21-02-07

het maske was gaan wandelen, maar

Gisterenavond stapte ik met lichte pas naar buiten, ik dacht dat de lente ergens was. De dag had zon gebracht, gezonde zorgen. Dat geeft wandelbenen. Een mens wil zich dan vertreden zoals dat in op-somboeken soms geschreven staat. Mijn opgefokte tred werd afgekegeld door een kromme somberman. Hij zocht de stoepen langs, zag in mij zijn anker, een vrolijk reddingsplan. Ik lachte inderdaad van overacting, dat geeft mensen valse hoop. Een aardje als een ander. In de terugslag voorwaarts, smak met salto in de eigen val. We zijn niet wat we vaak vertolken. Onze rol bedot de sobere en de simpele.

 

Hebt gij geen ouw madam gezien, die met haar hondje van half acht. Lees de weerklank van wat aanspraak op een buurman: ik klink hem dapper goed gezind. Waarom mag dat hier niet kunnen, toch. Ik verstond hem aan een ogenblik. Vrouwke was op avondtrottinage met de poedel. Plots ver-mist. Ik had weet van haar geplogenheden. Een besje grijs tevree. Maar met klein afwezigheid, ook op wandelwegen. Geen schande of blammage. Ik verwacht een dwaalstreek en verschoonbaarheid.

 

Dus duik ik in het nieuw scenario, een lentevent wordt avondridder. Stort ik mij het donker in, doorkruis het park, de steeg. Ondervraag de hon-den en hun leiband. Dribbel dames met een pruik, kam struiken uit, hark het gras uit ieders neus. Maar zijn madam blijft ongezien. Ook onbesproken door bekenden. Ik ken nochtans haar trippelroute, in geen jaren week ze van haar vaste pad. Bijna tachtig lentes en een minnaar, kom er maar eens achter. Dacht ik me af.  Wat zou ze zich generen, om een pissekakske niks verlegen. 't Hondje moet behoeftes doen.

 

Dan ontwaar ik witte stippen langs de dreef, een krulspeldkapsel en de kwispelaanhang. Moeder vor-dert grijs en trekt een poedel mee, een sleeptouw-span. Ademloos staat vader naast mij, aankomst uit de leegte. Hij was me achterna geschoven, op zijn aansteeksloffen. Hij pakt mijn arm en blaast zich op een hoopje: woordjes moed. Ja, beaam ik (held in aanmaak), dat is moederke, gekrompen van vertraging, hart op wederkomst. Maar maske toch, waar waart gij, stamelt hij. Zij lacht verlegen, ach. 
Het is beter dat ik heen kan gaan. Schoon hoe ze nog bedanken. Och here toch. Een maske en een gast van tegen tachtig aan, prachtig zoals zij zich missen. Zoals bejaarden sporen op de wegen laten. Kruimels om steeds weer te keren.
 

21:55 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (7) | Tags: maskes, gasten, pissekakske |  Facebook |