30-01-08

lucky black and white in fuck and fight

Ze had hem gisteren hard geslagen. Doorgebeten en gekrabd. Ook nog gestampt, vraag ik. Hij knikt be-dachtzaam van benaderend (euh) jawel. Zijn brave kop is opgezwollen, open wonden aan zijn handen. Wat een krolse kat vermaken kan. Ik sta met klap-gebaren naast hem, molenwiek. Dit is voor één keer niet de opgefokte schuld van politiekers. Noch van extreem-rechts of extra-arm der wet. Geen chef-champetter of parket werd ingelicht. Zijn donker vel werd niet gered. Ik klop hem (zachtjes) op de borst, zijn hart gaat goedig bonken. Stoten adem volgen opgeblonken tranen. Zwart zijn is geen zever in het land van blank verloren maagden. Zoals zijn vader (zaliger) Prince Ach-bwah voorspelde in het verre Ghana. Hij, de kleine achterprins, gesetteld in het Hageland (hun fruit, hun wijn, zijn wijf) kreeg onmin, daarna bonje met zijn dame. Een pandoering op de Grote Markt van Tobbackstad. Ik stond er in de aan-vang bij, maar dacht al rap: dit zijn mijn zaken niet. Mijn schaapjes heb ik op het droge in mijn achterzak gestoken, geld en telefoon, een nummer dat ik terug mag bellen, maar niet geldig voor geweld en averij.

Het zij zo. Hij kreeg motten van zijn zotte trien. Ze had weer goed gepimpeld en de vlinders in haar drift de vrije loop gegeven. Nog gesmoord en als de dood voor tegenspraak. Wat doet een neger daaraan? Twisten samenvegen, witras verder slepen bij het dwarsgekamde haar. Hij kreeg als dank veel beten en meer schoppen op zijn schenen. En een tekst met tering, zeker weten. Hij heeft die nacht geen bil of been van haar bezeten. Daags voordien nog zeven keer. Dat bralde zij doorheen het dans-café. Twee blonde grieten (lady's!), vrouwen vol onvolks gerief, bekeken ons verlegen. Komt dat heden ergens tegen. Ik heb alles weggelachen, achtergronden doodge-zwegen, ons geëxcuseerd voor expliciete seks bij eerste kennismaking. Aangenaam, mijn naam is buur-man van de tatertante die een zwarte prins versierde. Hem met zwier haast vierendeelde, dwaas haar zatte haat (?) botvierde. Op zijn botten snokte. Snikte dat hij stikken kon. En niks dan nikker met een repete-rend pikkie was. De achterklap uit bed gelald. Hij krabde aangeslagen in zijn kroeskop, pakte haar en plakken bloed. Hij likte al zijn vingers af. Wat simpel dat een woord de soorten wit in zwart verminkt.
 

We zijn een etmaal later, zij heeft friet gebakken. Hij ligt pijnlijk lang en lui met heel zijn blutsenlijf op haar fauteuil. Ik ruik het stoofvlees. Iets ontdooit... een dooier voor de mayonnaise. Hij maakt een grap :-). Wij lachen ons een barst. Hij vraagt mij welke dag het is. Ik zeg hem werkendag. Hij gaapt en rekt zich. Kirt eens, tast naar zijn klabas. Hij pakt een vuile ther-mos, speelt hem door naar haar, langs mij. Ik ben hun doorgeefluik. Zij spoelt de restjes uit. De drab rolt van de trap, dat is een Afrikaanse metafoor. Ik krijg een gele puntzak vol geluk. Nog aan de hete kant. Ik blaas wat af en draai me zedig etend om. Erg lekker en ook vettig zonder plekken. Hij ontvangt zijn plunje en haar glunders. Kleedt zich voor het ganse eten uit. Ik demareer, want eer de staafjes koud zijn, is zij gul-zig opgenaaid. Het zwart spuit witte draad in haar.

15:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: fuck, fight, black, white, prince |  Facebook |

26-01-08

het paard parkeert zijn laatste fiets

Een cowboy is verzopen in zijn kamer. Naast zijn pillendoos. Hij zocht zijn zonnebril. Het leven scheen te hevig door het raam. Hij kon niet slapen, nooit meer slapen naast zijn film en faam. Zijn vrienden zochten zijn vriendin. Een witte schaduw kwam te laat, hij was al schim. De hitte was te hard voor zijn bestaan. Zijn naam verbrandde zich de vingers. Hete handen in zijn haar. Heath Ledger is legende reeds. De dood kwam op zijn paard geklommen, schopte na en schokte hem. Een smak op aarde. En voorgoed gedaan. De waan werd waas. De mist beschikte over man en roes. Hij was de nacht nog naakt en moedig ingegaan. Gedachten aan zijn sister Sue en daddy Dick, you name it. Who the fuck was mom, hij praatte in zijn slaap die niet meer slapen kon. Een jongen dooldde rond, zijn ster lag motherfuckend op de zatte grond. Een bodem pillen, stoned. De nacht stond stil. De maan hing in de luster van Kentucky aan het laag plafond. Hij dronk wat water. (Heath was nooit een slokop). Godverdomme wat een bende, niks dan ma-juscule smurrie, chemisch spul dat giftig stonk. Een pil die zelf een pil inslikt, die verder genereert tot nog een pil, een wentelmolen in het venster van een hoofd dat gensters denkt, dat slingert tot de hinder nog een zuchtje wind geworden is. De lucht die ledig blinkt. Iets rinkelt in de winkel van de naaste farma-cie, een specimen begeeft. Een mens is slechts ma-terie die weerstreeft. Of brother Ledger ook Tom Boonen heeft gekend, het is een hypothese. Niks lachwekkend aan. Een link naar opgang in het zadel van een iron horse. Een veloman op cocaïne, zegt de veelbesproken pers tot elke klepperpet die in de straat te kletsen en te gapen staat. Het is de over-daad die schaadt, de mediatieke ziekte van de mid-delmaat. Met koren in de oren van hun kop, de coke versmoort onnozelaars. Heath Ledger was vedette en Tom Boonen scoort een strook ellende. Prettig voor de mensen die graag mensen zijn. Gewoon doen is geen gekte, maar gebrek aan empathie van gans hun hersenstelsel. Sterven is de glans op groot talent.

Heath Ledger had zijn lijf ontbloot, zijn ziel lag blank op bed, zijn ogen braken traag de laatste pil. Tom Boonen haalt zijn schouders op, hij wint zijn wedstrijd tegen volk en vee. Hij zweeft tevreden op zijn velo, demareert de wereld uit zijn wiel. Hij neemt de ziel van mister Heath mee op zijn stuur. Een duo glamour met een gouden buis, een kruis op elke knie, een billenwip, een dronken sprint. Een pil lost op in coke.  

Kom jongens, rol maar, dit bestaan is brol. Banaal als de banaan die opsteekt in de onderbroek van een komiek: Urbanus is de held van rechts geweld, de glitterboys (niet Kris en Koentje) dragen ballen en hun fallus links. Een fiere sliert die opspringt, die zich in de afzink niet bedenkt. Ze zwenken tot de finish klinkt.

Applaus voor alle doden die hun paard parkeerden op het schoon verhoog. En in hun slipstream nog een ode aan de schaars getelde zonen, elke vent die wordt gekrenkt.

21:37 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tom boonen, heath ledger, coke, pillendoos |  Facebook |

22-01-08

zij behaagt een jongen, raakt een man

Ik laat het weer begaan. Wat geeft het dat het klet-tert dat het regent, zij is bij hem. Vice-versa is hij er-gens vaag in haar aanwezig. Ik heb het raden naar verhalen van een date. Ze spraken af omstreeks half negen. Bij haar thuis, gezellig. Hun verwendag bij de haard, de vonken geven gensters. Hij gebaart, mas-seert en streelt. Hij steelt haar met zijn jongensogen, al haar lippen wijken vol, zij valt voor hem. Om niet te spreken dat zij aan mij denkt. Zij laat mij deze avond teleregistreren. Inbegrepen al de buitenlucht, het afstandsweer, de opgeblazen wind, de afgedropen regen. Niks dan nattigheid, de narigheid voor mij. En toch. De film van wat zich afspeelt. Al hun tederheid. Verlegen handen en geen enkel leeg gebaar ontbloot. Hij is een minnaar met het hoofd vol vlinderzorgen. Hij komt neergestreken op de honing van haar lichaam. Hij loopt pas ontloken, aarzelt dartel, jong volwassen, minzaam alles op de tast. Hij ademt niet of nauwelijks als hij gans de vrouw raakt in haar vezels. Ik ervaar het wezen van haar ziel, de stapelvaart plezier voor haar. Ik tel hun lichtminuten minitieus, ik wentel stille uren verder, geen seconde zonder glans, het dans-scenario dat rokt en rolt. Dat naakt aan zonde zoge-zegd. De macht van mijn fantasme ondertitelt. Ik ver-zin het script met ronding tot de krolse volzin die haar optilt, haar omringt met vingers van een detective die het slot doet smelten, wondes detecteert. Ik ben een definitie van de liefde, een spion die in zijn hart de diefstal tolereert. Wie geeft er anders om haar lot?

Hij kon de kleinzoon van haar nonkel zijn. Ik noem hem niet bij naam, hij is een tropisch lichaam in zijn zwoele opklim tot een man. Hij woelt in haar. Zij laat begaan, ik ben een buitenstaander, starend naar mijn navel, met de hare in gedachten. Het wordt nacht en hij blijft slapen. Ik sta dapper aan mijn raam, ik tel de sterren. Godverdekke, wat een aantal, ik word gek van al dat pinken, ik krijg tranen van de vlekken die de hemel maakt. Er is geen kant of raakvlak aan de schepper van dit kladwerk, dit lijkt zatte kerstmis op de maan. Een lunatiek geval. Hij kan niet slapen, kust haar rug, zij zucht. Ze komen nader in elkaar. Hun bed haalt verse adem, ik hoor plots zijn naam, zij stamelt hem in alle talen. Hij wordt rustig, plukt de vrucht. Perfect, denk ik. Zo heb ik haar beschreven, leg ik me verloren neer. De eer is voor een winterdromer die de zomer honoreert. Zij moet zich niet generen. Zij mag doen met al haar lange ladybenen, liggen met haar opwipbillen. Wat voorspelbaar, heb ik steeds gezegd. Gefantaseerd, zegt zij. Geweldig is haar gladheid, el-ke opstoot van haar ranke lijf. Ik vertel de slanke jon-gen morgen het restant. Ik ben een man, een klein verstand. Ik zie haar graag, hij houdt van haar. Zij blijft bestaan in tussenstand. Tot ons fictief gerief.

18:47 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regen, sterren, weer, wind |  Facebook |

18-01-08

na de werkdag vangt haar vrijdag aan

Ze ligt met hem in bed misschien. Het is tenslotte vrij-dag. Deze avond is kletsnat. Het leven zit gezellig on-der dak. De nieuwe liefde wringt zich binnen. Wie de onderbroek niet past, die trekt het laken aan. Gezeg-des uit zijn zwarte mompelbek. Hij praat een heavy Afro-Vlaams, een taal met hete tong. Zijn longen pom-pen warme adem in haar nek. Hij is een troebel water uit de seksrimboe. Zijn manieren missen westers rit-me. Zij verwent hem daarom zomaar. Hij is zwaar ge-schapen in zijn hoofd, zijn woorden dansen op een koord die rekbaar is. Hij spant zijn tekst, hij perst de waarheid naar believen. Van gebed in evenaar: naar haar smalste straat gespeerd, het steegje dat soms om een sopje vraagt. Een vinger aan een knopje en wat schiet hij graag. Ik hoor weer hese kreten en ge-fluister kruipen langs de gevel, mijn balkon is onder-hevig aan hun multiculturele storm: een glas water rammelt op de grond. Het dampt nog zwaarder na.

Hij lult zich in de lift omhoog tot aan de lippen van haar living die het evenwicht verliest. Zij beeft, een greep, ze heeft hem bij zijn schoon gerief. Het groot genot verkent haar afdaalgrot met durex extra large. Zij bidt en smeekt alsof zij Jezus Christus in het zwart verkracht. Zij likt zich gretig aan de opfokhitte van de plakplastiek. Ze slikt gesmolten hosties. Hete melk kolkt uit de koker. Heer, laat deze kelk de bodem van haar mond verkennen. Morgen komt de honger weer en schenkt zij sap uit verse wondes. Leer mij haar niet verder kennen, ik geloof het wonder van haar lichaam als een jonge zondaar. Wat een bandeloze bende (zeg maar schare lezers). Schaars zijn uw ge-beden tot de hemel van ons averechts geweten. Wij jongleren op de heuvels van de heupen, geven vleu-gels aan de gleuven. Reutemeteut van klanken en van flanken die flamberen en flankeren. Wat een zat-te weelde om een randvrouw te waarderen in haar spel met zwarte beren. Haar citaat in rassentaal, een redenering die haar benen als een vranke mening openlegt. De honing voor de negers, aan hun degens rijgt zij gijl en stroop. Een boxerknoop springt los, een kroeskop zwoelt en ploegt zich door haar dal, zij zinkt steeds dieper. Climax voor de val. Madam van onbe-vlekte ziel, zij is een kind met sex-appeal. Haar moe-der is zichzelf nochtans vermist, haar vader was een witte Afrikaan, hij deed de mis bij haar geboorte. Zien en horen gingen aan haar lijf op school verloren. Zij had enkel sprieten om verdriet te lijden. Zogezegde pijn zoals zij steeds vermeden heeft. Zij werd een wetens-willens-wijf dat welig minnaars wekt. Met hels verlies in verre exotiek: haar hemel van gespeelde erotiek op deze kleine aarde. Blijheid zat in donkere billen, aanverwante kronkels in de dijen. Opgevrijde flower voor de intro van black power. Wat een vrouw.

23:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: durex, extra large, vrijdag, werkdag |  Facebook |

13-01-08

wuiven naar het huis dat thuis vertrekt

Zelden, nee nooit (zeg ik), zulke stomme zaterdag-avond ondergaan. De dood was neergestreken in de wereldstraat. Ik hield mijn panoramaraam gesloten, maar de weemoed waaide wintertranen binnen-waarts. Op windkracht melo forte. Wat een week gedoe, de werkelijkheid leek sterk op wreedheid, om een mens te breken met de wetten van ellende. @God almachtig, liggend in een wolkenpak: doe niet zo kinderachtig heer-weetal, laat ons dit negeren please. Ga door met scheppen man, je bent een vet-zak, wees rechtvaardig en rechtschapen, raak niet aan de kinderen. Ik verbind me tot geen knieval, maar wil knikken als een schaap dat graag geslacht wordt. Om de stal te redden van de ondergang, de stad te stillen in de sidderatie en de streek gelijk te geven in zijn strijd om nivellering. Niks van, want ik zeg maar wat. Ik wil behagen, raak me aarde, draag me door dit tranendal, ik tolereer voor één keer het gerold cliché. Ik wil nog wilder worden, zotter tot de volle vrede. En dan feesten geven, liefde is een prijsbeest.

Wat geweest is, is geweest. Het huis loopt leeg, een regel om te registreren. Geen vergissing, want we wisten alles reeds van gisteren. Toch zo triestig dat het miezert, kriebelt in de uitgewoonde ziel, een kamer zonder bed, het schoon behang hangt af, de kast heeft barsten in zijn bast. De taal parkeert zich in een spiegelbeeld, een metrum dat geen meter op-schiet, zelfs geen open spleet voorspelt, laat staan een spectrum wentelt, wiekt op perspectief. De tekst verwerkt dit niet. Zo simpel kan een afscheid niet te vatten zijn, een heenreis onvermijdbaar in te tikken, een vertrek te hopeloos verstoord met ander woor-den. Alles wringt, het is een gissen naar gemis. Het spoor loopt dood in ons, trekt verder leven in de verse liefde en zo zijn we terug beland bij hoop. Een kind is vader van de wens, wij zijn volwassen mensen quasi en aanvaarden. Zij wordt weer een meisje en een mama blijft ze kortgerokt. Ik heb geen ogen op mijn gat, mijn kop wil ook wat kijken. Waar is nog de tijd dat alles in verwekking was, er zat nog rek op ongekende seks en erotiek lag als een kronkellijf met warme dijen in ons bed. We stonden monter op met rock’n roll, het knakte als geroosterd brood. Oké, soms niet, so what. Vandaag is morgen het verleden, ik verkondig onbekommerd het vergeten en vergeven. Laat de zonen en de dochters, afgerond met twee, het weten van de vrede. Dat het geen cliché is, maar een zaak van goed geweten. En wij leefden zoveel langer opgevreeën met de open kansen van de jon-ge leegte. Een gezin beschikt, gewogen en gewikt. Wij schikken ons en schoppen alle remmen los, de stoppen vlammen door. Het tweede ja-woord aan me-neer pastoor. Och here, leid ons in bekoring, godver-dorie. Tijd voor wittebrood verstrooid op hemelbed.

11:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rock n roll, vrede, cliche, pastoor |  Facebook |

09-01-08

aan de borst gepramd van tante phara

Ik heb een blik gekocht voor dertig euro. Een on-schuldblik gedragen door een teddybeer. Voor de zorg om borsten en hun kankerfonds. Het huis van Strelli lokte mij, ik viel voor beertjesogen en zijn chi-que sjaal. Thérèse en Jacky boden mij hun lichaam aan met wisselgeld en handgebaren en au revoir Marlon. Daar dacht ik gisterenavond aan bij Phara op de sofa in het nieuwe VRT-decor. Hoe ze poezelig deed met Koen Clouseau. Ach die Dakar gaat niet door, wat erg voor Afrika. In Kenia gaan ze plat, Darfur ontbeert het brood van spelen met motoren. Een orkaan van dwaze stilte raast doorheen het con-tinent. 'Das eel erg' vond onze opgekamde Wauters, terwijl hij pinkte met een wenkbrauw, elke mondhoek optrok naar een camera-stand. Zoals afgesproken met Van Gils, het sportaanhangsel dat in alle talen zweeg. Het ging niet over sport, maar over aanhang bij het volk dat alles slikt. Maar zich verslikt in schoon-heid. Phara kreeg een krolse beurt en sneerde naar madonna Freya, zwijgend aan de zijlijn met twee frêle lintjes over blote schouders. Waar en hoe zij had ge-faald, vroeg Phara met gespeelde twinkel, linkheid zat er achter. Zij verzocht aan Freya om in haar boezem goed te zoeken en te voelen wat zich daar bevond. Geen borst gezond verstand, zag je onze tante vlam-men. Volle, domme prammen wou zij spijkeren, vlees dat voor begeerte staat, voor zonde en voor onzin in de politiek. Want Freya is begeerd van stijl, ze zweert bij elegantie en kan praten zonder watertanden: flink en slim ter zake, ongenaakbaar links en hip, ook be-mind ter rechterzijde bij de spleetjesliberalen. Dat kan Phara nergens plaatsen, zij is empathisch klein ge-schapen, als een havik ongenaakbaar op de media-hand gedragen. Heel haar halve borsten stonden weken in de boekskes, blonken in de glossy maga-zines. Wat een moeder lijden kan die pijnen etaleert. Welk een trauma dat die dame cultiveert. Dat kankert onderhuids, dat spuit haar gal en gif naar goede in-borst van de mensen die haar niet verwensen. Freya onderging en overklaste iedereen. De wereld zij ge-prezen voor de zwijgers. Zoals Staf Van Boeckel jaren deed als opa-pappie van Bart Peeters. In een repor-tage over leed en leven in Verloren Land: het heette Breendonk, daarna Buchenwald. Een folterkamer elke nacht, de dagen stokstijf in de cel, een dodenmars, een terugkeer met de tanden stukgebeten op de zweren en de gesels van de zwepen. Heel zijn vel met lichaam was geweld en hel, gekerfd met littekens. De pappie kneep zijn ogen dicht bij vrouw en kinder-onderhoud, hij heeft geen kick gegeven achteraf. Zijn geest hield aan zijn lippen stil, hij wou niet weten dat hij leed. Bart Peeters was een aangeslagen knaap, hij rapporteerde op tv geen medelijden, maar verbijste-ring om zoveel lijden annex zwijgen. Het was chique van pappie, wou hij kwijt. Het understatement van de eeuw in onze beeldcultuur. En om bescheiden van te leren: treurnis is een keuze, blijheid staat gelijk aan vrijheid. Staf Van Boeckel trok nog 52 keer op bede-vaart naar Lourdes. Een onvermoeide begeleider voor gehandicapten. Altijd goed gezind. Hij stak de handen uit de mouwen, maar die bleven sober afgerold. Zijn oude wonden deden nooit de ronde van zijn polsen naar de de pers. Noblesse en klasse, geen getetter.

20:39 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: held, staf van boeckel, weerstand |  Facebook |

06-01-08

sexual healing is helemaal marvin gaye

De dokter wou opereren. Niks daarvan, ik kan stop-pen van mijn eigen. Mijn hoofd opstoten en mijn borst ontbloten. Alle cinema overboord. Zonder snijmes of scalpel. Ik leg vanzelf dat laatste ei. Een kip wordt haan en tokt voortaan de vuilbak uit het raam. De woordenwas vliegt buiten. Veel gekakel en dan zo-maar amen. Zonder boe of ba en geen gedoe. Ik zet het dwaas gehakketak te kakken. Om te zeggen dat ik uitgetaterd ben, mijn mentale taal tot niets in staat, niet meer. Ogeblazen, lieveling. Dat fleemde ik aan de moordverpleegster van die dokter (Norbert, den Ber-re, zij heette ferm Gisèle (37), woont heden nog te-vreden in een loft op nummer negen, bus veertien komt er zo voorbij. Haar vader tokkelt in de lokale fanfare, tuba denk ik dat ze zei, ze monkelt wat. Ze dacht zoals haar pa (lachend), als hij opstapt met de Mannen van het Jaar 1948. Zot Andréke (53) draagt de vlag, schots en scheef, een klakske en een stomp-ke sigaret, voor één keer zonder afgewassen cow-boybroek en indianensloefen, in een namaakpak met veel geraamte aan zijn rimpelvel. De pinten heeft hij in gedachten, hij geneest zijn mankementen zonder intellectueel getrompeteer. Jongleert nog niet bedron-ken met zijn stok, marcheert voorop. Haar vader volgt op ritmepas, dat was facteur Arthur (60), een brug te vroeg op rust. Ik dwaal steeds af en associeer in vrije val mijn losgeslagen zinnen. Kus mijn klompen, kloten-boel. Een handicap klapt op mijn binnenklep, mijn hart geeft soms geen zier om pret, verzet zich en geneest in bed. Ik zinder van de wereld, onbemind mijn geest.

Zij komt haar afspraak na. Wij drinken koffie, slurpen geens van beide, durven niet. Ik veeg de randjes weg, de bruingelikte sporen op de witte tas, haar lippenstift mag blijven zitten. Spatje spuug lost op, ik blaas wat af, een vals orkest. Retteketet en klet mar-jet. Marvin Gaye zingt in zijn clip dat zij genezen kun-nen, in hun doorkijkschort met thermometer, hoge hakjes onder opstapbenen, seksueel geheeld en al (hebt ge hem?) Het is me wat, Gisèle, ik mag je toch vertellen dat ik de ziekte van een nonkel heb. Mijn kop staat zot en tobt. Ook als ik met een nagel aan mijn gat krab. Zij begrijpt dat, strakke kont en straf verstand. Ze speelt petanque met dokter Berre, na de uren, in het afgestofte zand van de geburen (nummer tien, geen loft, maar wel met schonen hof). Norbert (bijna 30) weet alles van de harten en passages. Hij pakt de laatste bus naar Brussel, hoe toevallig als hij naast een Rus zit, is dat lekker voor mijn rekmetriek. Ik ben geen grapjas, meer een grapjurk van het flurk-theater. Lurken maar, Gisèle. Het lukt ons zeker als wij doorgaan met gesprek, een therapie met koffie-bekers van gemorst karton. Mijn pa speelt bombardon in ons jargon. Ik ben een afgewezen apotheker en mijn (dode) broer was immoteker. Hypotheek op mijn geweten. Rekelmans, Gisèle, dat ben ik. Denk ik he-kel. Een rebel met zonder reden twee keer niks te melden, wat geweldig, toch een held in bed. Een kilo pillen velt me niet. Je redt me voor geen centimeter, engel van de oplap. Stoplap-praatjes. Ook je tiptop-tepels kunnen niets bewegen. Ik dacht het tegendeel te genereren, vanop je rug bekeken. Weer neem ik de benen, in gebreke (meent zij). Bidden helpt niet meer, ik mediteer een split en spat geveld (gevat?) in vlek-ken tekst. Een kwak met drab, een draakgedicht. Ik licht het deksel op en spring vanbinnen, zink en zing niet meer. Mijn bek gaat dicht. Vaarwel Gisèle, groet-jes uit de hel. (De brand kwam in het land daarna en duurde dagen, opgestapeld als de as van jaren. Tot de hemel plots gebaarde van genade. Ik genas etc.).

11:50 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sexual healing, marvin gaye, midnight love, 1982 |  Facebook |

02-01-08

beste wensen voor de rare mensenaarde

2008. De eerste nacht raakt huilend stuk. Verse kop compleet kapot. Geen druppel drank gesmost. Onge-luk gehad bij incident. Verkeerd gezicht gezet, mijn mond stond scheef, ik weet het niet. Maar ik misdeed. Het dikke leed ontstond. De ochtend dronk en ik bleef helder in mijn hoofd. Geloof me iedereen. Mijn hart gewond, nog onderhevig steeds op dreef. De repen en de rafels zijn aanwezig. Hete strepen aangenaam, ik leef zomaar. Verschoning dat ik beef. Beschroomd.

Een dame en een tafel later. Ik word opgeschonken, roomsoep uit een diepe winterkom. Haar handen scheppen warmte met een halve lepel in mijn mond. Ik hou dit zwijgend vol. Ik krijg mijn deel, zij streelt haar poes, ze spint een andere taal. Ik tel de drup-pels, lepels zuurstof. Slik mijn adem in. Het regent in mijn eten, klodders nat op nat gekletst. Ook dat nog. Zakdoek leggen, betten. Klein verlet doet pijn. De droogte zit me in de keel te hoog. Ik hijg nog door.

Ik veeg de vegen weg, het is geen zicht. Haar kat zit lachend op mijn schoot. Zij slaapt of doet alsof, ik zie haar slip, een witte bil beweegt. Ik spreek niet meer, ik knipoog naar het stomme beest. Ze likt de resten room, haar snor gaat trillen van genot. Ik pak haar mager vel, vertel haar niks, ze schrikt van mijn ge-zicht. Ik ben de blanke man die bleek hangt in de living, die verblind is door de mist van kerstmis: piek die prikt. Wadist, ze kwispelt met haar staart. Dadist.

Ik mis haar even hevig, lees ik in gedachten op de teletekst die speelt. De kat springt op haar blote be-nen, tikt een poot, en wandelt door. Besluipt haar zo-gezegde dromen, kruipt zich vast en zuigt. Of doet precies alsof (zoals zij eerder deed), ze krabt een borst, dan alle twee, ze springt wat heen en weer, ze veert. Ik kijk tevreden op, zij leeft. Wij zijn een trio in beweging, inclusief een beest. Ik streel en ik verveel, ik zet de televisie af en aan. Het testbeeld zit me na.

Zij gaat te water in haar bad. De naakte kat zit naast mij in de kamer. Wachten maar (zegt vader). Avond valt, de nacht staat klaar. Ik praat wat in mezelf. Het dier verstaat opeens mijn taal en stapt een teken verder, volgt het pad langs waar de kleren liggen: uitgelegd. Ik tel een trui, een kous, een tepelhouder en een huilbui vol met water dat het koude jaar ver-klaart. Ik ben de dader, geen verrader. Laat me maar voortaan. De aarde is een raar bestaan. Ik ga zodra.

22:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: poes, roomsoep, spinnen |  Facebook |