09-12-07

hapje tapje, zonder grapjes overboord

Ter receptie gaan, er is op zich geen erg, geen kunst noch gunsten aan. Behalve ergernis in gedachten-gang, de ingebeelde sleep naar achterwaarts, de zijpas en de schuifel, schuw met huichelblikje. Van onwennigheid, van wat en wie wil ik hier kennen, zonder afgang voor een vraag. Ik wil behagen zonder blaam. De eerste spetterpartner, uiteraard een man, zet zich aan het zagen. Over huizen zelf tot thuis verbouwen. Ik help slepend met het sjouwen. Tors en mors wat woorden af. Er is geen tegenhouden aan, hij speekselt van extase, een doe-het-zelver in de zelfbevestiging. Beaam ik hem in tekst en taal. Hij is de kwaadste niet, ik ben het bijna. Al mijn tijd is op, de schaal met chips gaat weer aan mij voorbij, ik drink hier kelken leeg, ik lees de rimpels in de plastic be-kers, slik wat drap van plat en bubbels, zie de visjes dubbel in mijn sap. Ik vind de situatie claustro-sur-reëel, het lokaal benauwt als een bokaal.

Mijn kop loopt af en Beatrice komt op. Zij is verschij-ning in het ijle, engel en bewaarder van mijn eigen-waan. Ze vraagt me hoe het gaat en of ik nijg en pal in drank met hapjes sta. Ze is de borrelnoot met blonde pit, een ongezouten mening, slank en zoveel groter dan mijn houten deelneemhoofd. Een pop met ballen aan haar bollen. Ik kijk bang en pijnlijk op, mijn adem stijgt omhoog naar haar, ik ruik de krullen in haar ogen (die van lokken afgesprokkeld komen). Om mijn woordenstroom met horten lacht zij niet of nau-welijks, ook mijn stotter laat haar koud, zij kent geen schroom. Zij trekt de kuiltjes in haar kaken open tot een stout icoon. Zij pruilt naar mij, ik hoor haar rode perzikmond. Zij spreekt met malse watertanden: van verlangen in het leven, heel de menigte verbleekt rond haar. En wentelt rond haar lenden. Hinde en gazelle, zij is opgetogen mijn gezelligheid. Ik ben een kring met Beatrice, wij zijn een tweetal in de wereld van theater, cel en cirkel in de tater om ons heen. Zij wipt op elke bips en springt plots verder weg. Voorbij mijn ego. Sneller dan het licht de lucht verplaatst. Of omgekeerd in evenredigheid. Ik ben opeens alleen en denk mezelf een kelderend subject. Van interesse in ontreddering. Ik hoor de kaders rechts en links, het kirren van directiekinderen, alles praat met iedereen, ik ben een eiland zonder secretaris. In het water van dit drijfkantoor verblijf ik op mijn zwalpje, vlot van talmen, trappen op de golven, handen scheppen vol met bellen zuurstof voor nog minder dan minuten. Kopje onder, geen gedoe en geen gedonder, in den duik ben ik mijn redder in de nood. Terwijl ik naar de uitgang zwem en zwadder, zwelt hun naklap op, ik krijg nog woorden naar mijn kop. Het laatste loodje weegt geen halve pond maar lood gewoon. Ik zink van boord, in scha en schande om mijn ganse adem-nood. Ik heb geen Beatrice gehoord, wat was er mis met haar? Ik sla een slecht figuur, ik ben een blinde muur die klank weerkaatst. Een meisje wordt een vrouw, zij nipt aan ijs dat plat gaat, glad ligt in het glas. De smeltperiode is een episode waar de massa snel bezinkt. Ik drink niet mee met hen. Ik ben een hele scheve schaats, ik blijf mijn schaamte trouw. De daver galmt en gaat zijn gang door het gebouw.
 

13:46 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: beatrice, chips, episode, smeltperiode |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.