoofd. Met de trap is rapper dan de traagste lift.

Ter zake, zeg ik tegen Frans (78). Hoe zit het met de koers en hebt ge laatst nog goed gevogeld? Knarrig grapje, schoon Suzanne, dat blijft hier tussen ons (in stricto senso). Ik ben blij dat ik in-tellectualiter normaal van slag ben. En ook goed genezen. Dat beaamt Suzanne. En dat mijn nestels blinken, dat ik sensueel naar gel stink, dat mijn windbril hapert in mijn plakhaar (zit ferm klem). Zaagnie mens, ik wil u niet behagen. Ik ben een blanke ambetanterik, een mank geboren minnaar.
Ik loop verloren in dit aanverwante lijf. Ontijdelijk is mijn op- en ondergang. Ik pomp verdronken door, ontpop me en/of klop erop (hoezo). Heb goede lol. Bij vlagen strijk ik neer als herfstweer in de zomer. Ik ben een winnaar tegen beter weten in. Mijn buurman is een moslim en wast zich iedere dag met volle boter, ik zeg maar wat. Omdat hij geen mon-deling Vlaams verstaat. Het geeft niet, Moo’ke, let niet meer op mij, ik ben een impotente schim. Ont-vang Suzanne, bemin haar in uw service-flat. Voor-zie u van een katholiek condoom, een tip voor pik. Ik trek de kaart van vake Frans. Ik laat hem stie-kem winnen. Harten troef en solo-slim, voilà.

Zo blijft de heisa herbeginnen, er is geen houden aan de nieuwe neukers, oude doden worden opge-leukt. Wij blijven doorgaan in herkansing en herval-len, dansen dronken met doktoren door het hoofd, verdwazen onze torso’s. Zonder klagen kunnen wij niet afzien van ons eeuwig streven naar de koorts. Zeg het voortaan gratis voort. Ok, dat trekt hier op geen kloten, mensen, ik zie spoken. Korte bliksem van besef, ik ben bekaf genageld aan mijn kist. 't Is zielig.

 

 

23:52 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: volle boter, harten troef, solo-slim |  Facebook |