16-12-07

het kan verkeren met een winterheer

Keikoud en helder, de hemel staat staalblauw te kij-ken op de aarde die beneden leeft. Nog steeds, wij geven ons niet op. Aanwezig als de wilde beesten. Sterven is de pech van anderen. Wij zijn echt wel anders, strevers naar goed eten en geregeld geld voor heel ons ego. Onze eega mag het weten dat wij mediteren over volk en soortgenoten, sores rond de kop. Zoals met tante Bé die heden stoned is, in haar badjas woont, haar fantasie verschoont. Ze drinkt niet meer zoveel, ze compenseert met rook. Ze zweeft in kringen om haar hoofd en zet verkeerde koffie, giet jenever in de thee, gaat over boord, raakt kant noch wal, ze zwalpt wat af. Ik steek mijn kop eens in haar afwasbak, verzet gedachten op een bord. Ik schiet alweer te kort, ze lacht hysterisch.

Ik stap op, de trap gaat aan de haal met elke trede,
ik vergeet dat ik te vlug ben voor een klein begrip.
De stad ontvangt mijn snelle pas met open armen,
ik noteer de wintergangen en bega dezelfde bange flaters, zie de taterkramen van de zaterdag. Ik ben een dronken woordkramer. Verzameling van taal in opspraak. Ik geraak niet voort, de massa is een boot die tegenstoot. De mensen zwemmen in hun pakjes naar het kerstgeluk. En lullen veel. Het weer zit mee, de regen niet. De lucht is droog gemolken, donder op Al Gore, wij zijn verbonden met klimaat en zeden. Alle wolken zijn tevreden met het drijven van de mensen. Denk ik met wat twijfel aan mezelf. De deining dat dit inzicht geeft. Nochtans, het is perfect de tijd voor har-de vrede. Leg het haar maar uit.

Ik ruim haar puin niet op. Ik trek haar lingerie niet aan haar blanke vel, ik blijf met al mijn fikken van haar blote blikken af. Ze staat in brand, ze vonkt, ik heb geen water in mijn mond. Soms zit haar verstand verstopt, dan denkt ze met haar kont. Ik ben begot geen gatlikker. Mijn gsm begeeft weer onder haar gewicht. Ik draai de knoppen om, het licht gaat uit, ik zie haar buiten lopen. Langs de straten spoken en hoe mooi ze desondanks kan zijn. In haar onbewaakt en naakt gewaad. Ik ben de kwaadste niet, dat zegt ze simpel als een kind, ze kent geen woord voor kommer om een vrouw die implodeert. Ze stelt mijn vriendschap in de vraag terwijl ik haar verpleeg. Dat tracht ze op te vangen met een vracht aan drank. En gras dat in haar tabak zit gerold.

Ze krijgt de zegen in het hooi: van hasj en van de zwarte heer die haar soigneert. Hij is een strohalm in de nacht, hij inhaleert haar keer op keer. Zij teert de roes op hem. Ik slaap terwijl ik woel en al haar woede hunkert. Ik ervaar een miss-tevreden die de junkie speelt, mijn hele eenzaamheid begeert. En wakker claimt. Ik reclameer nog steeds. Ik wandel in een droom van onbekoring, koning van mijn afgebakend land. Ik ben de grage eenzaat in het spel. Gezelschap is geen plaag, ik leg een andere dame in mijn bed. Met vlagen van zelfstandigheid. De lakens lachen nuchter en ik ruk de dekens af met haar.

20:09 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hooi, joint, hasj |  Facebook |

22-09-07

mijn kop reist in de wolken van haar rok

Het beloofde een mooie dag te worden. Zonder regen of verdriet. Ik groette de dingen en hier en daar een mens. De dieren sliepen nog. Ik stapte op de bus en zette me naast een neger. Veel bling bling rond zijn polsen en zijn nek. Het geneerde niet. Integendeel. Wij deelden een gesprek. Twee jonge Turken tokkel-den op zijn Vlaams een ochtenddialoog. Schoon om aan te horen. Nietwaar oom Tom? Eigenlijk heette hij John. From Congo, mister. Of ik een sister had en join-ten rookte? Aan het station gekomen was de deal al binnen. Wij deden een take five. Vanavond maakt hij kennis met mijn wife misschien. Mijn lady zal wel zien. De wereld is een speelveld. Zonder geld rolt geen geweld. Van opgewektheid kwekte ik bijna boutades. Quasi baldadig waar. Gek. Ik zag den dikke Deckers en ik remde af. Of was het Sven Ornelis met de onder-kinnen? Een ronde man sprong in de morgen op het mediaplatte plein. De trein verstomde. Zes polities waakten met hun buiken over kale nadars. Reizigers werden wakker met een geintje: Q is good for you. Ik haalde adem, gaapte. 

En ontsnapte aan de klapwiekdeuren van de opge-hitste intercity. Gisèle Ickx blonk op het plaatje aan haar linkertepel. Ik kreeg meteen een lel van haar. Verbaal. Ik had een late jump gewaagd. Haar fluitje uitgedaagd. Zij was de opblaasmeid met bolle wan-gen. Trots rood hoedje dat de toegang tot de trein bewaakte. Ik genaak haar niet, verdraag geen veilig-heid. Zij heeft mijn namen afgeschreven, ik geraak gewend aan zedenpreken. Geef mij meer Gisèles, ik verwen ze. Val daarna een lege zetel aan. Ontspoor, ontwaar een baviaan. Een witte man met een ba-naan, een smikkelaar. Hij kruimelt chocolade op het vensterraam. En brokkelt brood. Hij appeleert aan taferelen van de nieuwe weelde, geen manieren aan meneer besteed. Te blank, onnozelaar helaas. Het specimen met kloten van verwaand begaafd. Hij valt niet op Gisèle Ickx, zij vraagt zijn ticket om te rijden. Spijtig, zegt hij lijzig, op uw wissels reis ik gratis want mijn baas betaalt. En inderdaad, hij blaft gelijk. Be-wijst zijn overdaad aan onbeschaafdheid, graaft een vrijgeleide op. Ik stoot perplex zijn trommel om, het brood smakt op de grond. Gelukkig ben ik niet ge-wond. Verschoning voor de opstoot. Ik begrijp Gisèle, wil haar redden van verwende venten. Zij ontwijkt me, glijdt voorbij.  

Het is nog daverend laat geworden, naar de avond warmer opgelopen. John kwam langs met flikkerogen. In het zwart. Hij heeft mijn lady geenszins omgepraat. Zij reed zijn gladde bliksem van de rails. Zoals Gisèle, onvervaard een repliekdame. John staart in het hoge donker, rookt een trage paal. Ik haal in gedachten echo’s aan haar rokken op. En sprokkel restjes lef en ero-pret. Betaal mijn lusten af. Geduldig rij ik langs de lijnen, blij om periodieke tijden. Om de meisjes die mijn vrouw vertolken. Wolken mijmeren om mijn kop.

10:42 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: echo, deal, joint, rails |  Facebook |