07-07-07

met blote billen op mijn compilatiegat

Zo triestig dat de zomer liegt, daar is geen zegen aan. Ik schrijf de regen op. Een litanie van kop in kas, mijn zak in as. Ik liep tesamen met Verweerden Karel. Wij kwamen uit de simultane Spar. Er waren dranken in de aanbieding, Bettina. Ik heb Belgisch druivensap gekocht voor jou, afgetrokken in het Hageland. Ongesuikerd, ongezouten, voor gezond behoud. Buurman Verweerden, zeg maar Karel, zo-als Karel zegt, kijkt waarderend in mijn tas. Dat is inderdaad geen kattenpis, lacht hij grondig geel zijn tanden bloot. En dan moet je nog mijn buitenkant begluren, meesmuil ik opportuun. Stuit hij op het verfwerk van Raveel.  Alles groen wat lacht, ver-stilde man, een pettengek. Proficiat voor het Spar-renmagazijn, hun draagklabassen hebben stijl en houdbaarheid, een schilderij gelijk.
Karel kletst en kladt de straten vol, hij bewoont mijn overkant, meestal mager, schraal content. Kanker in zijn lijf, vertelt hij mij, een oud gezwel dat verder zweert. Miserie om een wijf, een negerin. Niet dat hij racistisch is, dat was haar probleem, die vette Nigeriaanse. Pletwals in zijn bed, of ik dat kan zwijgen. Hij schaatst elke avond op zijn laptop uit de Aldi, vijfhonderd euro afgeprijsd, de piepka-nalen inbegrepen, zijn systeem, verklaart hij stil. Dat mag niemand weten, hij tapt gratis af. Hij wil me zijn connecties graag bekennen. Zes madam-men voor zijn camera, hij schaamt zich, of toch niet. Is eenzaamheid een schande, briest hij plots. Vat het niet persoonlijk op, Omar jongen. Hij houdt me voor een blanke Turk. Ik lach uitbundig om dit gulle compliment. Karel is de kwaadste niet. Wel afgrijselijk lelijk. Iedereen zijn gebreken. Ik heb er twee, gemakkelijk te vergeten. Ik beantwoord geen berichten meer, dat is één. Wie me aanschrijft, die verblijdt mij. Maar ik vind geen wederwoorden, spijtig, dat doet zeer. Ik gedij de dingen in mijn binnenste, verzwijg een pad langs steile wanden, val in dalen zonder taal of teken.
Ook voor jou, Elise, wie was het die de ander grief-de, antwoorden ontsierde? Je kerfde door mijn wer-vels, elke zenuw een blessure. Dat dit heeft mogen duren, luister Karel, dat is mijn verhaal. Ook Eefje beefde, zij was afgemaild, verweesd, maar niet verwezen. Hoe kon ik haar brutaal geluk bevatten, ze was verrukkelijk van angst getekend voor het leven. En ik ben een schrikkelman, mijn tweede hindernis. Ik ontloop de hordes, maak een boog om vers verdriet. Maal dan maanden verder. Ik verteer geen kankers, Karel, zeker de malsgeaarde niet. Zelfs geen dames met de sappen van sinaasappels, ik lust hun volle vruchten nuchter niet. Omdat ik geen durver ben, een vluchter eerder, dat volstaat om laf te overleven. Afgepikkeld kom ik door de zomer, pieker nog wat zon voor ieder. Ik geraak een statie voort, bijna ben ik Afrikaans en Omar. Karel krijgt nog groot gelijk. Het spijt me allemaal.

22:01 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: eefje, elise, raveel |  Facebook |