05-12-07

het winterlicht gaat liggen in het kind

De wind op woensdag wil iets zeggen. Echo zie ik aan mijn venster dat een raam is op de wolken: panorama om op de vlagen weg te vliegen. Ik zit klaar, ik staar paraat en stil. In stand by van mijn bestaan. Wat valt er nog te praten? Alles is verteld, al wat vermeld mag worden. Rest een kantje nagedachten, boordje over-schot van hoe ze mij aan boord wil leggen. Als ze denkt dat ik de laatste man ben op de wereld, zal ze om mij geven. Het gesprek vond plaats terwijl ze met haar kont op tafel zat, ik kan de sporen detecteren. Hete strepen ongeduld en glad de afgrond langs. Of had ik beter moeten weten? Achteraf was dat me om het even. Ze wil ook nooit eens wat, maar altijd strijkt ze plooien nat. Ze rijmt op alles wat mij vastplakt, heel haar taal is what you see is what you get. Maar spreek haar van geen bed, tenzij om bij te slapen van de lege dagen, op verhaal te komen, van kantoor een droom te malen die orgasmes scoort. Ook sores olala.

En hoe (alsof) ik haar benaderen moet, het is geen doetje. Lievemoederen helpt geen halve zier, haar ziel zit onder vol bewolkte cup. Zo dik en dubbel E & E bedekt. Geen denken aan wat simpele seks. Het vlees is weelde en begeerte, ik de eerste om te eten als ze ooit haar tafel dekt. Geen wik en wegen aan: verhaalt ze deze anekdote van het onvermogen. Ik vertel haar verder, groot mijn ogen op haar tepelhoven. Een pla-teau om zwoelig op te wonen. Doe ons schoon pla-tonisch een genoegen, vraag ik aan de wereld van het werk. De baas heeft oren om zijn onderdanen sterk te maken, hij spreekt taken van versterving in.

Dat zit ik voor mijn ogenblik naar buiten uit staren. Geen gebaren of gedachten die mij op haar golven zorgen baren, zij is deining in het reine met zichzelf en mij. Tot blijdschap van de goden en de wind, ik zit mijn dagen achter glas. De winter komt met licht dat langer schijnt, zij lacht al later, blijft nog wat. De glans van blijdschap en geen handen aan ons lijf. Wij zijn de nieuwe zedigheid, geheel onevenredig met de dieren, wij zijn meesters van de zelfbeheersing. Of zij soms zichzelf bevredigt, vraag ik aan de storm die plots komt kloppen, bonken geeft op mijn balkon. Verwondering, ik ben een zonde die niet zonder kan, wat gaat haar lichaam in genot mijn kommer aan? Ik kwel niet langer deze regendag, ik leg mijn hart te week naast overlast van kleren die zij draagt. Zij is een lichaam dat mij tegenlacht, mij stevig wederkeert. Zij raakt de man in mij niet aan, zij streeft op afstand van een haak in mijn verstand, een anker langs de wijsheidstand. Ik dicht haar naderbij, ik wijs de ader van het zaad de weg: het pad naar de woestijn. Ik aanvaard de maagd in haar, het water in oasezand.

20:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: winterlicht, kind, wind |  Facebook |

Commentaren

Prachtig hoe jij al die verschillende types van vrouwen kunt beschrijven...
ik voel me een "beschermde" soortgenote...:-)

Gepost door: lieve | 07-12-07

Dank voor deze lieve woorden

Gepost door: Marlon | 09-12-07

De commentaren zijn gesloten.