27-12-07

de langste slaap is niet de laatste daad

Je lag te slapen, diep bewogen, met je handen die je vingers telden. Alsof een uur van sterven nader was gekomen en jij, secuur als steeds, de zekerheid ver-kende van iets mee te nemen. Om te kunnen spreken in je onrust die geduld en kommer was: om ons te laten lezen met een laatste teken, als je ogen zouden breken, ons te prevelen dat het goed geweest was, niet genoeg voor ons. Je was een wonder van bele-ving in de stonde die ons zegde: stom dat dit kan stoppen, zomaar zonder kloppen niet meer willen storen, maar met witte schroom verlegen rond het bleke hoofd de as verleggen van een lijf dat niet kan blijven. Maar van ziel beklijft, de nacht doorklieft, wij dromen deze liefde niet. Een winterstroom gaat mal-ser liggen in de open zee, een warme golf begeeft. Nog even jaagt de wind het water op, weerstreeft. 

Wij zwegen en wij keken. En we vroegen om verge-ving. Geen beweging gaf je, slechts wat stilte in je hart bewoog en kroop misschien nog tien seconden voort. Het laatste leven sloot zich in de achterkamer van je ogen. Mededogen was het eerste woord waar wij aan dachten. Onze dank aan jou, wat flauw van ons. Wat zegt een nagelaten mens? Hij wenst zichzelf het beste verder. Zonder hem ontbrandt de hel. Hoe kan dat nu en wordt het later alsmaar triester, droe-ver dan daarstraks, de nacht nog naakter dan de kou vanavond? Alle kilte zakt, een kist wacht op een graf. Dit is om te lachen. Ongenadig overhoop, een krop, een knoop, een hopeloos gesmoorde grap, de on-macht van de woorden. Mag ik harder praten, vader, wie brengt morgen raad? Mijn stem raakt klem in vers verleden, ik beween mezelf rebels. Ik wil niet van jouw sterven weten. Hemel, werk dit tegen. Help die god een hand om te vergeten. Deze man blijft onze held. Om niet te rijmen met een tegenwoordig over-lijden. Ijlte overal, zijn blik die brak. Ook tranen die zichzelf vertaalden, die wat stamelden op een wang.

Wij stonden en wij hoorden reeds je korte adem die vertrok. Een hart dat knakte en in tweeën brak, een deel om weg te geven, om mee door te gaan: om ons te laten leven. En een ander deel om in te wonen met je ziel die over ons de wake hield. Je was een vake inval voor verdriet, voor laffe ziekte die ons griefde na de liefdes. En voor nieuwe grillen waar je ons niet zwaar aan tilde. Je was een man die wilde dat de zomer altijd mode werd. Zo wenkt dit witte bed, je knikt inwendig met je blik. We bidden niet, dat helpt.

Je ziet ons binnenin. Je waakt zoals een vader die zijn dode kind verlaat, hij verdwijnt en zoekt zichzelf voor-taan. Hij raapt de hemel samen op de aarde. Opdat geen dag bezwijken zal nadat een lichaam zakte in de nacht. Je houdt jezelve recht, je bent een engel die kan fietsen, die nog fitter is dan dood versnellen kan. Geweldig schone man, je rent voorbij het einde en je blijft een wijle in het grensgebied. Je rekt de eeuwig-heid, je bent een randgeval dat alle angsten over-leeft. Je sterft niet in gedachten, niet bij deze. Gene is geweest, geeneen beweert het tegendeel. Een ster-ke geest keert altijd weer. Tot ziens meneer André.

11:35 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wederkeer, overleden, andre dc |  Facebook |