20-10-07

in de plooi gegooid van mooiste meisjes

Het mooiste meisje van de wereld stapt de trein op. Ik stap af. Een kruising in de tuin van Eden. Zou ze Eva heten? Engel, Angelina of Madonna? Misschien geen naam verdragen op haar huid, een warm gewaad van zuiverheid. Ik krijg een trage nekslag als geschenk, abstract aandenken van haar opstijging ter trein. Haar bips laat sporen na, de wissels worden opgewarmd, de wielen vonken. Ik bewaak het leeg perron en lonk. Zij monkelt, veegt mijn adem van haar mond. En trekt zich op, ze rekt zich langzaam uit. Ik denk aan doorstroming en wit-te stoom aflaten. Bidden is de hitte overdenken, zinken in een bedding. Blonde ridder zijn en redder van het meisje in een bed. Ik leg haar in gestreken lakens van gedachten. En ik glij, bestrijk een plooi. Ontaard in taal als nooit te voren. Zoveel gleuven en een miskleum van een man. Een halte, noodrem, stop. 

Het tweede mooiste meisje van de wereld (annex melkweg en planeten) gaat gewillig met mij eten. Ik verklaar haar mijn menu, leg de voorgerechten uit.  Een voorrecht dat ik bij haar aan kan zitten. Plech-tig in een evenwicht, mijn benen aan haar knie, het kriebelt en het wiebelt, maar ik wankel niet. Zij wikt mij wat. Een koninginnenhapje, gok ik, en ik prik voorzichtig frietjes met mijn vork, stiekem van haar bord. Ik schrok niet, in mijn schik ben ik. Ik drink en eet haar ogen met mijn blik. Wij zitten zalig aan een tafel van de middagstad. De herfst tikt bladwild aan het raam, we zien haast blote bomen staan. We praten en verstaan het weer dat ernstig is. Geen boodschap aan. Wij halen ons klimaat vanzelf naar binnen, laten wind en regen in de kou, we houden onze handen klaar. Tesamen voor elkander.

Alle tijden gaan en komen ergens aan, veranderen, maken dingen, nieuwe mensen. Maar de ziel staat vast, besloten in het donker van de binnenkast: die ons als pare minnaars lokt. Ons hart loopt zingend status quo, van pure zinnen. Ik noteer het saldo, maak mentaal een salto, reken sober met de ober af. Bravo. Een fooi voor zijn teljoor, het bijbehoren dat in stilte smolt. Wij liggen daarna in een kamer van verlangen, verblijven lijfelijk in de zonde van ontijdigheid. Oase in de stadswoestijn. Ik tel de sterren van dit streekhotel. Zij schittert enig en van weelde in haar veelvoud, mede van vermenig-vuldiging. Wij delen in ons lief en leden, tellen lucht en zuchten, winst op wederzijdse rekening. Een streling en een rilling, alles wat ik wil. Voor één keer geen berekening. Mijn kansen keren in dit leven, ook mijn wensen komen uit. Wij tuimelen door de kleren, rollen buiten, remmen los. Wij zweven en wij houden alles vast. De wolken en het volk met ver-ser weer. Generen is negeren op zijn kop gezet. Wij revolteren tegen afgezogen zeden, wie nog klaagt is afgezaagd. Begeerte is een leer die niet zal rim-pelen. Wat kan ons verder deren of verhinderen? Wij zijn gedefinieerd beminde kinderen, swingend door dit lieve leven.
 Lust is steeds gerust geweten.

13:47 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: oase, koninginnenhapje, eden, eten |  Facebook |