30-12-07

wie de bel luidt met geweld, die huilt

Om vier uur werd ik uit mijn bed gebeld. Een scherpe ochtend in de late nacht. Een eenzaam hart was stie-pelzat of had weer aan wat poeders met een pil ge-zeten. Ik verschoof en snoof de slaap weg door mijn vage kop. Ik had dat drukkend mens bijna de aan-dacht afgerukt, een huid voluit malheur gescholden. Klop erop, ik plet haar doordringvingers op de inkom-deur. Een slopersdreun die vanuit de hall omhoog ge-spoten kwam. Ik pakte hard de parlofoon en smakte al een antwoord op een vraag die lager in etages zat.

Het was Madame von Porsche in kerstpakket. Haar verrassingslichaam was het aanbod voor mijn pyama. Een dwaasheid want ik draag geen nachtkleed op de maat van mietjesminnaars in debiele cinema’s. Wat weet zij veel met haar theater en haar aanverwante tralala. Haar stem klonk lalbestendig, steeds een da-me in de marge, overdag een mooie feeks, bij nacht een ordinaire del. Zij wou mij onderhouden, haar Armani-jeans ontvouwen en een gooi doen naar de nukken van geluk. Zich bloot ontplooien in de slip-stream, zonder strik of string. Een Gucci-bril ver-schikken bij het navertellen van de jeuk aan haar sjartellen. Einde van voorspelling. Wou ze neuken, leuk voor haar. Ik schrik van niets of niemand meer, een vrouw kan aan mijn lakens raken, maar ik blijf mijn klamme dekens trouw. Er was geen houden aan de nachtbel en de lachebek. Haar bekken rekte zich, haar blikken zaten in de lift. Een schel gejengel van een jingle die bestemming mist. Ik klopte driemaal af, zij beukte door. Mijn deur begaf geen kier. Ik gaf geen zier om haar, ik werd niet opgefokt. Ik vloekte fuck you godverdoeme, zatte upper-trut, gij totenbel.

Wat een dronken deerne smeken kan. Haar man lag ver van huis in bed, hij snurkte als een lul. Ik was een thuisverpleger buiten dienst, een oudgediende in de liefde. Ik liet (zoiets als) erotiek zijn gangen gaan op straat. Daar stond zij even later na te snikken (zag ik als een hoge dief op mijn balkon). Haar fonkelborsten schokten in haar kerstjas en haar schoenen stampten chique een tegel uit de stoep. Zonde van dat lijf dat om genoegen vroeg. De zwoelte had genoeg fatsoen.

Ik ben geen gigolo, de klad zit in de job, mijn kop is jaren stuk, failliet van lang verdriet. Zo heb ik toch iets bijgeleerd, ik ben de slimste van de passieklas. Ik red me praktisch wel. Ambras weegt zoveel zwaarder dan een opgevogeld zwaard: dat ik heden uit de schede van de dame met de lange tenen laat. Haar wagen was verlegen voor haar onbereden lichaam dat kwam neergezegen. De Porsche gaf geen gensters, vonkte niet, hij stonk naar langzaam gas. Hij protesteerde tegen plotse kilte, bood zijn weerstand tegen al wat vast gevroren was. De motor leek acuut gebroken. Aan het stuur twee handen vol met opgeklopte dia-manten, stenen van de leegte die de nacht inreden.

Wist ik beter, veelvraat van gedeeld verleden. Ach, ik mag haar ondanks alles wel. Ze is een duurzaam sterfgeval. Een afgestane erfenis. Ellendig duur. Ze richt ravages aan, ze is een bende op zichzelf, een rotverwende die zich tot mij keert. Ik wend mij sneller af, ik wentel verder, want wie ben ik anders dan een sneeuwman die geen smeltpunt kent. Ik word zoveel vetter in mijn winterpels. Nog eeuwen stil tevree te gaan. Wat sneu voor haar, ik adem opgelucht. Zo lui en laf, huilt zij. Adieu gedaan, gelukkig jaar Aimée.

19:33 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: porsche, aimee, armani, gucci |  Facebook |

28-01-07

aimabel met Aimée

Ze spreekt alsof ze haar gedachten onderbreekt, ze hapert en ze stamelt soms. Ze denkt afwezig in een context weg van ons. We zitten samen aan een tafel. Wij dat zijn twee handenvol collega’s op een vrijdagavond. Verzameld om te tateren, de werkweek uit ons hoofd te praten.
Ik zit braaf veroordeeld tegenover haar. Ze zwaait me zwartgelokte ademtochten toe, geen spatje taal. Ze zucht soms, lacht inwendig, tekent lucht-patronen. Streelt met grote ogen stiltes door het bistro. Knippert stroken licht van het plafond. Gedichten schrijven bij deze gelegenheid, in haar aanwezigheid. Ik overweeg en overleg, vind geen uitweg voor mezelf.

 

Ik zie ze kijken, ze staart de leegte uit het raam.
Ik trek haar aandacht zonder woorden, gimlach wat, een knipoog, een grimas. Ze lacht verlegen, zegt hallo, ik ben nu éénmaal zo. Dat ze altijd peinst en piekert, mijmert, wikt en weegt, zich overdenkt. Steeds dezelfde vragen stelt, zomaar aan het leven en zichzelf.
Ik moet haar pardonneren. Doe ik ook meteen. Geen moeite is te veel. Een klein verbond van woorden uit verband. Ik kan verzwijgen van de pijn.

 

Ze is een grensgeval. Ze komt uit het oosten aan-gespoord. Haar woonst ligt op wankelpoten in het dietsche driekantland. Als ze traag vertelt, dan zingt ze iets. Ik mag haar wel, ze is een kameraad-madam. Ze is verstandig en verliefd. Ze heeft een vriend gehad, vijf korte jaren lang, een droge stoppel, uit gewenning en verveling. Ik noteer slechts wat ze zegt. Plots komt ze in de stemming. Geraakt ze aan mijn overkant. Die vrijer was een slome, slim maar langzaam. Een paradeerpaard, adonis statig af-en-aan. Met gedraaf, gemekker en geblaat, het einde in een draf. Geen traan gelaten, blikken op oneindig. Kwam dan de witte motorridder aan. Een bliksem trof haar landlijfschap, haar fijn karkas. Maar echte ridders doen slechts zelden (niet voor haar) het harnas af. Dat bekent ze.

 

Houden van de stoer gehelmde, de verre onver-wende hem, dat doet ze verder. En verdromen: zonder kommer achter op een brommer. Wat niet is kan komen. Ze weert sindsdien het aanbod af van iedere minnaarman. Ze flirt zich stil wat op, of dat niet kan, niet mag. Onder haars gelijken, met hen die hier en ginder onze tijd verstrijken, is zij seks-begeerd, oneerbaar opgeprooid, een lustbeminde hinde, mooist begeilde. Maar zij vliegt op eigen vleugels, veilig in haar egokooi. Sleutel op het hart, de hartstocht afgesloten. Meestal mondje dicht, de ziel verzegeld zoals lippen.

Het feestje was na uren afgekletst, veel praatjes voor een uitgemaakte zaak. Wij kropen recht van onze tafelplek. De kakelhaantjes kraaiden naar de jongste kip. Een flitsidee van snelste zonde, met frivool gewicht op dronken trip. Ik heb mijn vleugels breed gespreid, ik werd een blonde ridder.
Ik heb het meisje langs de straten uitgeleid, op een laatste huiswaartstrein gezet. Aimabel zijn en kuis tevree, dat verdient de ware liefde van Aimée. Zij zweeg hier met mij mee.
 

14:42 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: aimee, aimabel, grensgeval |  Facebook |