09-06-07

op trektocht met Leterme naar de kerk

Vier éclairs voor twee euro zeventig. Zeg nu zelf, zei ik in mijn eigen. Ze stonden te pronken in de aanbieding, blakend van gezondheid. Misschien met een vervaldatum op de koolhydraten. Maar het was de laatste doos in de winkel. Hebbes, dacht ik. Die indigestie is een zorg voor morgen. Een mens moet soms snelle keuzes maken. Baat het niet, awel dan braakt het maar. Verschoning voor dat laatste. Het zit me wel eens hoog. Ik word steeds minder kies. Zelfs kregelig van verkiezingskoorts Wat zijn we laag gevallen, verneem ik vooral de laatste dagen. De spruitjeslucht kruipt in mijn neusgaten. Uit mijn oren groeit een worst met bloemkolen. Het zijn me-taforen van verval, patattensmurrie op mijn bord, een portie Vlaanderenpuree, een snee komkom-merland. Het droge brood smaakt beter dan een roomse schotel onzin, zoals ons voorbepoteld door een grijze dominee. Hij grijnst als een pastoor met zin in zonde. Het komiek plastieken paterke, zonder lef, met bretellen op zijn ballen. Een monkelmans die mayonnaise zonder mosterd klopt, ik modder verder met zijn woorden. Deze brei valt niet te vreten. Maar ons land blijkt in de stemming. Peilt zich verder naar het eiland van ellende, pretpark waar een stijve hark de troon bijkans bestijgt. Het schaamrood is een blos die niets ontbloot, geen schroom vertoont. De tijden gaan veranderen, dat scandeert vandaag de schande. Zoiets heb ik pas gelezen, prietpraat voor de tateraars, de stame-laars, de stom onmondigen, de kuddes die gaan grazen waar de weerlozen zich schudden. Ik zoek meteen beschutting. Moeder, waarom kiezen wij? Ochheer, vergeef ons onze hoogmoed in de on-macht, onze voorstand op de welstand. Waar eindigt deze kwelling, opgeweld in oog en mond bij volkse voorstellingen. De stemmen worden niet ge-hoord en snel geteld. Het paapse saldo klinkt van ver te voren, geel-oranje blaast ons van de toren. Salvo’s voor de tegenkoren, al wie roos of rood ziet, schaamt zich dood, wordt paars van woede, groen van jaloezie of deckt zich in. Restanten zijn een bangelijk part voor zwart belang, het blok rolt grommend uit zijn hok, de breed bemeten kant en kwal.

Afgrijzen wordt ons deel, de koster is haast keizer. Zijn gewaad werd opgenaaid zoals het stiksel van zijn mening, de steriele kleren van een uitgetreden kloosterling, een middenmoter doorgestoten in de modder van de mediocraten. Elke burgerman her-kent zijn mankement, slikt bij mondjesmaat gedach-ten in: geen geschenk van opiniëring. Schor stopt hier mijn stem, ontferming onzer. Laat die katho-lieke kelk aan ons voorbijgaan. Wij willen politieker swingen, voor het zingen van Leterme uit zijn kerk wegspringen. Onze melk kookt over van de klodders preek. De hete lellen zijn het vel van verse hekel.

 

23:13 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: leterme, kerk, stemming |  Facebook |

16-05-07

versmacht van zonde op een zondag

Zie ons hier zitten, het is zondag, schrijf ik drie dagen na bevalling. Intratekstueel als uitleg. Eerste intermezzo. Heel mijn hoofd is blijven haperen. Bij dat streepje weekendweer, de zon scheen op de ramen van de vooravond. Wij hangen rond, bewe-gen onze ogen en bewandelen een leeggelopen stad. Het heeft een halve dag geregend, alle we-gen heten natte straten, paden die zich rapper laten gaan, van geen stoppen van het strelen willen weten. Hitte is een naam voor zinnen en beminnen, overdaad vindt overal een plaats, een afdak van verlangen. Bange mensen blijven binnen, schermen met het beeld. Wij gleden verder, zagen alles zitten, liggen en niet liegen. Legden verlegen kleren op een berg, de hoop ontbloot. Genadeloze dag van afgrond in de zonde. Goden zij geloofd, veroorloofd. Heer vergeef ons heden onze zeden. Zedig zij uw zegen in de flits, de felle feiten. Zij en ik geketend, heerlijk hete dij aan dij, gebenedijd.

Zie ons overleven, overdenken wij. De laatste rim-pel lacht zich weg, een plooi gaat plat van zacht allooi. Wij bidden onze bibber met de warme vinger af. Gesmoorde woorden overrompelen elke wonde, wij wonen in elkaar. Verkennen verse zon op deze late zondag, dansen op een smal balkon. De wolken trachten laag, mankeren geen seconde, laten met een knipoog stralen door. Het schijnt van blijheid ongeweten door een kleed, een flard japon ter-loops. Een benenspel, een billenoord, een lustprieel, een kussentussenstuk. Staccato, strak op adem, max mintempo, contra moderato, extatisch in cantate, exaltato. Interludium en daarna naar de kerk, gemis, de buitenkant, te biechten op een bank. De plicht volbracht, gezwicht voor lieve lijf en leden, de verveling met een kreet verzwegen.

 

Zie ons hier zitten, denk ik nog, betrekking op die laatste zondag. Alles was volbracht, herhaling mijn gedacht. Met zicht op stadse pracht, een kathe-draal met flapperende vlaggen, elke nauwe nis ver-moeden van gemis. Ons ongeloof verhoogt geheim-nis en genieting. Niet flauw doen over iets, het nauwelijks gemis. Zo gezeten, voor geen god ge-beden, onze rug gekeerd naar elk kapittel, scheen de zon verdwenen. Elk van ons had er gelegen. Middels zinnen tussenin. Zij knikte oogverblindend, van mijn overschot gelijk bevangen. Wat deert de weelde van het glijden en het blije zweten? Ieder volk moest beter weten. Ondank aan de onmacht van de straat. Wij bevrijen vrolijk onze staat. Zalig van genade en genot. Geen regels, geen gebod. De liefde onderdanig.

23:08 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kathedraal, kerk, wonde, zonde |  Facebook |