20-12-07

voor kerst op tafel in een stripverhaal

Flo had ons beloofd om straks te strippen. We kennen haar meedogenloos frivool, als schuwe bolster, blon-de pit. Op kracht van zachte kern, een kermgeval. En Do zat hitsig op de wip. Het was weer partytime van-daag. Het werk werd aan de kant gezet. De meisjes vlamden door, ze lonkten met een geile giechel en ze blonken spiegeltjes aan de wand. Een flits, een split, een salto in het voorspel. Wie kan wat voorspellen? Flo maakt graag een geintje in haar korte rok. Ze lijkt een topje in haar nopjes. Wat la Do doet, is verbaal een snok, een emoreel verhaal voor al wie naar haar loezen piept. Ze ziet de steelse blikken naar haar tepels (aan haar ronde pegels) en ze klept ze handig weg. Wie met haar kletsen wil, die klepelt, maar niet op haar boezem of haar billen. Zo niet dolle Flo, ze showt ons opgetogen het verlengde van haar vranke benen. Waar koopt die haar kleren, vraagt de direc-teur, een ouwe kerel van haast vier en vijftig. Spijt verkleurt zijn stem, hij lijdt aan hinderlijke rem op zijn geheugen. Lijkt een kind zoals hij Do begeert. En Flo negeert. Wat losse flodders ledigt, zijn prostaat is lenig voor de jaren. Geef hem heden veel geneugte, deernes. Excuseer mij dat ik heenga, niet uit schaam-te om het misbaar dat op tafels dansen zal. De rokken en de afval krijgen al mijn bijval. Maar ik zak eens door naar down to earth, het wasvat hapert in mijn flat. Ik heb met ome Harry afgesproken. Hij is de kant- en klare sleutelaar, de man met tandenstokers in zijn opgerookte vingers. Hij laat mijn zieke wasmachien een smartlap zingen. Wishfull thinking. Nonkel Rik laat op zich wachten. In gedachten zie ik boter smelten op ons Flo, ze ligt verborgen afgestript en kronkelt door naar Do. De party escaleert in feest van bange gang-en. Gangsters zijn collega’s overal. Ik repareer een spoelknop in de verte, zit hier zwoel te zwieren. Voel mijn knoken en mijn spieren van mizerie dat ik zonder zwengel viel. Ellende in het kruis, mijn kruid verschiet zich niet. Ik wik en weeg de hete graden tussen dertig-veertig, zet op vette zestig. Klop eens op de wakke zeepbak, schop het zaad eruit. Hun buik gaat huilen van verlangen, ik besluit dat ik kom droog te staan. De bluts met buil balorig en wanhopig. Flo gaat dood, ze stoot op bodems van genot. Ze spreidt haar armen naar mijn warmte die afwezig blijft. Ik ben af-lijvig in mijn geest bedrijvig, virtueel aanwezig in een tweede leven. Do wast mij de oren met haar sop in second live, ze leest de specie in mijn space. Het wasvat bromt zich op, de motor van mijn blote kleren ronkt. Ik monkel als avatar voort met ome Harry, zon-der weet van deze wereld en zijn zondig feest. Ik vreet mijn afgestorven kas op, smakelijk een lijk. Die Vanco gaat verdwijnen, Marlon rijst weer op. Hij blijft en schrijft (voor niemand anders dan) voor ik en gij.

20:49 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: avatar, second live, space, specie |  Facebook |