02-01-08

beste wensen voor de rare mensenaarde

2008. De eerste nacht raakt huilend stuk. Verse kop compleet kapot. Geen druppel drank gesmost. Onge-luk gehad bij incident. Verkeerd gezicht gezet, mijn mond stond scheef, ik weet het niet. Maar ik misdeed. Het dikke leed ontstond. De ochtend dronk en ik bleef helder in mijn hoofd. Geloof me iedereen. Mijn hart gewond, nog onderhevig steeds op dreef. De repen en de rafels zijn aanwezig. Hete strepen aangenaam, ik leef zomaar. Verschoning dat ik beef. Beschroomd.

Een dame en een tafel later. Ik word opgeschonken, roomsoep uit een diepe winterkom. Haar handen scheppen warmte met een halve lepel in mijn mond. Ik hou dit zwijgend vol. Ik krijg mijn deel, zij streelt haar poes, ze spint een andere taal. Ik tel de drup-pels, lepels zuurstof. Slik mijn adem in. Het regent in mijn eten, klodders nat op nat gekletst. Ook dat nog. Zakdoek leggen, betten. Klein verlet doet pijn. De droogte zit me in de keel te hoog. Ik hijg nog door.

Ik veeg de vegen weg, het is geen zicht. Haar kat zit lachend op mijn schoot. Zij slaapt of doet alsof, ik zie haar slip, een witte bil beweegt. Ik spreek niet meer, ik knipoog naar het stomme beest. Ze likt de resten room, haar snor gaat trillen van genot. Ik pak haar mager vel, vertel haar niks, ze schrikt van mijn ge-zicht. Ik ben de blanke man die bleek hangt in de living, die verblind is door de mist van kerstmis: piek die prikt. Wadist, ze kwispelt met haar staart. Dadist.

Ik mis haar even hevig, lees ik in gedachten op de teletekst die speelt. De kat springt op haar blote be-nen, tikt een poot, en wandelt door. Besluipt haar zo-gezegde dromen, kruipt zich vast en zuigt. Of doet precies alsof (zoals zij eerder deed), ze krabt een borst, dan alle twee, ze springt wat heen en weer, ze veert. Ik kijk tevreden op, zij leeft. Wij zijn een trio in beweging, inclusief een beest. Ik streel en ik verveel, ik zet de televisie af en aan. Het testbeeld zit me na.

Zij gaat te water in haar bad. De naakte kat zit naast mij in de kamer. Wachten maar (zegt vader). Avond valt, de nacht staat klaar. Ik praat wat in mezelf. Het dier verstaat opeens mijn taal en stapt een teken verder, volgt het pad langs waar de kleren liggen: uitgelegd. Ik tel een trui, een kous, een tepelhouder en een huilbui vol met water dat het koude jaar ver-klaart. Ik ben de dader, geen verrader. Laat me maar voortaan. De aarde is een raar bestaan. Ik ga zodra.

22:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: poes, roomsoep, spinnen |  Facebook |