28-05-07

op golfjes van de tegenstroom in leuven

Het wordt ons door de strot geramd. Naquila hava, naquila héhé. Que sera, sera. Bambino buèno yè. When the saints. Come marching in. In onze stad. Het trendieuze Leuven. Op elk terras. Ten treure uit. Ik word er reutemeteut en sikkeneurig van. De hordes koperkleurige zigeuners, donkerzwart ge-verfde negers, hardplastieken indianen. Zoveel leurders van het trek- en tokkelinstrument, de wandelende muzikantentent. Je zit geen twee minuten achter je Ily espresso, zin om gans je sores en je mores uit te morsen tegenover Elletje, of daar komt de jankbrigade aangedrenteld, hen-gelend naar je losse geld. Je moet een harde bink zijn (zoals ikke niet) om dan je tranen niet weer gretig in te slikken. Smaakt naar zout in elke won-de, pekelzondes. Wij mokken, dokken af terstond, helaas, want anders blijft het vals gespeelde lied nog snerperder, hel- en hemeltergend, doorgaan. Liever doodgaan als een atonale schooier dan te sterven op gejengel van de zwendelharmonie.

 

Wat doe je aan die kleefmuziek, de kleffe straat-muzak, de plakbrigades van gedwongen klanken? Het wordt ons opgedrongen, onze stiltes omgetild en neergeklopt. Wij vluchten uit het centrum van wat doorgaat voor gezelligheid, het verdachte volksvermaak. Wij hebben overschot van schaarse centen om een rustplek te verzinnen. Wij zitten tegen gevels en op dorpels, hangen over elke bal-lustrade, scheppen schaduw en een handvol zon met lepels lust. Zij kust mij plots. Merci chérie, hal-lucineer ik weer of loopt de liefde langs? Sing c’ est la vie of ben ik ribbedebie? Geen Belletje rinkelt er-gens. Schalks lacht Elletje. Wat smakelijk en schat-tig. Prachtig mijn gedacht, ik denk aan greppels en aan grachten. De verdoken stad is onze tuin, wij wieden onkuis onkruid. Delven stiekem dieper, gra-ven ons in elke kuil, een gang naar wegen die zich onzedig kruisigen. Op muziek uit monden zonder maat.

 

Zo zijn wij, dartel dolend, soms getuige van het korte wonder. Duikt in ons scenario een droom-orkest van engelen op. Drie slome jongens met volwassen haar: twee frêle zangers, één verlegen gitarist. Ze spelen simpel ‘1979’ van The Smashing Pumpkins, op de trappen van de kerk. In dit mirakel willen wij geloven en verblijven, blij zijn om deze klein verstrooide schoonheid. Onze binnenkant wordt hier op wankele kunst bediend. God (hallo meneer) zag dat het wonder goed was. De ange-lieke set wordt zonder bindtekst (bijna biddend) voortgezet met een tweede mokersong, het moord-lied ‘The killer in me is the killer in you’. Dit is straf-fe kost, fragiele zielen die verdriet stileren, levens orchestreren van toevallige passanten. Wie zijn hier de behoeftigen, de armen van gemoede, de zingen-de bedelaars van de liefde: steedse lieden zoals wij? Wij vervoegen opgelucht de stoet: aux larmes, citoyens. Een steelse lach, een traan die in de moeë stadsstroom valt, een cocktail weggespoeld met kolken van al wat rockt en rolt. Het rommelt in ons koppelhart, beroerd zijn wij. Ontdroefd bij tijd, een wijle.

  

19:45 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: cocktail, the smashing pumpkins, leuven |  Facebook |