13-10-07

de avond spat plots solo van de tafel

Ik had wat slappe waren in mijn Spar-tas meege-bracht. Volk verwachtte ik vanavond niet. Daarom kon dat één glacé-gebak volstaan. Gelukkig waren ze per twee verpakt. Dubbele hebbes. Dat wordt lekker smikkelen. Als de bel per ongeluk afgaat, geef ik wel belet. Behalve als het Betty is die rin-kelt. Die kent mijn klein gebreken. Maar ze zal niet bellen. Betty doet het liever met dossiers de laat-ste tijd. Ze ligt van halveracht te spartelen in haar slaapbureel, ze plakt aan actes en verwante tek-sten. Ze citeert verdicten en vertikt haar huwelijk-se plichten. Met plezier, verklaart ze mij. Onzedig aangebrand klinkt anders. Enfin, dat is haar eigen ding. Zoals met die dildo van papier. Sorry, dat is een sterk verhaal van op mijn werk. Een story van de girls on friday. Dat beschrijf ik blozend in een volgend item. Ik kan het zelf nog niet geloven. Hoe was zoiets mogelijk?

Ander onderwerp, maar eigenlijk van hetzelfde avondlijk gebrek. Gerda is op verwendag met Fran-sien, het weelderig machien van lang geleden. De leden laten strelen. Ergens tegen Edegem of was het eerder Ekeren? Ik mocht niet mee, ik had geen onderlinge overeenkomst. Ze hebben liever dat een dolle bodyman masseert, een bruine beer met spie-ren op zijn eelt, bermuda om zijn reet. Wat maal ik om een jongen die hun lichaam mag soigneren, ik verkies hun ziel. Daarna neem ik de benen en nog sneller al de rest. Grapje Gerda. Ik zit hier moeder-ziel alleen. Ik kweel en doe precies alsof ik ween. Ik sprokkel en ik tokkel door.

En denk aan Doloroosje. In het donkersombere Vil-voorde. Dat is een brug te ver, een dal te diep. Ze hangt vannacht ellendig over elke reling. In een afgrond van verdriet, ik zie haar ogen, maar ver-draag haar tranen niet. Ontwaar platonisch nattig-heid. De ramp komt onafwendbaar nader. Ik ben een navelstaarder, halve gare van haar werkomge-ving. Ornament, paradepaard. Nog laffer dan een ambtenaar. Ik ben de bandeloze held, een bendelid. Vertolk de aftocht van soldaten op een slagveld. Kolf gebroken, kopje onder golven, zwalpen zonder zwaard. De armen vol met woorden, maar een zachte moordenaar. Een doder in zijn hart en klo-ten, schone Doloroos. Het dondert in je borsten, alles klopt verdwaasd. Bewaar de warmte in je aders. Je verstand komt later klaar. Een man is graag genade, vaker nog verrader. Afgezaagd verhaal.

Ik vraag het aan Suzanne. Wij zijn tesamen klanten van de Spar. We zitten op een bank te lachen ach-teraf. Wat zij meemaakt met haar nonkel Frans. Allee seg, dat kan rap verkeren. Spreekt zij uit de dekens, deelt de lakens mee met mij. Gebenedijd is zij, gezegend is haar lijf. Ik stap weer opgetaterd voort. Zij blijft mij zeer genegen, maar geen spar-ring wijf om op te vrijen. Ook haar mankelieke leef-tijd zit niet mee. Zij kon mijn tante zijn. Een vrouw van kolkend bloed. Van blote boete na genoegen. Ik begroet haar hier, verlaat pikant mezelf en elke nieuwe liefde. Ik verlang ervaring op vertrouwde tast. Verman me plechtig, zet de tanden verder in houvast. Ik word een dagje stouter, trouwer met een dame.

13:14 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: suzanne, dolores, betty, fransien, gerda |  Facebook |

25-08-07

verstilde vrouwen oogsten in augustus

Zaterdagnamiddag. Deze stad plakt warm. De stra-ten dampen, zwalpen van augustushitte. Mensen zijn zo landerig, zo moe, verlangen naar verfrissing. En naar liefde, naar september. Augustus is te on-genadig, maand van geen erbarmen. Alleman ziet dit heden eenzaam (dat bedenk ik). Betty knikt, bevestigt elke vaststelling. Zeer minzaam groet ik haar. Ziedaar de fiets met Chrissy, die remt af, een minirok verstrakt. Dan komt het meiskemijn de bocht om. Gerda lacht. Wij overleggen. Wie is klaar voor wat, waar ligt het pad om op te stappen? Onze wegen splitsen, Chris en Betje gaan een kaartje leggen, in de handen klappen, tranen plengen, wijn verdrinken, knap zijn en bekoorlijk. Ik hoor hun kreetjes die de week bespreken. Alles zat weer tegen, mannen zijn een hoofd vol mokerslag, een hoop ellende. Gerda maakt een grapje, gaat parmantig zitten. Kruist de bruine benen, factor zeven, zonder fantaseren. Laarzen sluiten om haar kuiten. Kleedje van La Dolce, kapsel met een sexy klak. Ik kwak mij naast haar op de wolkenkrabber, ons balkon bereikt de hemel. Kijk, beneden dansen lang verlengde benen. Is dat die opgewonden éne: jong-olympische atlete? Gerda gokt en monkelt, ik speel pokerface. Wij hebben zicht op Caroline, zij loopt het drukke burenduo op het lijf. De boezems botsen, kopjes kussen, een drievuldigheid bepraat het ongeduld. Geen onverschillig ongeluk verdient hen. Wij bespieden en genieten, Gerda en haar ik-man, onderschrijver van de trage tijden. Grager had ik blije bloemen in de groep gesmeten, ik ontbeer een beetje lef. Of lief en leed, beweert mijn strak gelaarsde (rappend): raap restanten op, vergeet geen wonde dicht te smeren, striem de grieven plat. Ik streel haar adem, weet niet waar mijn handen zijn gebleven. Wij verspreken oud belegen maanden naar de vaantjes, lopen door naar Betje, Chrissy en Caro. Illusioneren wat. Ideeën associë-ren hete vrede. Wij verzamelen ons en onze dran-ken, stichten een terras. Wij lichten glazen op en praten vranke taal, de zomer schaamt zich nog. Caro gaat liggen in het gras, zij plukt de blaadjes, steelt geen planten. Gerda is het tafereel genegen, giet de wijn in blanke handen, Chris en Betje likken zich de vingers. Ik verdwijn, het aanschijn van een zwerver die de breekbaarheid afschrikt. En toch gelukkig is, gebreken deren niet. Het onbelang lost op. Zodat de zomer en de oogst en schone ogen samenkomen in de lommer. Vrouwen houden van.

 

09:50 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: betty, caroline, chris, gerda |  Facebook |

19-05-07

Betty zwierig op muziekklavier gezet

Eerst zag ik haar met witte laarzen die later hele-maal niet wit bleken. Bleek een fata morgana. Daar lacht zij uitbundig om. Levenslust, misschien heeft zij me liggen. Hola meiske, wat peinst gij wel van mij? We grappen in een taaltje dat geen stedeling verstaat, ons oudersidioom. Een dialect van inlan-ders. Ik bedoel het vol verzoening. Daar is zij het over eens. Zij herschikt haar kapsel, weerbarstig in de wind, we staan verlegen op de tocht. Weet ge nog van Willem, herinnert ze me aan de nacht-merrie. Weet ik niks meer van, ik meen het met mijn heel geweten, ik ben een zelfverklaarde zelfreiniger. Uitgekookte properman. Willem verdween met trage bochten uit haar leven, zoveel jaar en meer ellen-digheid geleden. Had ik Willem kunnen bekeren niettemin, willen weren van de lusten en de lasten van de kater? Plaats het vragend teken in een ander kader, verklaar ik Betty. Zij kijkt me aan, ik lees het hard verwijt, de spijt knalt uit haar zwarte ogen. Ik ben niet goed in mededogen, geen troos-ter van beroep, geen koster of pastoor. We toos-ten, droge witte wijn op cola zero. Wees voor-zichtig, schoonheid, mijmer ik, drink met mate met mij mee. Aan haar handen blinken ringen van ver-driet, van Willem weet ge nog. Hij werd afgelost door Walter, wulps met haar naar Brussel, swingen in de clubs. Kwam Anthony uit Afrika, atletisch donker, zwaar geschapen in de ledematen, haast twee meter hartstocht, acrobatisch in zijn passie. Zonder schroom smeet hij zich neer op haar ma-tras, geen spat ambras bracht zijn handel en zijn wandel in haar woonst teweeg. Windstil werd het, out of Africa, into folk, de knusheid flirte met de kuisheid. Geen geruis meer in de struiken. Hoe kon ik vernemen, blitse Betty, dat wij sinds barre tijden naaste buren waren, zeg nu zelf, gij rijper meisje. Geen flits kon ik ontwaren, je balkon hing nochtans op mijn hoogte, ik hield je voor een schim, de vlam van mister negerminnaar. Je hebt gemokt, gezwe-gen, zelfs geen vingerknip, geen teken van her-kenning doorgegeven. En zeggen dat onze wegen blij bekend van herkomst waren. Onvoorspelbaar is dit leven, deze triest verdachte aangelegenheid. Ik heb mijn nieuwe evenwicht, de vroegere genegen-heid. Veel soorten troost van pessimisme, het had zoveel erger kunnen zijn. Met dank aan alle over-leden dichters.

 

Beste Betty, ween niet meer, verspil aan niemand dit verdriet. Laat het duister en de stilte aan je uitgestorven loverboy. Verlaat je diepe dalen, stort geen dronken tranen in je afgrond. Dans weer met die witte laarzen, ze bestaan reëel. Je bent con-creet in beeld gekomen, dromen zijn verschoning. Pak elk gemist geschenk voor werkelijkheid aan. Reïncarneer in dit verdiende leven. Geef, ja beef, frivoliter van ziel. Versier een wissel op de liefde. Wiebel op die hoge benen, streel je roodgelakte tenen. Kleertjes en meneertjes, maniertjes op de kier. Kies je kansen en je wensen, Betty, neem je weelde van mij aan. Onze vriendschap kent geen grenzen, slechts die éne.

21:20 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: betty, balkon, grenzen |  Facebook |