01-07-07

vriendenbriefje aan Bettina, zonder grief

Beste Bettina, ik heb wel eens op je teentjes getrapt, zeker de laatste dagen. ’s Nachts gaf ik niet thuis, ik trok het laken naar me toe, het deken over mijn kop. Je kent dat hoofd van mij, het bonkt net zo hard als dat van jou. De zachtheid van mijn vrouw is niet van onze wereld. Wij zijn beukers, niet verlegen om een lange leugen. Wij willen alles en nog meer, pakken gulzig, ongeduldig, hier en nu meteen. Onze grote goesting in teveel houdt ons moeilijk op de been. Met builen en met blutsen, we vallen ons blessures tot we blut zijn. Tot ik, zodus doende, tegen je schenen stampte, nadat jij me een hakje had gezet, haaks op mijn onverwachte flanken. Als ik implodeer, dan ben ik wreed en vrank, dan staat de wrevel stijf van nijdig-heid in mijn lijf. Dan smeer ik woorden zonder boter aan de galg, dan serveer ik gal. En leg ik regels van doorregend leed op ieders lever, het weze de liefste lezer, ieder wezen dat mij streelt. Of striemt, je kiest me maar, naar believen en genegenheid. Maar wees eerlijk, spreek Bettina.


Vertel jezelf de waarheid van je schone schijn, het scherm voor hartenpijn. Ik zie je pezen openliggen, niet genezen. Ik kan je verder niet bewegen, ga je gangen. Jaag jezelf niet langer op de klaagzang. Veeg de rommel uit je leven, haal de schimmel weg, de rimmel niet vergeten. Een remedie tegen rimpels. Pimpelen laat je beter, ook dat weet je. Dat ik een zaag ben, denk je, dat vergeef ik je. Maar ik ver-geet niet dat je vijftien jaren lente was en nu in volle zomer staat. Bewaar die vijftien over volle lengte van je dagen, je bent mentaal een meisje dat de herfst en winter halen moet, waarna weer lente komt. Ik zever niet, ik ken de tekens van wat ouder heet, dat staat voor zeventien. Je weet waar wij verwijlden, dat wij toen twijfelden, te-recht, jij ging je weg. Ik viel in andere armen, kwam de warmte van een zuiver zuiden op het spoor. Kroop in een hete huid. Werd verder opgewonden, doorverzonden uit jouw leven. En jij botste, hotste door de hitte, flirte met een witte, dan een donker-blanke, alles kon. En klonk een stonde slechts. Van het liefdesledikant naar scheiding van de sponde. Jij lag vaak gewond, lachte opgemonterd vlug, zat terug in zak en as. Ambras werd afgewisseld met sjartellen van Chanel, een Armani-jas, een blitse tas van krokodilletranen. Wat was je leven duur, geen uren zonder Gucci of Delvaux, ze brachten glitter en cadeau’s met gouden strikken. Valstrik-ken, dat wist je.

Wat moet een prille puber met die weelde in het lijf, je kronkelde van dag tot dag nog ongezonder. Jong verwonderd blijven werd een hels bedrijf. Je  rebe-leerde. Omdat je van jezelf vervreemde. Nu zwalp je soms, je spartelt. Tastend naar een luchtbel hap je restjes adem. Rustig maar Bettina, beef niet meer. Beleef je leven op het droge, leer bestaan op vaste voet. Ga verder en verwijder je demonen. Maak je dromen waar. Je kent je eigen aard. Beloof je beste beterschap, de plotse boodschap van ver-schoonde soberte, je bent het waard. Voor altijd vijftien, fijn besnaard, geen tierlantijnen meer. Ik ben jaren ouder, te weten zeker twee. Tevree en levenslang getrouwd, steeds zeventien. Lees dit puur epistel, jouw natuur heb ik geregeld. Je zult snel zien: je intieme zelf kruipt hier vernieuwd naar buiten. Ik zegen je bij deze, zonder kwispel, maar dat wist je reeds. Een grap zit zelden in de staart, is dikwijls veel gelaagd. Nog vragen, vriendinlief?


20:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bettina, demonen, soberte |  Facebook |