28-11-07

ze komt te vlug en is terug vertrokken

Van haar benen ben ik altijd afgebleven. Om van de rest maar niet te spreken. Wel oplettend en intens gekeken. Daar had ze niks op tegen. Integendeel, no way, dacht ik. Ze zag always hetgeen ik placht te menen en te fantaseren: terwijl ik onder andere al haar maten mat. Haar intellect was heavy sexy, mijn intenties mateloos. We waren opgerekt geco-relleerd. Zo stond dat onlangs in de Flair beschre-ven. Als een handicap, zoals verwantschap van het hart. Een koppel dat zich zowat aantrekt op kan-toor. Correct van imperfectie, onbevlekt ontweken. Zonder haren in de boter, sober met een bodem in de woorden.

Laat mij vierkant overkomen, maar ik heb geen hand gestoten aan haar hart (ik stort nog liever in), ik ben van haar inwendigheid een onverkenner, al mijn verre pootjes af en kopje onder voor de donder kwam. Zoals het hoort en ook geschreven staat. Zie en lees de tien geboden, nietwaar Nicol-leta, afgelijnd model. Uw haren spraken Italiaans gelijk uw warme vel. Ik lag graag wakker van uw lichaam, smaakte ziel en aanverwanten: uw fysiek gerief. De witte nachten waren vaak in ademnood. Ik vermaakte slapeloos de mankementen in mijn taal, om maar te zeggen: jij was ongenaakbaar open bloot. Ik raakte hoogstens aan uw billen met mijn oogverblinding. Wilde borsten opgetepeld, ik verzon ze. Edele delen die gestreeld in beeld ge-houwen werden door een trouwe meester. Weet ik strict intiem. Hij heet uw man en draagt zijn han-den vol materie, smeert met liefdesspecie lang en slank uw leden in. Ik ben geen kunstenaar, ik mets en imiteer met flarden tekst. Ik hark afgunstig naar uw schaduw. Gun mij deze waan van zinnen eer wij verder gaan. Het is dus over morgen. Helemaal ge-daan. Dit is geen wartaal, Nicoletta. Stel het ver-der wel. Ik draag je koffers traag en bel de taxi van verdriet. Verschiet niet als ik wit word, hees en heet van streek. Het pakt me reeds op voorhand bij mijn keel, ik heb aan jouw vertrek geen schuld. Geen bult met eelt op mijn geweten.

Schaamte overheerst, de weelde van het leed. Ik baad en week in eigenwaan, omdat je mij verlaat. Je rechte weg naar werkgeluk. Ik lul en stamel uit verband, ik baal. Je tranen zijn een blanke baan. Ik streel de wind nog in de vlucht terwijl je rug mijn flank verkent. De lucht kermt plotseling, wordt dof. Het onweer gromt en roffelt. Rolt weer verder weg. De goden leggen hun geboden neer: ik lees van zes tot negen, reken op een zekerheid, de wijsheid van de bijbel. Rest de eerste twijfel, hijgt en krijst af-wezigheid, de lege lijn van heel je strakke lijf. Het langgerekte teken dat in stippen vager stapt, het nat van lippen achterlaat. Je wezen is verleden reeds, je wordt beweend met verse regen, heel de aarde beeft en vreet ellende, ik mijn deel. Maar wat geweest is, was een feestballet. Het heden daar-entegen wordt een harde beet, een eenzaam beest. De liefde is verlegen voor ons twee.

18:43 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: beeldhouwer, model, liefdesspecie |  Facebook |

25-11-07

het drama van de grens te bed gelegd

Wie heeft een uitleg voor een uitlekbekken? Het staat er letterlijk op een bord gezet en neerge-plant. Ik lees in geen verdwazing geen verklaring. Dit zijn uitgesproken tekens, dit is surreëel en Bel-gisch. Op een schaal van evenwicht. Ik aarzel in dit niemandsland. Een raakvlak tussen Vlaanderen en de Walen. Ik ben nergens overal te gast. Een op-losvlek, een wolkenmens. Kent iemand een ver-klaring voor het raadsel van de zaadvang? Het kan ook zandvang zijn, de tweede a was vaag gespo-ten. Ik loop er langs, vertaal de woorden in de waarden van een lege vlakte. Water staat hec-taren stil, geen rimpeling langs het taalverschil. Geen kloof, geen aarzeling. En vatbaar voor het bos en losse bladeren. Er draven dampen achter sommige paarden. Op een warme rug zit daverend Daphne. Ze komt uit Rixensart, ze heeft de zones van het woud vergalopeerd, de grens met gratie afgelegd, de rand vertrappeld. Ik vetraag en vraag comment ça va? Ze lacht en gaat in draf. De spo-ren in de bodem graven goedendag. De groeten enzovoort tot in Jodoigne, we zien elkaar nog wel in Geldenaken. Of bij Hildelief in Tirlemont, ze woont in Tienen liever. Meisjes zijn belles filles, rillend vrouwen, op zijn Belgisch klaar om bij te slapen.
Ik wil houden van en open vouwen. Of voorzichtig splitsen zonder scheiding, heiden zijn en held van Belgenland. My kingdom voor een worst, de borsten bij de ballen van de vorst. Ceci n’est pas ma pipe, bonjour Magritte. Dag Brel naast Hugo Claus. De noordzeewind, het Meerdaalwoud, Oud-Heverlee op snee van volk en vrede. Ik verleg mijn grenzen, jog tevreden langs de wegen van Hamme-Mille en zie de kilometers die me resten tot in Beauvechain: welkom bienvenu in Bevekom. Wie heeft last van nabuurschap, wie plaatst hier vreemde termen? Tonton Yves, ontferm u over ons. Of sterf in mon-kel van ellende. Separeer in as.

De nevel hangt weer breed, de was van mensen ligt te drogen op het veld van stroverlangen. Ik noteer symbolen van het bekken en van zaad of zand in nergensland. Ik stort mij op het strand van bomen die absurd vertakken tot in dromen, raken aan de naakte vrouwen van Delvaux: ze staren naar het volk op een perron. Gependel zonder hen-del in Pécrot ofzo. Hun lippen ogen nat, vertikken om een kik te geven in een taal die triomfeert. De liefde domineert. Ik laat de dieren komen, pak de manen van de paarden, leg mij plat naast Daphne, ga van bil met Hilde. Schrijf de korte historiek van mijn geschiedenis pour la petite histoire. Bonsoir Belgique, bonjour tot morgenvroeg. Ik leg mijn bek-ken weg, verzet een baken en ga slapen. Droom van neige tot in Liège.

14:18 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: belgie, bekken, zaad |  Facebook |

21-11-07

't bordje boter smelt een toontje lager

Ik zit hier momenteel wat dikkig doorgezakt voor mijn teevee ik denk diep na in pieken over wat er voorgevallen is vandaag ik ben beschaamd ik val traag achterover met mijn kop van canapé naar zetel maar allee zegt sonja van gezonde gestapo het is maar folter in de kolder op zijn antwerps rochelen met een uitspraak-a in opgelachen taal waar ik mijn glimkuil aan bezondig voor gezelligheid nog wel dag allemaal geweldig vind ik haar verval-sing met die blonde robot in zijn idiote pak met op-gekrolde maten droog gewichtig afgestreken grap-jas heb ik hangels aan mijn achtergat gekregen veegt hij strepen naar zijn wijf bestrijkt de moord-schuur van haar mond tot perkament een hooi-muur op haar hoofd een schraal portret zij wedden voor een ton van onzin opgeplukt met volk dat klunzig blinkt op beeldcultuur ik schakel mijn ge-dachten door denk verder aan de schande over mijn persoon gekomen heden deze middag kreeg ik onverwacht visite van madam met blitse titten en met franje aan haar randen tierlantijnen aan haar zijde fijn haar flanken geen begijntje noch een non van aan de overkant daar staat een klooster heb ik eens gehoord zij weet van niks en niemendal geen schrik zij schopt haar baas een kloot af overhoop de dag kan van zijn ballen niet meer stuk de teelt is in zijn aard geraakt zij zet haar nijge billen op mijn vensterbank vol wijventongen zijn gespleten langs haar kruis van benen opgesplit geeft overspel on-nozel woord is niet ter zake daarom dat zij kwam met handen schoon devoot gevouwen in gebed een klein verpakt serviette gebak met crème-au-beurre dag bellefleur is dat voor mij begot ik word snel rood ik speel dat door mijn kop ik eet dat straks wel op zij pardonneert mij in het erospaans parleert ik kan niet meer mijn frans blokkeert voor bijzit onbe-leefd ik leef weer op vertaal een concubine zonder bustecup een kubus van fluweel om in te liggen rond het vierkant af te zonderen zingezang sirene likjes boter van mijn lippen ben ik koekiemonster ongezond ik vraag het aan mijn televisie die op krimpen sonja staat sonoor zijn draai niet in mijn ogen vindt wat piekt die kapstok met zijn trouw-kapittel grinnikmans de eerste dans met rammelaar het rinkelt van het foute goud ik denk aan haar en hoe ik oud word op dieet van trouw ik zweer ver-zaken aan de smaken van gebakken zoetigheid het bord koekt blakend klaar de wandelgang was gaar ik keek begerig beet ernaast te laat in dit verhaal mijn slaap sleept door de kamers rolt zijn matten buiten jankt een kale poes zoals een kater met castraat ik zet de radio aan de buis gaat uit om-hoog ik val in dalen vang een zachte dij glij lang-zaam weg in onbekende banen van de droom der benen zie ze open wenen in gesmolten vorm ont-waak niet meer vandaag het leven is een plaag.

17:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: creme-au-beurre, bellefleur |  Facebook |

17-11-07

de lusten & de lasten van de laatste rust

Ze is een geometrisch meisje, zonder hoek of snij-punt in haar kleren. Zelfs geen raakvlak aan te krijgen. Cirkel in het vierkant, diameter van oneven cijfers. Drie maal negen en zoveel keren twee. Ze is verkeerd in mijn begeerte, mist berekening. Ik rond haar danig op en af. Ik wind er zwoele doekjes over en ik tover haar bedoeling weg en weer. Zij is een halve tweeling (haar manier van spreken), veel te veel voor mij alleen. Een zogezegde moederziel, maar ziek van miserabel erotiek. Ik val haar flanken aan. Daar sta ik dan. Te hijgen zonder iets te krij-gen. Een bewijs te zijn van al wat twijfelt aan het ongerijmde. Zij is het speelveld en de weide ruimte naar de vlucht vooruit. Tot in de melkweg, zelfs een statie verder. Tussendoor een halte in de diep- en ondergang.

Verwondering bij avond en bij sombermans. Zijn woorden zijn doordronken van het dansen in zijn hoofd. De cola smaakt naar alcohol vermengd met pep. De speed spat uit een blik, ik rem het leven af en denk: héhé, ik ben er nog, de zorgen zijn weer thuis in huisje weltevree. Ik heb het in de nevel op teevee gezien. Een man zat in de krant en las een pagina. Ik dacht aan vage associaties. Zat zijn is een hete grap, haha. Ik deed een tukje in het ana-gram. Ik wist niet beter waar te liggen met mijn kop. Een plooi van mals allooi. Er valt nog door te denken aan een pornofilm met hooi. Een zolder van genot. Ik kan niet zonder deze kolder, ik verdraag geen onbehagen in mijn ballen. Rammel alles op een hoop, van zotte troost tot hopeloos in nood naar woord.
 

Ik ga niet dood. Dit is een tussenpose, rustpunt voor een jump naar hoger. Higher op de building van mijn leven, klim naar wolkenkrabben aan mijn hart en springen naar beneden. Zicht met zwier op elke kick, dat geeft nog wat te denken bij het zwe-ven. Beef ik of beleef ik een verleden? Heer, ver-berg je want ik tutoyeer de meester en de knecht. Ik zeg bezwerend mijn gebeden, dat ik lak heb aan de plichten en een laatste biecht. Ik richt mij tot de liefde en wat restjes, alsjeblief. En wie mij grief-de, arme opgeblazen ik. Mijn afgezaagd verhaal. Ik val vanzelf wel op de daken van gemak. Met pret in petto in het bed. Ik maak een pirouette in spiraal. Ik daal langs lakens, haal het deken naar mij toe, geef tekens van genoegen. Toe maar, lady, duw en doe. Ik haal uw lichaam open: van uw ogen naar de wonde. Ik verlaat gezond en moe de laatste zonde. Ik verzak en smak nog harder (hola) naar de hemel. Helemaal de max!

13:16 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hemel, lasten, lusten, rust |  Facebook |

13-11-07

zo de ouden zongen, vogelen de jongens

Ik bel hen. Zij neemt op. Verrast en kort van stof.
Ze zal hem roepen. Hoeft niet. Ja hoor. De stappen sloffen weg. De kilte in de gang loopt achter haar. Ik daver door mijn gsm. Verpleeg de leegte. Ik hoor niks meer aan de overkant. Behalve het gebrom, de brutale stilte van de wandklok. Dat ding dat altijd doorgonst, boos op elke afgelopen tijd. De opge-klopte gong van sterven in seconden. Hij komt aangehijgd. De goeie man, hallo hoewist. Zoals het weer dat rammelt. Oud en gammel, barstens koud, zeer onderbenen. Moet genezen, maar wanneer. Anders ook geen nieuws. Behalve het verdriet van elke dag. De leeftijd zit niet mee, de zomer hinkt weer achterop, de winter kan versplinteren. Of ik het al vernam van Rose-Marie, die met haar paar-denstaart van veertig jaar? Ik denk aan repel-steeltje, die afgebleekte del van Nelekes. Nee, niet die pannenlat, wel die felle zwarte. Ze waggelt soms nogal, ze pronkt hovaardig met haar gat. Ze ligt de ganse zomer in de zon. In haar blote boven-lijf. Volgens nonkel Fons althans vertelt. Die weet het van zoiets per ongeluk te zien. Stiekem op de gluurmuur langs zijn haag. Door het gat in zijn cul-tuur. Helaas, ik ken dat bronstig mens van haar noch pluimen aan haar kont. Ze lijkt me anders wel een vrouw met inhoud aan haar lichaamsapparaat. Ik volg de lijnen van het telefoonverhaal en ver-zwijg het sensueel beschrijf. Ik ben een zwever.

Grapje, vader. Ik nam uw tekst weer al te letterlijk, ik zag het sekstheater in de appelgaard. Het blozen van de bomen. Verse pruimen en frambozen, het uitgeperste fruit en honing die van ons vingers druipt. Weet ge nog, denk ik verlegen: waar is nochtans (pertang) de tijd dat ge graag een trage danste, walste met uw Martha? Malse stoten vol bekoring, kerkerotisch door het kletsend dorp. Ver-loren poses sop en Gigi l’Amoroso. Zeven kontjes, zeven rozen heel onnozel. Bosjes schaamte in de grot van namaak-Lourdes. En pret met naakte Bernadette, verzet met Betty naast Maria Maagd (een zakdoek om de kop als boerka). Dertien jaar en één streep haar op onze borst, de oksels blon-ken blank. Vertel maar vader, leg dat mokkel Rose-Marie eens lekker bloot. Ze is pas opgewarmd, te berde op de brem gebracht. Een schotel uit de he-te oven van het herfstpaneel. Pas uit- en aange-kleed in ’t bruin van bleke huid. (Ik pers de poëzie).

Ik ben een uitgewoonde jongen, vader, onbezonnen en verdorven in het stadskwadraat. Uw hart slaat over en ons moeder kan het niet geloven. Ik kom zeker op het kerkhof praten later. Met de stenen van uw graven spreken. Tekens van affectie ket-sen, krassen met mijn nagels en een harde traan markeren. Onze taal is misverstand en aarzeling bij leven. Wat ik van Rose-Marie wil weten is geen story van de cowboy. Laat ze liefde, laat ze strelen wat haar hand begeert. Een mannenmond, een deel of twee verloren billen. En vergeef mij evenredig aan mijn hart. Het klopt weer gillend in mijn keel.

23:21 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boerka, maagd, zakdoek |  Facebook |

10-11-07

zoveel als zeker in de zever van de zee

Je boezem roezemoest. En wat zoiets met mannen doet. Je haalt je schouders op, de lintjes blinken strak. De diepte stijgt en zakt weer weg tot straks. Je weet het van je weelde want je kijkt vertede-rend. Je strekt een been verlegen, legt een glim-lach op je lippen weg. Ik lees je kleren verder af, ik spreek wat klare onzin, onder andere over al mijn streken: waar ik zogezegd geboren ben. Verloren land, het gras was malser aan de overkant. Mijn zelfverkozen eiland, wars van elke heimat. Ik ver-baas je zonder heimwee, steek de brand in onze weide. Vonken op de donkere heide. Geef mij zonde godverdomme. Jij mankeert een reden om mij op te vreten. Door te slikken. Uit te zweten. Spijs- en pijnvertering. Lijkenpikken. Lik en ruk wat stuk. Op de vloer en naar de stenen zweeft je volle wezen. Geen genezing overleeft de hemel. Zeg iets, jiezes. Geef een teken, kerel. Deze tafel springt en slingert van begeerte, keert verlangens tegen beter weten, stampt zijn hete poten onder ons en trapt op te-nen. Zuchten en gezever, weet ik veel. Ik schud me nuchter af, de wind blaast regen door burelen, brengt verwarring in de wereld van ons twee.

Tot plots: het meisje Laura wandelt zonder vragen binnen, geeft zich helemaal en ongeschonden, schenkt ons warme thee. Wij drenken vingers met een koekje, blazen zwoelte af. De storm gaat lager liggen, strekt zijn lichaam open, wit doorweekt van onze lege wonde. Wij zijn nagenoeg bijna tevreden. Nietwaar Lorelei? Je bent het feestkonijn, de zenuw zonder pees. Ik vrees je schaduw, beef beleefd. Je moest eens weten wat dat geeft. Ik smeek je, zet je radio aan, vertel verhalen aan het spel van bleke schaamte (zogenaamd). Zing de roddels uit het raam. De losse flodders. Man met dame ongehoord, verdriet valt van verdieping, kiepert uit de boot. Geen kreet, geen nood en ook geen save our souls.
Beweeg niet water. Staar en laat de sporen droog, vergiet geen traan. Het zilte nat wordt liever zat van onze ziel. Verdrinkt zich van spectakel tot de laatste adem. Grappig is de nadering, de onder-gang. Het net vangt vissen zonder vin noch pin, geen stekels meer. De zee is groots en grot van plotse inzinking. Gesmoord vergeten dringt nog door in ons geweten. Reeds is heden wat geweest is te vergeefs geweest. Ik vraag haar geen gebed, geen achterhaalde zegen en geen teken van vergeving meer. Ik zink gelaten, zonder taal, ik slaap al later, dieper op de bodem van de vrede. Ver in zen ben ik

23:56 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: heimat, heimwee, zee, zen |  Facebook |

07-11-07

ter zake met een onverzadigbare dame

Grossieren in dossiers. Het is me wat. We beuken en we beulen. Uit den treuren. Ondersten uit de kan en uit de kast. We sleuren deze verse eeuw naar up to date. Verslagen over zeven jaren vette achterstand. De virtuele magere sakkeren in ons kas, we vreten aan de dag van morgen. Komt de leegte, én de schaamte, komt de schaduw van de schreeuw naar meer. Wie zal het zeggen, zegt Matrona, abdis-maagd die ons kantoorgemoed af-knaagt  Een troetelnaam voor schone baas en bazig meisje tegelijk. Of ze echt waar over lijken gaat, ik vraag het haar. Ze stapt me razendsnel voorbij, haar tijd is opgedeeld in cijferij en statis-tiek. Tel uit je winst om dik bevriend te zijn. Ik zit wel close als gaar cadaver, vrij onnozel. Gaap haar wandelwinkel na. Haar décolleté is opgevuld met dynamiek, de deining schudt me heen en weer. Ik twijfel tussen lijf en vlees en vrees voor sneren om mijn naverlstaarderij. Hier wordt niet gek gedaan, dit is geen plek voor verder denken aan wat fuck and fun kan zijn. De pret zit digitaal en netto in computer, in de motor van de stuwdrang naar het saldo dat een climax scoort. Ik lees haar bijbel texto, letters die succes voorspellen bij aanvaar-ding. Geen aanvaring met Matrona als de quota volle pond geweldig overdonderend zijn. Zij komt als moederkloek hoog kraaiend klaar. Laaiend nuch-ter in een back up salvo van verlossing om de drempelstress. Haar tepels laten kreten van pro-centen, opcentiemen aan verbetering, ze geven dozen melk en honing vloeit nog meer beneden. Vegen maar. Ik ben de beste dweil, de leerling met een slappe bezem, hark en uitverkoren onbekoor-ling, zeg maar hele uitslover.

Het wil wat zeggen als er nergens tijd is om iets uit te leggen of eens bij te praten. Begin maar hevig door te zweten als er geen beminnen aan is. Ga er ongewild eens aan en naast staan: aan haar zij met grillen. Deze aanpak snijdt geen hout, het raakt haar kouwe kleren niet. Verspreek u niet, zij ziet hier geen verdriet. Zij is een wentelwolk, ze drentelt niet, ze wervelt en ze kerft. Het volk, dat is ze zelf, ze is het centrum van haar spectrum. Ik verdraag de spiegel van haar perspectief. Haar mals gerief walst over mij. Het is behekst, door-spekt met toverij, dat heet onuitgesproken seks. Matrona heeft geen aanzet van besef voor jongens zoals ik, de dommerik in se. Verstomming is mijn deel en deels bewondering. Ik vergeef haar dage-lijkse zonden. Onze dienst is een triomf van peis en vree en pezerij. Het heersend wijf bevriest de losse zeden, kiest voor macro rapporteren en de maxi-malen opwaarderen. Exit mister Vanco. Dixit manco.

14:36 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: exit, macro, manco, minus |  Facebook |

03-11-07

het theater van de warme stadsmadam

Ze hadden gebadderd in de binnenstad. Ik wist het van de buurvrouw. Zij had de klappen horen vallen. Iemand trok een mes. Een ander had gebokst. En Moke zijn gezicht was opengekrabd. Zijn zwarte kop zat onder de spatten, het bloed had in het rond gespoten. Zij aarzelt met de rest, bedenkt zich, trekt haar badjas recht, verzet een glas, gaat dan liggen. Ik zeg niks, ik zit haar aan te zien. Ze is sinds gisteren kort en straf gekapt. Ze bibbert wat. Een sigaret is een remedie. Ik had ook Duvel meegebracht. Een sixpack kon volstaan. Ze komt al drinkend op verhaal. Ik nip voorzichtig van mijn cola zero, zie de schade aan. Wat baat het? Ze is geschapen voor ravage. Spaans en zwart en knap. De mannen kloppen op mekaar om aandacht, om haar lichaam aan te vragen. Van verbazing valt ze dan in armen, tast ze in het donker van een jongen, wordt ze niet volwassen van zichzelf. Ze is het zachte wonder van de nacht die dronken inslaat, vriendschap in kabaal vertaalt.

Ze staart mij aan. Ik geef geen antwoord aan haar trieste lippen, liegen helpt geen lieve zier. Ik zal geen minnaar zijn, geen wekker van haar droom, ik lig niet in haar bed. Ik ben verplicht een biechtvader (ik bid niet), ongenadig als een vriend die zonder adem zit, verraden kan met dwarse daad. Want haar theater heeft mij hard geraakt, ik speel perfect mijn tekst. Ze heeft de stad nogmaals in rep en roer gezet, op hoge stelten afgekraakt. De Grote Markt galmt na van dwazigheid, restanten damp van hetze en gescheld. Een echo en een schets. Ze schiet de kamer uit, ik hoor de douchespuit. Ik raap haar badjas op en doof het smeulen, leg de peuken in de asbak, drink een teug, giet gulzig Duvel weg, de pompbak zwelgt. Ze komt geweldig schoon de living in, een opgeblonken pop, ze inspecteert een spiegel, strijkt een rimpel glad. Ze lacht inwendig en vertelt het nagenot. Ik ben haar navelstaarder, schenk genade en aanvaard.

Ze is zoals ze uitlegt: soms erotomaniakaal. Ze schuift haar dijen uit een rok, verlegt een lok, verleidt een discodanser. Hete kansen hitsen kerels aan. Ze keert haar billen in het rond. Wie kust mijn warme kont, ze flirt en kirt de lusten op. Er komt ambras. Een flits, een mot, een shot, de bliksem mikt een schicht en tikt een kin, een lel geweld, het kluwen velt een vent. Wie belt om hulp, de buurvrouw tilt haar borsten op en snelt zich weg. Ze kleedt zich langzaam aan, geen letsel aan haar vel. Haar lichaam blinkt en zingt de nieuwe liefde in. Ik hinder niet, ik laat begaan. Zij trekt haar rode schoentjes aan, weer uit. Past blitze laarzen en herschikt haar blouse (wikt en weegt de inboedel).

Ik stap maar op, zij tast mij na en kust tot nog eens later. Deze avond start en kantelt, valt in stukken van de nacht. Ik wandel en berust. Geen zeggen aan mijn zus van lichte zeden. Zuchten helpt niet meer. Zij is gelukkig uitgedaagd. De schade is een kater die voor-barig klaagt. De kat komt grandioos ter plaatse klaar.

14:57 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kater, theater, stadsmadam |  Facebook |