31-05-07

parabel van vertaling met veel zin

Iedere ochtend verkent hij een afgesloten wereld, de blanke straten zonder naam, de toegedekte stoepen met een laken of een doek, een deken voor de regen op de stenen, alle zwarte randen van de stad. Een wankel stapje, sukkeldrafje, kantje boordje. Hij raakt rakelings langs verstarde gevels, hapert achterover, bangelijk hangend. Schots en scheef botst hij op plotse borden, om-zeilt geen muur of zuil. Schuifelen wordt het soms, haaks en dwars op kruispunten, naast het sluip-verkeer.
Niet huilen, flink zijn in zichzelf. Hij prevelt luid, de-vote ogen, stille blik. Zij stok tikt wit vooruit, hij wipt en knikt zijn passen af, voorzichtig op zijn blinde weg. De fragiele man grimast, hij lacht eens, zonder enig zicht op ons, alsof hij bidt. Opdat wij tot hem zouden zien. Doen wij niet. Geen durven aan. Wij staan te kijk. Te staren in onszelf.


Dan komt Karina uit het oosten opgewandeld, blonde stoot en borsten veel te groot voor jonge jaren in dit leven. Haren losjes in de wind, op tocht naar het nabijste eindstation. Gezwinde meisjes-mond, een kont om mannen stevig weg te kante-len. Zweven is het wat haar lichaam doet. En ge-ven uit haar weelderig gemoed, haar décolleté van overvloed. Zij zwaait naar niemand, zwiert de me-nigte door twee. Een zee van morgenmensen wordt gespleten. Wie niet wijken wil, bezwijkt. Zij kijkt uit ogen hard van mededogen.
Voor die enige, de haast verblinde vlek in haar be-staan. Op steeds dezelfde plek ontdekken zij me-kaar, houdt hij verrast haar armen met zijn handen vast. Begrijp het maar, geen begin of einde is er aan: aan prille spraakverwarring, irreële onver-staanbaarheid. Hij tatert koeterwaals met haar, vanuit zijn donkere onmondigheid. Zij radbraakt heruitgevonden Vlaams, geeneens verkaveld. Spreekt en breekt hem open met de woorden die ze uit haar boezem perst, zijn hoofd ligt mals. De trein trekt als een pletwals over elke weerstand. Pende-laars verbijten zich in tweede klas, ersatz voor de bedelaars. Coupé apart wordt ingelegd voor ware ogen, kijkers met een hart. Ik zie de rijdende ravage na, oogverblindend schoon spectakel.

 

Zij ontdubbelen zich van tekst, ontdoen zich van een zoen, rollen door hun drukke ondertitels. Dollen ongeremd als verse communicanten, in de trance van hun conversatie, zonder taalcomplexen, hun reflexen blijken averechts. Zij praten zich in rechte banen, sporen op sensoren van verliefde tegen-tonen. Horen doen wij niks, wij zijn de doven en de stommen, geen begrip is ons gegund. Wij laten alles toe, wij zijn de oud belegen buitenwereld, onze nieuwe dag is moe. Beproefd gevoel, wij worden buitensporig. Onze pose is tweetalig, dubbelzinnig. Een beter soort onnozelaar. En niet te troosten. Een decor met mistgordijn. Karina streelt zijn nevel met de tepeltekens van haar ziel, gevuld geluk, on-deelbaar ogenblik. Ik ben een blinde die kan zien. Helaas.

19:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: parabel, blinde, blonde |  Facebook |