21-06-07

drie elfjes uit een elftal van verwerking

Ik werk mateloos en graag. Op een slagveld van bevalligheid. Met zachte slagkracht. Met machtig schoon gerief. Met maten en met vormen, alles in zijn plooi. Met pauwen die hun veren openvouwen. Weelderig uitgestreken en getooid. Met stoten, lie-ve toten, zie ze lachen, zich verleiden, andersom. De zinnen van verzinsels en voorzieningen, de zwier en zwaaiers. Hun aanminning waait in vlagen over mij. Opvliegers liegen niet. Vertraagde ademnood. Altijd bewaseming. Voor minder wil ik niets omring-en. Cirkels schoon kantoorvertier.
Meisjes zijn als vrouwen neergelegen. In het mini-steriewoud. Mysterie van vertrouwen. Heb erbar-men, zondaar, luister naar het uitgelekt berouw. Zoals ze spreken, zijn ze trouw gebekt. Ik zucht en hap naar lucht. Ik rek mijn nekvel, strek mijn ogen. Elke dag is zomer, wordt het wonder aangekondigd. Een belofte opgebroken, dwaalt de leegte door het bos van borsten, grillen, billen, benen. Tongen lik-ken aan gelakte tenen. Zatte hemels barsten open in mijn hoofd, breken elke vezel van mijn schedel.

 

Spontaan kijk ik naar rechts. Daar zit lady Zen la belle te zijn. Verstild, een vat emotie. Spatje lach op lippen die de teksten dienend bidden. Zegt ze niks, ze is geheel aanwezig, gratie en betekenis, de vrede in zichzelf. Ik bereken dat ze nog geen lief-des heeft gekend. Haar warmte is een schaduw die om tastzin vraagt, vanuit haar onaanraakbaarheid. Een maagd die aarzelt voor de openbaring. Zonder haast en zonder schaamte. Ik verbaas me van haar raadsels. Zoals ze kan staren.

 

Tateren doet de overkant. Het lichtgewicht van jong plezier. Ze orgelt door de woordenkrans. Danst op haar klavier. Ze is plezant gestemd. Heeft kind en vent, ze gelooft haar leven niet. Geeft zich geen verveling, steeds versnelder rent ze weg. Speelt zichzelf, een teken van onzekerheid. Ze camoufleert dat ze acteert. Dat ze evenwichtig is bijvoorbeeld. Het aanbiddelijkste nichtje. Kwetsbaar wicht, zoveel is zeker. Innerlijk verdient ze beter dan te weten dat ze lijf en leden heeft. Beminnelijk glimt haar blik.

 

Beminnen, dat wil nummer drie. Meer dan frivole twee. Ze lacht vaak van verdriet. En niemand die het ziet, maar iedereen weet er stiekem van te spreken. De gemene deler, dat zijn wij tesamen. Het theater in vergadering. Een portret wordt op-gelegd door naaste onbekenden. Verlate pijn zit in de staart van het gesprek, niets blijft onverlet. Het rakelings venijn wordt omgezet in pret. Net niet kwetsen. Praten is een aardigheid waarin zij zelden slaagt, altijd herprobeert. Indirect en steels. Ik tel de restjes van genegenheid.

 

Drie elfjes uit een elftal in de ronde. Rondom mij. Rotonde en langsom. Mijn ik en zij, zij allen. Zij aan zij. De zijdes van verwondering. Verstomming onder ons. De meisjes lijden aan vertwijfeling. Geen man geeft hun partij, een vondeling is wel bevallen. De jongen van het schrijfbedrijf, geen leider of een lief. De bespreking zet zich verder in een ander tafereel. Vandaag kwam de reflexie, morgen volgt de naklank van het nagelaten deel. Nog acht te gaan. Als het mag. Dag dames.

21:50 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: elfjes, elftal, rondingen, rotonde |  Facebook |