24-12-07

de trein verloor de sporen van zijn brein

De trein der traagheid had vertraging. Toe maar zaag-mans, noem je onvermelde bronnen. Pleonasmes van jewelste. Tot zoverre mijn voorspelbaarheid. Rails en wissels liggen van gesakker lang niet wakker. Een ge-leefd kwartier is dode stof, geen materie in het licht van eeuwigheid. Ik werd er nogal simpel filosofisch van in Brussel-Zuid. Plots geschiedt een stroom ge-rechtigheid, de trein reed plechtig voor. Onverstoor-baar, tragisch in de daver van slow motion. Een ge-voel voor drama draagt zo’n mastodont onwillig mee. Er kleeft vaak overmoed en macho-onvermogen aan, ook fallistiek en valse penetratiekracht. Zelfs bloed met spatten van het pletwalsrad. Ik denk wat af als reismens die zich staat te tergen, ik ben een helse pendelaar, een blote nerf. We zitten ondertussen onder dak te knussen, knikkebollend tot in Brussel-Noord. Waar het volgend onheil wordt verkondigd. Motor af omwille van een dropping uit de hemel. Een mix van twintig engelen moet aan boord gehesen, inclusief de elfjes onder hen, dat is niet niks. Ze zitten op een wolk die in de file van de nevels hangt. Zoveel zenuwstelsels later komt het volkje aangeslobberd, scouts en punks waarvan de meesten net nog nuch-ter zijn. De vader door mijn aders is vlug opgelicht.

De sliert wagons laat stoom af, zet zich in een ruk op weg naar rust en leve Leuven. Het glaciale huis ver-wacht ons aan zijn waterhaven. Want er staat een kerststal met lawaai in vuur en vlam. Plots verslikt de voortgang zich. De trein raakt blijkbaar van het goeie spoor. Het ijzerwerk staat stil. Iets krijst. Het donker schrikt van onze blik en loeit. Wat stom, een weiland tussen Haren en de overkant, het oosten is een on-bereikbaar eiland. Hondervijftig wijzen worden gij-zelaars, wij zijn verpakt met onze ijle pakjes, opge-sloten reizigers, zonder geil en schuw van onschuld. (Hoor geweeklaag in ons koor). Wij zijn leeg en twee uur onderweg, de kilometers plakken als een slak die achteruit kruipt. Een verbleekte hoofdklak komt ons smeken om te bidden voor een aflaat, hij belooft ons kering naar de oorsprong. Leuven is een ophaalbrug te ver, ons huis is plots geen bed waar Stella slaapt: een warme plek voor buurman Jaak. Dag kameraad, genaak haar flanken en je hangt. Hier komt heisa, bijna opstand van. De punkers kerven dronken rellen in de zetels, zitten stoned naast dode scouts, zo lijkt het toch, de meesten overleven op een masker van verbetenheid. Twee zatte maskes amuseren zich een beet, ze memoreren welig aan Aurore uit Welkenraedt en hete Amélie uit Luik, ze spelen languit met hun medematen. Zij tevreden, wij verbijten leed en leden.

Drie uur later na het startschot staan wij aan de meet gebold, dit was een salto achterwaarts, de nacht komt niet meer bij van onzin en van onmacht. Ik ver-zin een taxi, met mijn ondank aan de hoofdklak. Dit is overdaad, de poorten blijven dicht, de trein wordt niet ontsloten. Godverdorie, tiert het stilstaand volk, wij willen adem halen, drank en vreten slikken. Vogelen met een pik en vissen vangen, prakken brood verme-nigvuldigen in de schoot voor opkomst van het nage-slacht. Iemand moet de vroegmis dienen. Wierook smeren, wraak en vrede genereren. Bidden om een trein te deblokkeren. In het railend heden. Heer, ver-geef ons deze ketter, wij gaan radeloos te keer. Wij breken ketens, een alarm ketst af op mijn geweten, ik raak klakmans in zijn eer. Dit is een overval, wij kra-ken hier een nooduitgang. Wij ontberen elke eerbied, hebben lak aan regels en verzegeling. Wij zijn met hondervijftig net geen dode zielen, wij gaan scoren. Vijf uur in de ochtend, vijf uur onderweg en vijf uur sterven. Geen excuses, ook geen ruzies meer. Ge-woon het recht in eigen hart, de handen vol geschen-ken verse vrijheid. Wij zijn mensen die vannacht op beesten lijken, dieren die veredeld strijden om ge-lijkheid. Wij zijn een leger dat op vensters van de vrede klopt, wij geven gas aan onze genen, wij zijn gensters van beweging. Brussel mag dit godverdekke weten, inclusief de heren van de termen in het mini-sterie. Onze kloten waren stijf bevroren van ellende in het sporen. We waren rapper met een boot bewogen achteraf. Snel op vaart naar Stella en de weke kerst-stal in zijn wiek gepakt, een harde piek gespaard en hanig opgezet. Hadden we eerder dit verdriet gewe-ten, dan hadden we kladden, handen vol verlangen meegenomen. Daarna balen, hopen, halmen stro ont-stoken. En dat glazen huis doen smoren en doorbran-den. Van de liefde om weer thuis te komen. Zalig toch.

12:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: engelen, elfjes, glazen huis |  Facebook |

14-01-07

’t is godverdorie waar

God is op skiverlof. Jacques kon niet meer mee, Marleen bleef machteloos achter. Ze gingen gisteren definitief de piste uit, overleden. Een terminale kanker trok de laatste strepen onder hun veel te jonge leven. Een afscheid met een cocktail van morfine, een smerige schok, een snok nog voor de laatste coma opdook. Afzien van vakantie voor de rest van winterdagen, -maanden, enzoverder zonder leven. De ultieme alternatieve uitstap, het vernieuwde jaar schonk hen geen veertien dagen overschot.

 

Mijn schoonbroer deelt het met gesloten ogen mee, kloeke kop in kas, op emo en met een godver- godverdomme. Mijn zus is weerlozer aanwezig, zij draagt zwarte kleren, zo zie ik haar niet graag. Zullen we muziek spelen, dan hoeven we niet te spreken, niemand vindt hier woorden voor het verdubbelde verdriet.
Lee Hazlewood zingt “For every solution there’s a problem”, voor elke dood na uitzichtloze ziekte treft de rouw een rozenkrans van smart, een kraal van tranen, opgekropte snikken, wij verslikken ons in het overgebleven leven. Een gospel-nummer troost ons drie minuten, “Save a place for me”, a capella, een trage zanger wordt gedragen door een koor van zwarte vrouwen, de lijkbaar danst, er valt een knipoog uit de hemel, twee tranen geven warmte.

 

Ik flipper en ik flash back. Kleine zus speelt kirrend in een zandbak, kindertjes Marleen en Jacques bakken taartjes mee, scheppen hoopjes overhoop. Jacques trekt aan de vlechten van mijn zus. Zus wipt protesterend op, vinnig. Jacques verschrikt zich, holt dan olijk weg. Marleen, op korte bange beentjes, huppelt achterna. Grote broer kijkt toe, herstelt de vrede. Teder fresco uit de tijd, een kindertafereel.
Zoveel zandbakken later, een lading leven rijker, blijven zij mekaar ontmoeten, soms ontroeren, kleine droefheid wissen met gedeelde vreugde. Meestal is het feest, af en toe een dipje, het tipje van de sluier ontsluiten zij onder vrienden. Marleen werd stiller mama, broeder Jacques een gulzige genieter, daarom werd hij priester, dorpspastoor. Geslaagde kolder in zijn leven, maar met een zuiver hart voor mensen, religieuze slapstick voor zijn naaste, spijkers aan zijn doodskist voor het bisdom. Wij maakten al zijn escapades met de dames mee, vooral met die turbulente laatste. Zij volgde hem door pure passie, als een dolle furie, tot voor de poorten van de dood.

Marleen, de immer stille, vertrok als eerste, misschien verlegen. Zij was reeds een engel toen kameraadje Jacques kwam aangestormd, een kwajongen die de wolken kolken deed. God verschrok zich in zijn wodka op de after-party. Jacques nam meteen de orchestratie  over: stiekeme après-ski ter hemel werd een helse orgie. Vader God werd liederlijk, tenslotte ladderzat, Marleen bleef bij haar angelieke positieven en beschermde Jacques voor zijn eerste kater buiten aarde. Jaja, ’t is godverdorie waar, God bestaat, dat willen wij geloven: bij de gratie van zijn engelen die schone mensen in het leven zijn geweest.

 

Heden is het zondag zonder onze vrienden, gisteren waren ze bij ons in hun laatste lijden. Beide zijn gelouterd, het blijven dezelfde tijden, onze trouw leeft verder. (Rebels for ever). 

 

16:41 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: engelen, jacques, marleen |  Facebook |

23-10-06

het regent binnen...

nacht… en het regent buiten, wat is het onderling verband? Spleten in
de vensters en de deuren of sta ik verloren onder het dak op mijn balkon, verward en wachtend op de zon die zich onmogelijk klaart na middernacht? Waar is die zotte maan, waant die zich helder in haar schone aanschijn, baant die zich een weg naar harde hoofden? Ik moet er niet van weten, ik sta in de regen. En ik sta daar goed, verstard in mijn gemoed, ik berust in mijn gedachten, een onzacht gevoel. De nacht is voor de braven die gaan slapen, slimme dwazen blijven wakker, willen wandelen gaan en keren op hun stappen te-rug. Vluchten bleek weer vruchteloos. Als de ochtend komt, wordt morgen alles anders, zeg ik tegen een stelletje sterren. Zij fonkelen dartel verder, ik zie ze monkelen onderling. Ik wens ze naar de bliksem die opeens komt knipperlichten. Hier komt onweer van en on-gemak voor zwakken en voor slechte slapers. Ik haal nog één keer adem in het donker en aanhoor de verre donder. God laat het weer verdommen en zijn engelen wentelen zich als krengen door de lucht. Ik zucht me druk naar binnen, steek de kaarsen aan en droog me met een natte handdoek af. Dat brengt verfrissing, mijn geweten lacht om de vergissing.
De nacht is bang.

 

01:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (17) | Tags: maan, sterren, engelen |  Facebook |