13-11-07

zo de ouden zongen, vogelen de jongens

Ik bel hen. Zij neemt op. Verrast en kort van stof.
Ze zal hem roepen. Hoeft niet. Ja hoor. De stappen sloffen weg. De kilte in de gang loopt achter haar. Ik daver door mijn gsm. Verpleeg de leegte. Ik hoor niks meer aan de overkant. Behalve het gebrom, de brutale stilte van de wandklok. Dat ding dat altijd doorgonst, boos op elke afgelopen tijd. De opge-klopte gong van sterven in seconden. Hij komt aangehijgd. De goeie man, hallo hoewist. Zoals het weer dat rammelt. Oud en gammel, barstens koud, zeer onderbenen. Moet genezen, maar wanneer. Anders ook geen nieuws. Behalve het verdriet van elke dag. De leeftijd zit niet mee, de zomer hinkt weer achterop, de winter kan versplinteren. Of ik het al vernam van Rose-Marie, die met haar paar-denstaart van veertig jaar? Ik denk aan repel-steeltje, die afgebleekte del van Nelekes. Nee, niet die pannenlat, wel die felle zwarte. Ze waggelt soms nogal, ze pronkt hovaardig met haar gat. Ze ligt de ganse zomer in de zon. In haar blote boven-lijf. Volgens nonkel Fons althans vertelt. Die weet het van zoiets per ongeluk te zien. Stiekem op de gluurmuur langs zijn haag. Door het gat in zijn cul-tuur. Helaas, ik ken dat bronstig mens van haar noch pluimen aan haar kont. Ze lijkt me anders wel een vrouw met inhoud aan haar lichaamsapparaat. Ik volg de lijnen van het telefoonverhaal en ver-zwijg het sensueel beschrijf. Ik ben een zwever.

Grapje, vader. Ik nam uw tekst weer al te letterlijk, ik zag het sekstheater in de appelgaard. Het blozen van de bomen. Verse pruimen en frambozen, het uitgeperste fruit en honing die van ons vingers druipt. Weet ge nog, denk ik verlegen: waar is nochtans (pertang) de tijd dat ge graag een trage danste, walste met uw Martha? Malse stoten vol bekoring, kerkerotisch door het kletsend dorp. Ver-loren poses sop en Gigi l’Amoroso. Zeven kontjes, zeven rozen heel onnozel. Bosjes schaamte in de grot van namaak-Lourdes. En pret met naakte Bernadette, verzet met Betty naast Maria Maagd (een zakdoek om de kop als boerka). Dertien jaar en één streep haar op onze borst, de oksels blon-ken blank. Vertel maar vader, leg dat mokkel Rose-Marie eens lekker bloot. Ze is pas opgewarmd, te berde op de brem gebracht. Een schotel uit de he-te oven van het herfstpaneel. Pas uit- en aange-kleed in ’t bruin van bleke huid. (Ik pers de poëzie).

Ik ben een uitgewoonde jongen, vader, onbezonnen en verdorven in het stadskwadraat. Uw hart slaat over en ons moeder kan het niet geloven. Ik kom zeker op het kerkhof praten later. Met de stenen van uw graven spreken. Tekens van affectie ket-sen, krassen met mijn nagels en een harde traan markeren. Onze taal is misverstand en aarzeling bij leven. Wat ik van Rose-Marie wil weten is geen story van de cowboy. Laat ze liefde, laat ze strelen wat haar hand begeert. Een mannenmond, een deel of twee verloren billen. En vergeef mij evenredig aan mijn hart. Het klopt weer gillend in mijn keel.

23:21 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boerka, maagd, zakdoek |  Facebook |