13-07-07

een snorrenjongen scoort in hoge sfeer

Plots staat hij voor mij op het perron. Pal als een paal. Ik, een paling anders, raak niet weg. Plak aan zijn snor, zijn pretgezicht, zijn monkelblik. Ik heb lak aan grapmeneren, maar dit is gemeend. Zijn glim-lach opent een verleden waarin ik spartel, aange-naam vertraag. En omver val, van verbazing op-staar. Naar zijn gekgezegdes, met perfecte ron-ding. Een man die vrouwen tegen zijn gilee kan trekken. Dames strikt en oppikt, oppakt voor ze aflopen. Ik fantaseer maar wat, hij is mijn volle neef, verdorie, Gerrit jongen. Hoewis’et anders nog? De tijden zijn veranderd, antwoordt hij. Een knipoog van gewicht. Hij port ons naar de betere klas. Ik mag op zijn kosten sporen. Gerrit heeft het schone weer gemaakt, een loopbaan op de tast geëtaleerd, met eretekens en twee of meer privé-hostessen. Prinsessen kneep hij zonder één diplo-ma. Self-made, menne man. En zoveel duizend in de maand, droge euro’s aan de haak. Met aftrek van een optrekkast aan verre kusten. Woelig water doet hem goed. Hij is een man die op de golven boert. Tot vorig jaar die smak. Zijn hart dat even brak. De zenuwen. Wie had dat gedacht: zijn eigen Greta. Toegegeven, hij had ermee gespeeld.

Maanden lag hij plat, bedacht systemen voor zijn terugkeer. Vondt de truc van chromomoleculen die sponderen. Kwadraalreflexen genereren. Hij bere-kent mij de tweedehands-formule. Een extract van min maal zoveel nul, vermenigvuldigen, daarna delen door spiralen, afgefilterd met contrast. Een makkie. Nam een patent of zeven, niet gezeverd. Ziekentijd is cijferwerk, verveling kansberekening. Geef hem een potlood en hij potverteert niet. Per-foreert de markt van amicalieënpark, zijn commer-ciëel segment, een premie voor een staal geniaal. Dat bracht hem sneller op de been, hij engageerde blitser personeel. De zweep op vers talent, drie meisjes voor een halve vent. Geen complimenten, brains en billenwerk. Hij werkt met elke elleboog, geeft soms een gratis onderstoot. Of Greta dat verdragen kan, vraag ik op de man. Ontzettend stom van mij. Neef Gerrit is geen vetzak, maar een malse stormram, een charmante pletterwals. Met dure pakken aan, ze zitten hem perfect, een on-vervalste punker die als dandy door de drukte danst. Een midlife puber in de speeltuin van het losse geld. Het rolt hem als droog zand door vogel-vingers.

Wij rijden Brussel binnen. Dit is mijn uitlaatland zegt hij. Mijn strand om monumenten neer te planten, kastelen op te metsen, perken en priëlen aan te steken. Twee seconden kijkt hij somber. Peinst aan Greta verder. Dat ze het geweten heeft, verdenkt hij haar. Mompelt daarna quasi-vrolijk voort. Geen zorgen maken. God creëert de dag en Gerrit schept de putten leeg, vult zijn dag met manna. En met steken aan zijn maag. Dat kankert maar. Ik mag hem niet verspreken. Wij zien mekaar nog weer, nietwaar. Van harte, als de ingewanden het ver-band doorstaan. Gerrit ademt zwaar, hij zweet.
Zijn trots wordt nat. Of ik plots besef waarom hij beeft? Dat Greta alles weet mischien. Nog een tijd te leven, hoeveel saldo aan restant, wat geeft zijn geld hem langer? Bang beleggen: no way, never. Iets bedenken, mathematisch elixir voor engelen-haar. Hij berekent een mirakel, mastercredits op de hemel. Mijn gekwiekste regelneef, te laten of te nemen. Hier voor Greta dierbaar neergeschreven.


20:04 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gerrit, greta, regelneef |  Facebook |