11-11-06

stervelingenherfst

herfstHet tweede deel van het concert moest nog beginnen, we keken het met kriebels tegemoet. De soul krioetelde in ons wiebelhart,

van kop tot teen waren we doordrongen van het onderbuikgevoel. Volwassen kinderharten zijn te vullen met een funky zak muziek.
We genoten van de meisjes en hun jongens rondom ons, de meisjes droegen botten onder korte rokjes, de jongens meestal lange lokken en een gsm, tegen de verveling.

 

Tot ons mobieltje ging, een noodbericht, moeder (86) voelde zich onwel, overkomst gewenst, zeer dringend liefst. In zeven haasten waren we uit de zaal, rennend naar de veel te verre parking. Iemands noodlot tegemoet?

 

Net geen tien jaar eerder reden we dezelfde weg, haast was er toen niet bij. Droefheid wel, immens. We hadden vruchteloos op Spoed gewacht, een man was niet meer opge-daagd, wegens te ziek, nadien nog zieker, en ultiemer tot definitief. We troffen hem thuis nog aan, vredig zijn blik, voor ons bewaard, zeker weten. Hij keek rustig naar de hemel. Schoonpapa was stilletjes vertrokken, hij deed het sober, zijn laatste woorden waren schaars geweest, een klein gebaar, daarna plots aanvaarding.

 

Die herinnering ging gisteren door ons hoofd, wij waren met zijn tweeën, toch spreek je zulke dingen niet in woorden uit. Gedachten communiceren ook, maken oversprongen. We bleven beide kalm, bereid voor elke onheilstijding, maar niet klaar voor wederzijds verdriet. Sterven went niet. Toen we bange kilometers verder het oudershuis bereikten, brandde er nog alle licht van hoop. De kamers lachten van de klaarte, maar was dat onverdacht? Moeder zat verschrikt en zwaar gerimpeld op de zetelrand, zieltogend en gewond, haar adem haperde, haar hart klopte niet meer regelmatig. Zij lachte echter, tegen beter weten in, wij waren dappere redders, dacht zij. Wij waren niks en niemendal, wij acteerden onze overmoed en ijlden door naar Spoed.

 

Wij spraken niet gedrieën, de nacht was slechts getuige van wat nietigheid. Wij dachten een decennium terug, lachten onwennig in de trieste schemer van de wagen. Hoe broos dit kleine leven zijn kan, vergankelijkheid en herfst, tijdelijkheid en lijden. Wie kent de machteloze woorden, niemand spreekt een waarheid. Angsten, ook beklemming tot het ziekenhuis in zicht kwam. Deze keer hadden we ons voorbeeldig voortgehaast. Moeder hield zich kranig, ze deed het op de nagelaten krachten van haar man.

 

Een vriendelijke doktersjongen, een stel alerte assistenten, apparatuur met kabels en elektroden, alles in een verbijsterend tempo, mensen ijlden door de gangen. Wat waren wij armertierig. Wij kropen bij mekaar, sprakeloos, hoopvol niettemin. Zeker geen minuut te vroeg, verklapte een professionele blik, verraadde iemand met een zucht. Moeder ademde precies wat beter, was dat ons optische bedrog? Het tempo ging nog de hoogte in, alle handen werden hoogst deskundig bijgezet. Minuten later, het leken lange uren, kwam er teken van gezonder leven. Moeder glimlachte met haar ogen, het was een wenk naar ons, zij bleef in leven. Nog voor jaren of slechts even?

 

Wanneer komt de tijd dat ze zullen samen zijn, voor eeuwig weer verenigd? Want ze hebben elkander trouw beloofd, ze wachten op mekaar. Het is hun zachte zekerheid die
ik niet tegenspreek. De onbegrijpelijke herfst is altijd klaar voor ieders kleine sterven.
Elke herfst kan jaren duren, zoals het langzame verval. Het laatste blad valt traag. Het dwarrelt naar beneden, vrede rust opeens in deze aarde. Wij willen onze liefste doden pardonneren, ook bewenen. Totdat wij overkomen.

 

 

00:06 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (9) | Tags: ziekenhuis, moeder, schoonvader |  Facebook |