30-12-07

wie de bel luidt met geweld, die huilt

Om vier uur werd ik uit mijn bed gebeld. Een scherpe ochtend in de late nacht. Een eenzaam hart was stie-pelzat of had weer aan wat poeders met een pil ge-zeten. Ik verschoof en snoof de slaap weg door mijn vage kop. Ik had dat drukkend mens bijna de aan-dacht afgerukt, een huid voluit malheur gescholden. Klop erop, ik plet haar doordringvingers op de inkom-deur. Een slopersdreun die vanuit de hall omhoog ge-spoten kwam. Ik pakte hard de parlofoon en smakte al een antwoord op een vraag die lager in etages zat.

Het was Madame von Porsche in kerstpakket. Haar verrassingslichaam was het aanbod voor mijn pyama. Een dwaasheid want ik draag geen nachtkleed op de maat van mietjesminnaars in debiele cinema’s. Wat weet zij veel met haar theater en haar aanverwante tralala. Haar stem klonk lalbestendig, steeds een da-me in de marge, overdag een mooie feeks, bij nacht een ordinaire del. Zij wou mij onderhouden, haar Armani-jeans ontvouwen en een gooi doen naar de nukken van geluk. Zich bloot ontplooien in de slip-stream, zonder strik of string. Een Gucci-bril ver-schikken bij het navertellen van de jeuk aan haar sjartellen. Einde van voorspelling. Wou ze neuken, leuk voor haar. Ik schrik van niets of niemand meer, een vrouw kan aan mijn lakens raken, maar ik blijf mijn klamme dekens trouw. Er was geen houden aan de nachtbel en de lachebek. Haar bekken rekte zich, haar blikken zaten in de lift. Een schel gejengel van een jingle die bestemming mist. Ik klopte driemaal af, zij beukte door. Mijn deur begaf geen kier. Ik gaf geen zier om haar, ik werd niet opgefokt. Ik vloekte fuck you godverdoeme, zatte upper-trut, gij totenbel.

Wat een dronken deerne smeken kan. Haar man lag ver van huis in bed, hij snurkte als een lul. Ik was een thuisverpleger buiten dienst, een oudgediende in de liefde. Ik liet (zoiets als) erotiek zijn gangen gaan op straat. Daar stond zij even later na te snikken (zag ik als een hoge dief op mijn balkon). Haar fonkelborsten schokten in haar kerstjas en haar schoenen stampten chique een tegel uit de stoep. Zonde van dat lijf dat om genoegen vroeg. De zwoelte had genoeg fatsoen.

Ik ben geen gigolo, de klad zit in de job, mijn kop is jaren stuk, failliet van lang verdriet. Zo heb ik toch iets bijgeleerd, ik ben de slimste van de passieklas. Ik red me praktisch wel. Ambras weegt zoveel zwaarder dan een opgevogeld zwaard: dat ik heden uit de schede van de dame met de lange tenen laat. Haar wagen was verlegen voor haar onbereden lichaam dat kwam neergezegen. De Porsche gaf geen gensters, vonkte niet, hij stonk naar langzaam gas. Hij protesteerde tegen plotse kilte, bood zijn weerstand tegen al wat vast gevroren was. De motor leek acuut gebroken. Aan het stuur twee handen vol met opgeklopte dia-manten, stenen van de leegte die de nacht inreden.

Wist ik beter, veelvraat van gedeeld verleden. Ach, ik mag haar ondanks alles wel. Ze is een duurzaam sterfgeval. Een afgestane erfenis. Ellendig duur. Ze richt ravages aan, ze is een bende op zichzelf, een rotverwende die zich tot mij keert. Ik wend mij sneller af, ik wentel verder, want wie ben ik anders dan een sneeuwman die geen smeltpunt kent. Ik word zoveel vetter in mijn winterpels. Nog eeuwen stil tevree te gaan. Wat sneu voor haar, ik adem opgelucht. Zo lui en laf, huilt zij. Adieu gedaan, gelukkig jaar Aimée.

19:33 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: porsche, aimee, armani, gucci |  Facebook |

27-12-07

de langste slaap is niet de laatste daad

Je lag te slapen, diep bewogen, met je handen die je vingers telden. Alsof een uur van sterven nader was gekomen en jij, secuur als steeds, de zekerheid ver-kende van iets mee te nemen. Om te kunnen spreken in je onrust die geduld en kommer was: om ons te laten lezen met een laatste teken, als je ogen zouden breken, ons te prevelen dat het goed geweest was, niet genoeg voor ons. Je was een wonder van bele-ving in de stonde die ons zegde: stom dat dit kan stoppen, zomaar zonder kloppen niet meer willen storen, maar met witte schroom verlegen rond het bleke hoofd de as verleggen van een lijf dat niet kan blijven. Maar van ziel beklijft, de nacht doorklieft, wij dromen deze liefde niet. Een winterstroom gaat mal-ser liggen in de open zee, een warme golf begeeft. Nog even jaagt de wind het water op, weerstreeft. 

Wij zwegen en wij keken. En we vroegen om verge-ving. Geen beweging gaf je, slechts wat stilte in je hart bewoog en kroop misschien nog tien seconden voort. Het laatste leven sloot zich in de achterkamer van je ogen. Mededogen was het eerste woord waar wij aan dachten. Onze dank aan jou, wat flauw van ons. Wat zegt een nagelaten mens? Hij wenst zichzelf het beste verder. Zonder hem ontbrandt de hel. Hoe kan dat nu en wordt het later alsmaar triester, droe-ver dan daarstraks, de nacht nog naakter dan de kou vanavond? Alle kilte zakt, een kist wacht op een graf. Dit is om te lachen. Ongenadig overhoop, een krop, een knoop, een hopeloos gesmoorde grap, de on-macht van de woorden. Mag ik harder praten, vader, wie brengt morgen raad? Mijn stem raakt klem in vers verleden, ik beween mezelf rebels. Ik wil niet van jouw sterven weten. Hemel, werk dit tegen. Help die god een hand om te vergeten. Deze man blijft onze held. Om niet te rijmen met een tegenwoordig over-lijden. Ijlte overal, zijn blik die brak. Ook tranen die zichzelf vertaalden, die wat stamelden op een wang.

Wij stonden en wij hoorden reeds je korte adem die vertrok. Een hart dat knakte en in tweeën brak, een deel om weg te geven, om mee door te gaan: om ons te laten leven. En een ander deel om in te wonen met je ziel die over ons de wake hield. Je was een vake inval voor verdriet, voor laffe ziekte die ons griefde na de liefdes. En voor nieuwe grillen waar je ons niet zwaar aan tilde. Je was een man die wilde dat de zomer altijd mode werd. Zo wenkt dit witte bed, je knikt inwendig met je blik. We bidden niet, dat helpt.

Je ziet ons binnenin. Je waakt zoals een vader die zijn dode kind verlaat, hij verdwijnt en zoekt zichzelf voor-taan. Hij raapt de hemel samen op de aarde. Opdat geen dag bezwijken zal nadat een lichaam zakte in de nacht. Je houdt jezelve recht, je bent een engel die kan fietsen, die nog fitter is dan dood versnellen kan. Geweldig schone man, je rent voorbij het einde en je blijft een wijle in het grensgebied. Je rekt de eeuwig-heid, je bent een randgeval dat alle angsten over-leeft. Je sterft niet in gedachten, niet bij deze. Gene is geweest, geeneen beweert het tegendeel. Een ster-ke geest keert altijd weer. Tot ziens meneer André.

11:35 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wederkeer, overleden, andre dc |  Facebook |

24-12-07

de trein verloor de sporen van zijn brein

De trein der traagheid had vertraging. Toe maar zaag-mans, noem je onvermelde bronnen. Pleonasmes van jewelste. Tot zoverre mijn voorspelbaarheid. Rails en wissels liggen van gesakker lang niet wakker. Een ge-leefd kwartier is dode stof, geen materie in het licht van eeuwigheid. Ik werd er nogal simpel filosofisch van in Brussel-Zuid. Plots geschiedt een stroom ge-rechtigheid, de trein reed plechtig voor. Onverstoor-baar, tragisch in de daver van slow motion. Een ge-voel voor drama draagt zo’n mastodont onwillig mee. Er kleeft vaak overmoed en macho-onvermogen aan, ook fallistiek en valse penetratiekracht. Zelfs bloed met spatten van het pletwalsrad. Ik denk wat af als reismens die zich staat te tergen, ik ben een helse pendelaar, een blote nerf. We zitten ondertussen onder dak te knussen, knikkebollend tot in Brussel-Noord. Waar het volgend onheil wordt verkondigd. Motor af omwille van een dropping uit de hemel. Een mix van twintig engelen moet aan boord gehesen, inclusief de elfjes onder hen, dat is niet niks. Ze zitten op een wolk die in de file van de nevels hangt. Zoveel zenuwstelsels later komt het volkje aangeslobberd, scouts en punks waarvan de meesten net nog nuch-ter zijn. De vader door mijn aders is vlug opgelicht.

De sliert wagons laat stoom af, zet zich in een ruk op weg naar rust en leve Leuven. Het glaciale huis ver-wacht ons aan zijn waterhaven. Want er staat een kerststal met lawaai in vuur en vlam. Plots verslikt de voortgang zich. De trein raakt blijkbaar van het goeie spoor. Het ijzerwerk staat stil. Iets krijst. Het donker schrikt van onze blik en loeit. Wat stom, een weiland tussen Haren en de overkant, het oosten is een on-bereikbaar eiland. Hondervijftig wijzen worden gij-zelaars, wij zijn verpakt met onze ijle pakjes, opge-sloten reizigers, zonder geil en schuw van onschuld. (Hoor geweeklaag in ons koor). Wij zijn leeg en twee uur onderweg, de kilometers plakken als een slak die achteruit kruipt. Een verbleekte hoofdklak komt ons smeken om te bidden voor een aflaat, hij belooft ons kering naar de oorsprong. Leuven is een ophaalbrug te ver, ons huis is plots geen bed waar Stella slaapt: een warme plek voor buurman Jaak. Dag kameraad, genaak haar flanken en je hangt. Hier komt heisa, bijna opstand van. De punkers kerven dronken rellen in de zetels, zitten stoned naast dode scouts, zo lijkt het toch, de meesten overleven op een masker van verbetenheid. Twee zatte maskes amuseren zich een beet, ze memoreren welig aan Aurore uit Welkenraedt en hete Amélie uit Luik, ze spelen languit met hun medematen. Zij tevreden, wij verbijten leed en leden.

Drie uur later na het startschot staan wij aan de meet gebold, dit was een salto achterwaarts, de nacht komt niet meer bij van onzin en van onmacht. Ik ver-zin een taxi, met mijn ondank aan de hoofdklak. Dit is overdaad, de poorten blijven dicht, de trein wordt niet ontsloten. Godverdorie, tiert het stilstaand volk, wij willen adem halen, drank en vreten slikken. Vogelen met een pik en vissen vangen, prakken brood verme-nigvuldigen in de schoot voor opkomst van het nage-slacht. Iemand moet de vroegmis dienen. Wierook smeren, wraak en vrede genereren. Bidden om een trein te deblokkeren. In het railend heden. Heer, ver-geef ons deze ketter, wij gaan radeloos te keer. Wij breken ketens, een alarm ketst af op mijn geweten, ik raak klakmans in zijn eer. Dit is een overval, wij kra-ken hier een nooduitgang. Wij ontberen elke eerbied, hebben lak aan regels en verzegeling. Wij zijn met hondervijftig net geen dode zielen, wij gaan scoren. Vijf uur in de ochtend, vijf uur onderweg en vijf uur sterven. Geen excuses, ook geen ruzies meer. Ge-woon het recht in eigen hart, de handen vol geschen-ken verse vrijheid. Wij zijn mensen die vannacht op beesten lijken, dieren die veredeld strijden om ge-lijkheid. Wij zijn een leger dat op vensters van de vrede klopt, wij geven gas aan onze genen, wij zijn gensters van beweging. Brussel mag dit godverdekke weten, inclusief de heren van de termen in het mini-sterie. Onze kloten waren stijf bevroren van ellende in het sporen. We waren rapper met een boot bewogen achteraf. Snel op vaart naar Stella en de weke kerst-stal in zijn wiek gepakt, een harde piek gespaard en hanig opgezet. Hadden we eerder dit verdriet gewe-ten, dan hadden we kladden, handen vol verlangen meegenomen. Daarna balen, hopen, halmen stro ont-stoken. En dat glazen huis doen smoren en doorbran-den. Van de liefde om weer thuis te komen. Zalig toch.

12:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: engelen, elfjes, glazen huis |  Facebook |

20-12-07

voor kerst op tafel in een stripverhaal

Flo had ons beloofd om straks te strippen. We kennen haar meedogenloos frivool, als schuwe bolster, blon-de pit. Op kracht van zachte kern, een kermgeval. En Do zat hitsig op de wip. Het was weer partytime van-daag. Het werk werd aan de kant gezet. De meisjes vlamden door, ze lonkten met een geile giechel en ze blonken spiegeltjes aan de wand. Een flits, een split, een salto in het voorspel. Wie kan wat voorspellen? Flo maakt graag een geintje in haar korte rok. Ze lijkt een topje in haar nopjes. Wat la Do doet, is verbaal een snok, een emoreel verhaal voor al wie naar haar loezen piept. Ze ziet de steelse blikken naar haar tepels (aan haar ronde pegels) en ze klept ze handig weg. Wie met haar kletsen wil, die klepelt, maar niet op haar boezem of haar billen. Zo niet dolle Flo, ze showt ons opgetogen het verlengde van haar vranke benen. Waar koopt die haar kleren, vraagt de direc-teur, een ouwe kerel van haast vier en vijftig. Spijt verkleurt zijn stem, hij lijdt aan hinderlijke rem op zijn geheugen. Lijkt een kind zoals hij Do begeert. En Flo negeert. Wat losse flodders ledigt, zijn prostaat is lenig voor de jaren. Geef hem heden veel geneugte, deernes. Excuseer mij dat ik heenga, niet uit schaam-te om het misbaar dat op tafels dansen zal. De rokken en de afval krijgen al mijn bijval. Maar ik zak eens door naar down to earth, het wasvat hapert in mijn flat. Ik heb met ome Harry afgesproken. Hij is de kant- en klare sleutelaar, de man met tandenstokers in zijn opgerookte vingers. Hij laat mijn zieke wasmachien een smartlap zingen. Wishfull thinking. Nonkel Rik laat op zich wachten. In gedachten zie ik boter smelten op ons Flo, ze ligt verborgen afgestript en kronkelt door naar Do. De party escaleert in feest van bange gang-en. Gangsters zijn collega’s overal. Ik repareer een spoelknop in de verte, zit hier zwoel te zwieren. Voel mijn knoken en mijn spieren van mizerie dat ik zonder zwengel viel. Ellende in het kruis, mijn kruid verschiet zich niet. Ik wik en weeg de hete graden tussen dertig-veertig, zet op vette zestig. Klop eens op de wakke zeepbak, schop het zaad eruit. Hun buik gaat huilen van verlangen, ik besluit dat ik kom droog te staan. De bluts met buil balorig en wanhopig. Flo gaat dood, ze stoot op bodems van genot. Ze spreidt haar armen naar mijn warmte die afwezig blijft. Ik ben af-lijvig in mijn geest bedrijvig, virtueel aanwezig in een tweede leven. Do wast mij de oren met haar sop in second live, ze leest de specie in mijn space. Het wasvat bromt zich op, de motor van mijn blote kleren ronkt. Ik monkel als avatar voort met ome Harry, zon-der weet van deze wereld en zijn zondig feest. Ik vreet mijn afgestorven kas op, smakelijk een lijk. Die Vanco gaat verdwijnen, Marlon rijst weer op. Hij blijft en schrijft (voor niemand anders dan) voor ik en gij.

20:49 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: avatar, second live, space, specie |  Facebook |

16-12-07

het kan verkeren met een winterheer

Keikoud en helder, de hemel staat staalblauw te kij-ken op de aarde die beneden leeft. Nog steeds, wij geven ons niet op. Aanwezig als de wilde beesten. Sterven is de pech van anderen. Wij zijn echt wel anders, strevers naar goed eten en geregeld geld voor heel ons ego. Onze eega mag het weten dat wij mediteren over volk en soortgenoten, sores rond de kop. Zoals met tante Bé die heden stoned is, in haar badjas woont, haar fantasie verschoont. Ze drinkt niet meer zoveel, ze compenseert met rook. Ze zweeft in kringen om haar hoofd en zet verkeerde koffie, giet jenever in de thee, gaat over boord, raakt kant noch wal, ze zwalpt wat af. Ik steek mijn kop eens in haar afwasbak, verzet gedachten op een bord. Ik schiet alweer te kort, ze lacht hysterisch.

Ik stap op, de trap gaat aan de haal met elke trede,
ik vergeet dat ik te vlug ben voor een klein begrip.
De stad ontvangt mijn snelle pas met open armen,
ik noteer de wintergangen en bega dezelfde bange flaters, zie de taterkramen van de zaterdag. Ik ben een dronken woordkramer. Verzameling van taal in opspraak. Ik geraak niet voort, de massa is een boot die tegenstoot. De mensen zwemmen in hun pakjes naar het kerstgeluk. En lullen veel. Het weer zit mee, de regen niet. De lucht is droog gemolken, donder op Al Gore, wij zijn verbonden met klimaat en zeden. Alle wolken zijn tevreden met het drijven van de mensen. Denk ik met wat twijfel aan mezelf. De deining dat dit inzicht geeft. Nochtans, het is perfect de tijd voor har-de vrede. Leg het haar maar uit.

Ik ruim haar puin niet op. Ik trek haar lingerie niet aan haar blanke vel, ik blijf met al mijn fikken van haar blote blikken af. Ze staat in brand, ze vonkt, ik heb geen water in mijn mond. Soms zit haar verstand verstopt, dan denkt ze met haar kont. Ik ben begot geen gatlikker. Mijn gsm begeeft weer onder haar gewicht. Ik draai de knoppen om, het licht gaat uit, ik zie haar buiten lopen. Langs de straten spoken en hoe mooi ze desondanks kan zijn. In haar onbewaakt en naakt gewaad. Ik ben de kwaadste niet, dat zegt ze simpel als een kind, ze kent geen woord voor kommer om een vrouw die implodeert. Ze stelt mijn vriendschap in de vraag terwijl ik haar verpleeg. Dat tracht ze op te vangen met een vracht aan drank. En gras dat in haar tabak zit gerold.

Ze krijgt de zegen in het hooi: van hasj en van de zwarte heer die haar soigneert. Hij is een strohalm in de nacht, hij inhaleert haar keer op keer. Zij teert de roes op hem. Ik slaap terwijl ik woel en al haar woede hunkert. Ik ervaar een miss-tevreden die de junkie speelt, mijn hele eenzaamheid begeert. En wakker claimt. Ik reclameer nog steeds. Ik wandel in een droom van onbekoring, koning van mijn afgebakend land. Ik ben de grage eenzaat in het spel. Gezelschap is geen plaag, ik leg een andere dame in mijn bed. Met vlagen van zelfstandigheid. De lakens lachen nuchter en ik ruk de dekens af met haar.

20:09 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hooi, joint, hasj |  Facebook |

12-12-07

afrikaanse maat van drank en naakt

Ik dacht die mens is dood. Het was een tamme scha-duw op de grond, het lichaam gaf geen licht of teken. Ik stond stom te kijken, dit leek een lijk dat net nog in het echte leven lelijk was geweest, misschien de liefde had bedreven, elementen warm gewreven. Moederziel alleen, of was de droefheid met zijn twee beleefd? De living gaf geen kick. Ik stapte het niet af, te bang om langer te bewegen. Blote ogen zag ik, naakt zijn spillenbenen, zwarte stelten, steeltjes haast. Een deken was als sneeuw geweven over vastgevroren knoken. Ik herkende in het donker A. , een doorsnee-neger uit de achtersteeg. Hij lag ge-knakt en dwarsgebroken naast het Gordon bier. De flesjes snakten naar zijn adem. Gans de tafel was beschonken, ook de dronken Duvel danste mee, ik telde glazen tussen twaalf en twintig, ruw geschat.

Een reutel bracht wat onverwachte vreugde. Want
de zatte dageraad ontwaakte plots in A. Hij staarde stomweg op en schrok van mij, hervatte op karakter in de coma. Ik bedacht zijn ledematen, even lenig als zijn rasverstand. Te nemen of te laten. Afrikanen zijn van deze aarde om te slapen op een tapis-plein. Een weiland waar het gras de jointen spreidt, de kelken van de bloemen sproeit met alcohol. Wij zijn witte boeren, broeders van de negrofielen. Door dezelfde god als grap geschapen, zij wat meer van speer en wij wat minder wild. Hij gaat vanzelf van bil met B.

Zij zat na te beven in de kamer, door te dromen in het leven, in de zetel neer te liggen, zag ik nu. Ik citeer haar naaktheid als een laken dat de nacht gedragen heeft. Ze lacht verlegen (en verspreekt zich bleek).
Ik dek haar leden af, zij werkt niet mee, gaat bloter staan. Ze toont me al haar wonden, het verhaal van wat ze samen dronken, harder klonken op wat waar verzonnen was. Dit is een fabel en parabel, lieve B.
Je bent een zombie, bijna uitgehold en afgeleefd, je kansen zijn de wensen van de mannen, blond of zwart. Ik pas je op, maar trap niet op mijn hart, ik spaar het voor een ander. Ik wil deze ochtend voor je plukken, maar geen nukken oogsten morgen. Al het zaad is opgespaard, jij moet je kater met een neger delen, mijn respect voor A. Hij tolereert je sneren en de regen. Hij verkent de verse sneeuw. Jij was van-nacht zijn hete evenaar, hij spoot je op omhoog en daalde langs je dijen af, je werd zijn evennaaste in het natte vel: je greep op geil. Reeds later grijpt het lijden door, dezelfde tijden breken aan. De dag klimt in getouw, het kind wordt wakker in de vrouw. Een Afrikaan verlaat het huis voor open ruimte. Hij woont in de verte op het vlakke, aan de horizon. Zijn lach verwarmt de zon. Je villa met jacuzzi is een speeltuin voor zijn blote huid. Dat weet je, beste B. Je bent een bruid die
al zijn lusten deelt. Ik sta hier niet voor lul. Maar als ik mij verveel, dan red ik weer je tranendal.

21:36 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: naakt, afrikaan, drank |  Facebook |

09-12-07

hapje tapje, zonder grapjes overboord

Ter receptie gaan, er is op zich geen erg, geen kunst noch gunsten aan. Behalve ergernis in gedachten-gang, de ingebeelde sleep naar achterwaarts, de zijpas en de schuifel, schuw met huichelblikje. Van onwennigheid, van wat en wie wil ik hier kennen, zonder afgang voor een vraag. Ik wil behagen zonder blaam. De eerste spetterpartner, uiteraard een man, zet zich aan het zagen. Over huizen zelf tot thuis verbouwen. Ik help slepend met het sjouwen. Tors en mors wat woorden af. Er is geen tegenhouden aan, hij speekselt van extase, een doe-het-zelver in de zelfbevestiging. Beaam ik hem in tekst en taal. Hij is de kwaadste niet, ik ben het bijna. Al mijn tijd is op, de schaal met chips gaat weer aan mij voorbij, ik drink hier kelken leeg, ik lees de rimpels in de plastic be-kers, slik wat drap van plat en bubbels, zie de visjes dubbel in mijn sap. Ik vind de situatie claustro-sur-reëel, het lokaal benauwt als een bokaal.

Mijn kop loopt af en Beatrice komt op. Zij is verschij-ning in het ijle, engel en bewaarder van mijn eigen-waan. Ze vraagt me hoe het gaat en of ik nijg en pal in drank met hapjes sta. Ze is de borrelnoot met blonde pit, een ongezouten mening, slank en zoveel groter dan mijn houten deelneemhoofd. Een pop met ballen aan haar bollen. Ik kijk bang en pijnlijk op, mijn adem stijgt omhoog naar haar, ik ruik de krullen in haar ogen (die van lokken afgesprokkeld komen). Om mijn woordenstroom met horten lacht zij niet of nau-welijks, ook mijn stotter laat haar koud, zij kent geen schroom. Zij trekt de kuiltjes in haar kaken open tot een stout icoon. Zij pruilt naar mij, ik hoor haar rode perzikmond. Zij spreekt met malse watertanden: van verlangen in het leven, heel de menigte verbleekt rond haar. En wentelt rond haar lenden. Hinde en gazelle, zij is opgetogen mijn gezelligheid. Ik ben een kring met Beatrice, wij zijn een tweetal in de wereld van theater, cel en cirkel in de tater om ons heen. Zij wipt op elke bips en springt plots verder weg. Voorbij mijn ego. Sneller dan het licht de lucht verplaatst. Of omgekeerd in evenredigheid. Ik ben opeens alleen en denk mezelf een kelderend subject. Van interesse in ontreddering. Ik hoor de kaders rechts en links, het kirren van directiekinderen, alles praat met iedereen, ik ben een eiland zonder secretaris. In het water van dit drijfkantoor verblijf ik op mijn zwalpje, vlot van talmen, trappen op de golven, handen scheppen vol met bellen zuurstof voor nog minder dan minuten. Kopje onder, geen gedoe en geen gedonder, in den duik ben ik mijn redder in de nood. Terwijl ik naar de uitgang zwem en zwadder, zwelt hun naklap op, ik krijg nog woorden naar mijn kop. Het laatste loodje weegt geen halve pond maar lood gewoon. Ik zink van boord, in scha en schande om mijn ganse adem-nood. Ik heb geen Beatrice gehoord, wat was er mis met haar? Ik sla een slecht figuur, ik ben een blinde muur die klank weerkaatst. Een meisje wordt een vrouw, zij nipt aan ijs dat plat gaat, glad ligt in het glas. De smeltperiode is een episode waar de massa snel bezinkt. Ik drink niet mee met hen. Ik ben een hele scheve schaats, ik blijf mijn schaamte trouw. De daver galmt en gaat zijn gang door het gebouw.
 

13:46 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: beatrice, chips, episode, smeltperiode |  Facebook |

05-12-07

het winterlicht gaat liggen in het kind

De wind op woensdag wil iets zeggen. Echo zie ik aan mijn venster dat een raam is op de wolken: panorama om op de vlagen weg te vliegen. Ik zit klaar, ik staar paraat en stil. In stand by van mijn bestaan. Wat valt er nog te praten? Alles is verteld, al wat vermeld mag worden. Rest een kantje nagedachten, boordje over-schot van hoe ze mij aan boord wil leggen. Als ze denkt dat ik de laatste man ben op de wereld, zal ze om mij geven. Het gesprek vond plaats terwijl ze met haar kont op tafel zat, ik kan de sporen detecteren. Hete strepen ongeduld en glad de afgrond langs. Of had ik beter moeten weten? Achteraf was dat me om het even. Ze wil ook nooit eens wat, maar altijd strijkt ze plooien nat. Ze rijmt op alles wat mij vastplakt, heel haar taal is what you see is what you get. Maar spreek haar van geen bed, tenzij om bij te slapen van de lege dagen, op verhaal te komen, van kantoor een droom te malen die orgasmes scoort. Ook sores olala.

En hoe (alsof) ik haar benaderen moet, het is geen doetje. Lievemoederen helpt geen halve zier, haar ziel zit onder vol bewolkte cup. Zo dik en dubbel E & E bedekt. Geen denken aan wat simpele seks. Het vlees is weelde en begeerte, ik de eerste om te eten als ze ooit haar tafel dekt. Geen wik en wegen aan: verhaalt ze deze anekdote van het onvermogen. Ik vertel haar verder, groot mijn ogen op haar tepelhoven. Een pla-teau om zwoelig op te wonen. Doe ons schoon pla-tonisch een genoegen, vraag ik aan de wereld van het werk. De baas heeft oren om zijn onderdanen sterk te maken, hij spreekt taken van versterving in.

Dat zit ik voor mijn ogenblik naar buiten uit staren. Geen gebaren of gedachten die mij op haar golven zorgen baren, zij is deining in het reine met zichzelf en mij. Tot blijdschap van de goden en de wind, ik zit mijn dagen achter glas. De winter komt met licht dat langer schijnt, zij lacht al later, blijft nog wat. De glans van blijdschap en geen handen aan ons lijf. Wij zijn de nieuwe zedigheid, geheel onevenredig met de dieren, wij zijn meesters van de zelfbeheersing. Of zij soms zichzelf bevredigt, vraag ik aan de storm die plots komt kloppen, bonken geeft op mijn balkon. Verwondering, ik ben een zonde die niet zonder kan, wat gaat haar lichaam in genot mijn kommer aan? Ik kwel niet langer deze regendag, ik leg mijn hart te week naast overlast van kleren die zij draagt. Zij is een lichaam dat mij tegenlacht, mij stevig wederkeert. Zij raakt de man in mij niet aan, zij streeft op afstand van een haak in mijn verstand, een anker langs de wijsheidstand. Ik dicht haar naderbij, ik wijs de ader van het zaad de weg: het pad naar de woestijn. Ik aanvaard de maagd in haar, het water in oasezand.

20:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: winterlicht, kind, wind |  Facebook |

02-12-07

het kan verkeren in het leven, ik vergeet

Sarah dacht ik, da’s een makkie. Ik ga in daden aan de slag en pak haar. Oeps, ik floepte. Eénmaal, tweemaal, andermaal amaai. Ik klop er telkens naast en leg gebelgd de laptop weg. De slapte lacht, ik klap het deksel dicht. Er is omzeggens geen beschrijven aan. Ik vind voor haar geen stijl, ik grijp naast elke ader van verklaring. Stijf staat gans mijn onvertaalde lijf, ik heb het raden naar dit falen. Het wordt somber, ik verdroef vanavond. Ik ben moe en donker in mijn mond. Het godverdomt begot. Het woord bekoort niet, brombeert door mijn kop. Te stom voor taal of teken. Ergens ketst een vonk in mijn spelonk. De teksten dralen. Ik vermaan me en hervat weer als een man. Begeer haar, leg me teder neer bij de pc, ik tik een zin voor toege-ving: omdat ik Sarah niet bemin is mijn begin. Ik tast aan haar contouren, spreek bonjour toujours, pour mon amour. Ik vind helaas geen opening. Ik voel me als Leterme, held van Vlaanderen in zijn achterland. Die mensen missen elk charisma. Ik word pissig van een volkse prinses uit de naaste winkel. Elke aanslag is een miskoop in de Spar. Er is gewoon geen houden van, geen vatten aan. En nochtans blinkt ze simpel (blingbling) aan de kassa. Sarah is mij graag genegen, leest mijn mantra van behagen. Ik was voor haar gepland geweest van-daag. Nadat ze alles afgelezen had. Aangaande wat hier schoon geschreven staat. Daarna met haar in bad misschien. Ach wat, het water is te diep voor warm verdriet.


Ze is oneven, wicht van negentien en vers ver-jaard, vandaar dat ik theater speel. Toneel acteer, ik optater tralala. Ik ben de zelfverklaarde draver in het overdrijven. Zeer beklijvend voor mezelf en zonder twijfel in de averij. De schade spreekt van schande in de schede. Sarah is een meisje dat ver-kleint, dat mannen aanzet tot bescheiden razernij. Ze had het met mij aangelegd in een verlengd ver-leiden, haar geheim gebed. Ik moest het zwijgen, pijn verbijten. Desnoods tot venijnen in mijn staart. Ik brei er draden aan, van ijzer en van staal. Mijn stem zit klem. Ze heeft me afgesteld, een nestel rond mijn keel. Ik zing niet meer, ik kerm en kweel, ik denk: ben ik besneden in de pezen van mijn poëzie, mijn weke onderdelen afgebeten? Sarah, geef hier klaarheid, praat de waarheid naar mij weer. Ik wou hier triomferen, heel je gevel tapis-seren, weetjewel. Dit is geen spel om met een man te spelen die je vader enzovoort etecetera. Geneer je, repelsteeltje, heel je leeftijd spreekt je tegen. Ambeteer mij niet. Ik ben een kerel die de rekening vergeet. Die piekt en paradeert, je billen omkeert bij je grillen en je witte reet. Ik wil geen steekspel genereren. Ik ga voortaan naar de overkant, daar heerst de rust. Ik koop mijn spullen morgen met succes in de Express GB. Een plek voor lullen die hun lid verhullen. In de klare taal van laffe man. Dat denk ik dan, so what zomaar. Voor Sarah: leg je glimlach sober naast je libido, lik liever aan de gratis tandpasta. Bedankt voor al je aandacht. Dag

13:53 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: glimlach, sarah, spar, tandpasta |  Facebook |