16-10-07

herfst verandert hard van hartenzeer

Dit was de laatste zonnendag, verklaart ze mij. Een openbaring, geen mirakel. Ik zag de stralen in haar blouse, ze botsten op haar hart en ketsten vol ge-nade in mijn ogen terug. Verblinding ongewild, ik tastte naar mijn adem. Ik begon me af te vragen: waarom ik zo laf met haar wou praten? Zij was een aarzeling. Niet van deze aarde. Hemelstelsel in haar weke rechterklep gestrand, een scherf had aders afgeketst. Organen aangeraakt, vitaal. Fataal een oorlog ingezet, intern de boel in vuur en vlam ge-stuurd. Raket in bed ontploft en rakelings nog een kop onthoofd. Dat komt er van, of niet indien de minnaar zijn manieren kent. Een man verknalt al gauw een gave vrouw, geen knieval die zijn liezen siert. De opgehitste hartendieven fucken madelie-ven. En vernielen boterbloemen met hun blote bil-len. Het tapijt van gras ligt plat, geplet in zak en as. Moeras van mannen, seksambras. Epistel zon-der evangelie, streling achteraf bleef grappig ach-terwege, miste tederheid. Geen plak genegenheid. De algebra, de alfa en de omega van elke omme-gang in liefdesland. Wat griefde haar? Niet ik of mijn versieringslied. Misschien de ongeliefde die mislukte in zijn wiskunde, haar had opgeteld bij al zijn overschotten. Deling na vergeten komma. Af-getrokken sap van axioma’s. Cijfers als bewijs van gans zijn ongelijk. Zij rekent mij procenten uit, een teken dat haar vent is afgeteld.

Ik leg de witte herfst het zwijgen op, ik schenk haar wijn van groot begrip. Dit is een middagtrip, een kortverhaal, geen werkmoraal. Ik ben een op-gefokte zaag, vraag ongenadig naar haar staat, haar lichaamstaal. Ik pak de bladeren bij hun ner-ven, regel schaduw op de ballustrade. Ik betrap, ontwijk gelijk de eerste traan. Ik ben een huiche-laar en ver van huis, ervaring zat. Dit meisje komt me niet vertellen wat ik niet voorspellen kon. De kwel en kommer. Builen met een bluts, de motor wordt verputst, de brommer sputtert. Ingerukt.

Verdomme, jong, vervloek ik inclusief mezelf. Ze is bedroefd, beproefd. Zie wat ge met uw woorden doet. En hoe ge toten trekt, ge gaat goedkoper op uw bek. Ze kijkt naar mij, haar harlekijn. Ik waan me mannequin, wat zal het zijn? Venijn als nage-recht of mosselen met azijn? Vergeef me meisje: ik ben zoveel kleiner dan je denkt. Ik ben een nulliteit. Een snul die rokken oprolt in de zomer, maar het najaar nalaat af te dekken. Ik ben een lul die vlug vertrekt, vertelt van terugkeer in de winter. Inkeer is mij vreemd als zwarte sneeuw. Ik smelt terwijl ik geeuw.

21:31 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boterbloemen, hartendieven, madelieven |  Facebook |