08-08-07

opgedragen aan Mimoesj, mild in memorie

Het was op de ochtend van de zevende dag. De hakjes kletterden hard mijn kamer binnen. De billen namen plaats. Naast mij op het uitgeslapen bed. Goeiemorgen mooi aroma, afrodisiacum in de dame. Ik staarde sprakeloos, zij zei geen woord terug. Haar borsten stonden dronken, daar kon ik het ter-stond mee doen. Converseren met twee tepels. Aangemaakte tranen ook, de bodes van een nacht-verhaal. Haar gebaren losten op, verloren handen maakten knopen in de lakens, pakten elke leegte beet. Ik sprak me wakker, klapte door van radeloze woorden. Voelde met een zakdoek, lukraak op haar kaken, ingevallen wangen, ademnood. Wat doet een man die vers verdriet van zelfs geen minna-ressen vindt? Bedenktijd in de dekens stapelen. Onverliefd armzalig waren wij. Mankelieke stakkers, stamelaars. En daarom brak de regen door. Zwiepte zwierig striemen tegen morgenramen, gladde ven-sterglazen die verbaasd verzadigd en bewasemd raakten. Een weldadig opgewassen mistgordijn, de nevels van Mimoesj haar natte pijn.  

Zij was gaan Porsche rijden, hoho met hoofdletter, wat maakt het deksels uit, ze rijdt zich vroeg of laat te pletter. Zo klonk mijn gortig antwoord. Dat dit door moest dringen, dacht ik, niets viel te ver-zachten. Geen ledikant dat lachte. Ze had een kater op vier wielen, aangedreven op een dosis speed. Retro vanuit de eighties, deze roes ontziet niets, heeft geen medelijden met haar rijpe schoon-heid. Matroesjka was er bij geweest (zei Mimoesj), daarna langs André-Roger gescheerd, de cocktail-menger, dief van al wat donker is. Een trio van verderf, van dure ondergang, obscuur en mateloos. Ik mag ze wel, ook dat is smerig, schijnsel van mijn eigen rottigheid. Ze breekt in plotse tweezaamheid te bed, trots en langzaam, trager nog, haar lenden plooien in de dekens, trieste ballerina die bezwijkt. Een droeve zwaan die sterft, de oude maan ver-dwijnt. De zon verschijnt genadeloos. Dit is de ochtend van de regenboog. Wij liggen hart om hart en oog om oog, lethargisch in de dood. Strelen alle onzin levenloos. Want dat is het toch tenslotte. Onze luxe aan verdriet, ons spiegelbeeld van zat verspeelde leed. Ik lach inwendig, ongenadig is dit leven. Wrang de grap, de walging om het bord voor onze kop, de rijstpap kookt in ons hiernamaals. 

Mimoesj haar mascara is ondertussen uitgelopen, ze rookt haar eerste sigaret. Inhaleert de zuurstof van de nieuwe moed. Het gebrek aan liefde heeft haar ademloos gekerfd, getekend met een fles geweld. Nog even dutten en ze kan weer tegen nieuwe wegen op gaan fokken. Met een Porsche, oud model, gefuckte zetels, diep doorlegen. Met Matrousjka splijt zij elke nacht, hun waanzin knalt door open ramen, stuurt verhitte gaten door het dak. De drank ligt in de kofferbak. Ik heb het goed geweten, ben de eerste mededader. De meisjes zijn hun jaren ver ontgroeid, ik was een groentje bij de eerste rit. Maar ik pas voor hun voorspelling, de verleiding van een allerlaatste trip. Opgepast staat netjes, aangebrande ladys. Ik reis veilig, nuchter door mijn nacht. Het ongeluk rijdt vaker onmeedo-gend zacht, ik ben bang voor elke klap. De lafaards leven langer, meestal deels tevreden, liever niet gegriefd. Hallo Mimoesj, verknal je kansen niet. 

22:32 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: afrodisiacum, matroesjka, mimoesj |  Facebook |