31-12-06

mensen van het jaar

Mijn man van het jaar is Frans. En mijn vrouw zijn vrouw Suzanne. Tesamen zijn ze 150 jaar. Nooit vergeet ik hen. Ik word er elke morgen wakker van. Klokke kwart voor zes begint hun dag. In de week weliswaar. Op zon- en feestdag tukken ze door tot kwart na zes. Daarna de rituelen. Met het kreupele hondje naar beneden, de trage lift verschiet zich dagelijks van hun ontwaken, alle kabels kraken. Als het beestje pissekakje heeft gedaan, komt het trio terug naar boven. Met de kronkeltrap, hondje kan niet tegen suizend stijgen. Dat doen ze zeven keer per dag. Ongeveer. Tussendoor werkt Frans als manusje-van-alles in de blok, Suzanne kwettert hem als een musje achterna, druk-druk. Een bedrijvig stel. Na de middag dutten ze niet in. Ze gaan op stap, hondje ligt dan amechtig op hun bed. Zij drinken twee trappisten in café Centrum. Ik zie ze dikwijls zitten blinken aan het kale raam, de stad is hun prieel, hun luie lust, hun verlengde leven. Zij wuiven naar bekende mensen, ik groet minzaam terug. Ouwe knarren die niet begeven, met mate gulzig graag genieten. Liefde in het klein, bescheiden dienstbaar, tot elke minzaamheid bereid. Want na het uurtje bier vervolgen zij hun weg en werken. Worden verspreide vuilniszakken opgehaald, ordentelijk verzameld, in strakke rijen als soldaten neergezet. Elk papiertje wordt door Suzanne gevangen in de vlucht, gered van dwarrelend verloren gaan. Geen vlekje in de hall, geen plekje op de trappen krijgt een kans op eigen overleven. De lieve besjes doen hun inventieve plicht, verrichten stil de dingen waar geen haan naar kraait. Echter wel hun hondje, het keft met hese stem als de baasjes komen aangesjokt. Frans excuseert zich voor de kleine overlast, Suzanne vertaalt de dierentaal: een kind dat om zijn ouders roept, een ouderling die uitkijkt naar familie. En of ik het ook al weet van die dode man Saddam? Dat zij daar niet goed is van geweest, die beelden met dat touw, ochhere toch. Frans zwijgt verstard, kijkt naar het stijgen van de lift. Onder onze voeten hangt een lege ruimte, hoe diep duurt een plotse val? Ik troost Suzanne met verse woorden van haar held: onze paus heeft toch schoon gesproken, wie had nog zoveel Vaticaan verwacht, die taal van menselijkheid. Ook over groot erbarmen, recht op leven voor ons allen. Wie werpt de eerste steen, de laatste lasso om de nek van elke halsgerechte? Tegen negen uur doven zij hun lichten, zij trachten met hun oud verstand de slaap te vatten. Het wereldnieuws blijft vaak hangen, haperen in hun simpele geest. Hondje slaapt bij hun pantoffels, soms met nachtmerries van mens bijt hond. En gromt.

 

 

16:42 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (11) | Tags: saddam, paus, vaticaan |  Facebook |