30-10-07

de tering om de mening van een meisje

Dag Mia Cornelis. Of was het Ria Ornelis? In ieder geval een kind van weeklacht en miserie. Je schreef me aan, je was gemeen, je beet hard in mijn taal en  in mijn schema’s. Wie denk je dat je bent, Kornelia? Ben je de geijkte verongelijkte, de moreelste middelmaat, het grijze wijf dat niet kan schaatsen op het scheve ijs. Lijk je op je neefje Sven, die met zijn waterbak als onderkin, de radio-gigolo met een grol in elke buik, besmuikt en opge-taterd. Hou je van een goed gesprek, dan ben je blabla voor mijn bek. Met onrespect omdat ik lak heb aan voorspeld gekakel, taterdame. Scharrelkip.

Ik neem hier tijd om diep te ademen. Daverend kom ik op verhaal. Ik krijg mijn doordeweekse fanmail, meestal zijn het naakte missen, schoon misbaksels ook. Ze klappen en ze zappen tegen voorgevallen veertigers. Prettig is hun blote voorstelling. De stouten bouwen op en gaan ten aanval: pak me droog en koud. Ik lees jou, overschatte vrouw. Ik geef twee sneren (meer nog) naar je ware naam (infaam). Je fantaseerde ongevraagd mijn afge-ronde leeftijd. Je begon meteen te kwetteren dat je verpletterend goed gehuwd was. Geletterd en gelukkig. Amehoela, van wat heb ik jou daar! Je trouwboek zal me graag een rouwregister wezen. Je man is vast geen macho-hufter. Anders had hij hard geschoten op je scheldepistel. Nee, hij heeft je laten spelen, dat siert die vent afwezig. Jij was zijn onberekenbare egaa. Ongeremd betweterig van taalmoraal. Je ging geëxiteerd je achterwaartse gang. Je preekte en je smeekte schizofreen. Jij hebt het webluik in je nest misbruikt, scharminkel.

Ik dol wat met je, lieverd. Ik mag je bijna, maar het is wel randje ambetantje, kantje overboord. Ik stoor je met mijn kleren (ik citeer je), mijn manier-tjes, mijn gerief om mij te presenteren. Toe maar, troela, hoepel op met al je trammelant. Ben je som-tijds aanverwant aan K., mijn afgeschreven aca-demica? Ik ben niet kwaad maar radeloos aangaan-de contra-erotiek. Waar zit de vonk in jullie leven? Laat wat billen beven, schud het grillig zweet en veeg het stof van tussen jullie benen. Excuseer mij als ik dweep en derangeer, ik ben een leerling die moet lezen, niet kan schrijven (als jij groot gelijk hebt, nietwaar Ria). Roep en gil maar om politie.

Tijd om korter door de bocht te gaan, ik hou niet van mascottes die mijn stijl beknotten, die om aandacht knokken op mijn aambeeld. Ik beoordeel als een meester die de knecht wil spelen van zijn alter ego. Ik veeg de modder van mijn woordenpad. Ik klop de dolle Mina’s en Ornelia’s weg. En ween.


De avond valt, ik zet de vuilbak buiten. Doe een klapke met mijn nonkel Oscar. Over wafels bakken. In de zandbak zit ik dan, het stille kind van al die jaren. Onmentaal volwassen speel ik. Onnozel als een halfwas nozem die de dames opfokt, kokhalst van moraal. Ik lust geen mores om een verse les te leren, ik vertolk mijn rollen ongestoord, de dwaaste jongen van de klas, vereerd met streken. Veren aan de panden van mijn jas. Die Oscar was een Wilde gast. Een omgekeerde snob, een teddybeer die niet kon mailen. Maal maar verder, maskes, ik vergeef. Het kan verkeren in dit leven. Pak de climax, klim en sterf een beetje. Bij gelegenheid.

Vaarwel aan zedenspelen, moeke Mia. Ik noem je liever Ria Paranoïa. Deze pagina wordt omgedraaid. Ik heb nooit aan je vagina gedacht. Ik verkies de nacht om in te slapen. Zogezegd en zo gelaten.

23:54 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: oscar wilde, ria paranoia |  Facebook |

27-10-07

een stil verdriet: versierd op vrijdagen

Ze heeft verdriet, zegt ze niet gekweld. Zo simpel klinkt dat. Als een frons, een rimpel. Ze kijkt verle-gen weg van mij en zwijgt. De tijd valt uren stil  (en tuurt…). Een traan slaat blinkend van verlos-sing toe. Ik ben een muur die pal staat, sprakeloos en stom gezond. Gewapend van beton, een onge-barsten steen. Geen nood noch oplossing (loser!). Morsdood in materie, harde specie. Ik heb geen-eens een zakdoek. Vraag verschoning. Jong toch, lacht ze met haar natte wangen, glazig doorgezakt van Spaanse zang. Zij praat lamento, langzaam opgewonden, hees crescendo. Hoor ik horzels van verlangen, hark ik leegtes op, de bocht in naar bevrediging? Mijn spiegelredenering, snelle reden, zelfs reflex om heen te gaan. Ik weet het van weerlegging niet. Ik lieg een sprankel, maak een opening. Ik raak haar, lig er ongenaakbaar over, dichte kilometers naast. Ik pak mijn woorden op een loopje in, mijn zogezegde deelneming. Ik ben herinnering, een blinde vlek verleden. Heden le-vend, nogal stevig, liever laf. Ik ga weer aan het werk, een snelle terug naar af. De koffie was een opkikker, de vrouw een appelflauwte van begeerte.
Heer, vergeef mij deze uitgestelde weduwe. Zij leidt mijn wegen in bekoring. Hoort mijn holle taal, mijn tekens van berekening. Zij wankelt en weer-staat. Biedt weerstand aan haar man. Hij leeft nog als een plant die water krijgt en eten en verveling aan de haard. De dagen korten, voortaan valt de nacht reeds vroeger in zijn slaap. Zij gaat de hort op. Ik verken haar in de verte achterop, verslagen maak ik aan (ik zend haar alles na). Ik rapporteer verloren wegen, leg de velden vol met borsten en met benen. Al haar naakte weelde. Teksten zonder volk, de onbekenden, warme wensen en geen mens ziet om naar haar. Haar hart neemt niemand aan, zij verveelt haar eigen lichaamstaal. Een teken aan de zelfkant van de rand. Zij wandelt langs de af-grond van genot. De afgedaalde grot, de neerge-legde vent. Ik noteer en speel niet mee, ik ben een fugitive, een vage figurant. Ik fantaseer de slag-veldseks, haar mals geweld. Een oorlog haalt intiem zijn oorzaak uit een kleed dat valt. Vertoont de wonde van haar lijf. De krijgers hijgen met een pijl.

Ik tik de lijntjes af, ik schrijf mij veilig weg. Verleg mij in mijn eigen graf. Wat is het lijden aan de zij-kant gaaf. Ik ben te goed, te braaf, genadig in mijn schik.  Gekwiekste staat. Ik ben de man van nie-mendal, alleen met haar. Was alles waar (wat ze allemaal verhalen), dan had ik schimmel op mijn ziel, bananen in mijn broek, een dode koekoek die om nagenoegen roept (hij poept niet meer). Het fruit vreet lustig aan mijn vlees, ik heb geen leed aan mijn geweten. Rustig rijdt de trein haar huis voor-bij. Ik staak de strijd, verzaak aan ziekte van de liefde. Gun mezelf geen grief van haar gerief. Ik ben intern een bange hartendief, ik sleep me naar het pad van allerzielen. Pleeg chrysanten op de graven, leg mijn kransen neer. Ik ben een grage misdienaar. Ik bid voor haar.

16:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: haard, lamento, misdienaar |  Facebook |

23-10-07

het zwarte ding dat verticaal kan zingen

Gé en ik stonden perplex. Was me dat een klepper. Onze eieren werden geil geklutst. Mijn eigen beeld-spraak, Gé was solidair onthutst. Wat vertelde zus-je Bé? Verbluft bekeken wij elkaar. Zij herhaalde elke centimeter, hield de hele paal intact. Terwijl haar brave Jo er knikkend bij zat, kolenzwart vanuit Angola. De techno in de tent stond paf, de dansers vielen stil. Alsof een wereldrecord gemeld werd. Flinke dertig in de broek. Een Afrikaanse maat, geen modale Vlaamse maatstaf. Maar Bé beaamde zonder schaamte. Dat Jo-Jo het vaandel hoog draagt als hij aan komt kloppen. Een erectieve de-tective die een diepe analyse wil. Een drilboor en een loden kogel. Falluskrijger, heibel in de klus met beitel. Harde metafoor om als symbool te stoten.

Moker, neger Jo, de beuk er in, je bent een geile stukadoor. Verpak en ram je reuzenboom, pikeer in Bé. De hittekop er af, verneuk de knop. Ontplof.
 

Wij hijgen nog wat na, de sound hervat en Bé lacht al wat blank is weg. Behalve haar gezelschap, ik de bange man en Gé al grappend. Van de slapte en gepeins aan het verstijven. Een verrijzenis in ge-dachten, donkere Jo die hier zijn aanloop neemt, een polsstok in zijn broek. Hij plooit zich dubbel met het rubber om de bamboe. Elk taboe aan flarden. Moeder moest het weten, vader vrat zijn kas op. Het tapijt dat splijt en Bé krijgt meer dan wat zij krijst. Wij vragen of die dadenkracht geen klachten geeft. Ons zusje kucht en zucht verzaligd. Vraagt verzadiging: pikzwart geaard het zaad. Zij valt de donkere parels aan. Ze velt hun zwaarden, knelt de Afrikaanse vent. De ganse tent gaat plat. Wij pra-ten om dit niet te vatten vlagvertoon, de totem die zich laat bepotelen tot hij torenhoog- en hoger neerstort in de malse bodem. Een ravijn is Bé, een blije beek. Ze woont en weekt in een vallei. Haar wei ontvangt Jo-Jo, een spitse nikker. Inswinger. Op- en neerspringer. Een diepsneeduiker, een tor-pedopenistuig. Hij huichelt met geen achterklap, zijn voorhuid smacht. Hij vogelt elke nacht en dag.

Wij twijfelen aan de warme haalbaarheid. De witte soort schiet korter in de hoogte, kromt zich bleker in een boog. Een meetlat ligt niet waterpas op kleuren in het ras. Jo-Jo pakt uit met dit spontaan gezegde. Zeer onwesters echt. Hij fluit daarna met al zijn lippen tot de disco trilt. Als een goeroe van genoegen treedt hij op. Mijn goede gigolo, bidt Bé. Hij doet een trage rondgang, seksseconden lang. Het ding klimt langzaam, priemt zich bloter op zijn buik. Wij huiveren en wij wuiven. Om de stonde van crescendo aan de dertig: lees hier volle centime-ters opgezwollen huid. Genot voor zusje tot ze huilt. Hoe meet je zulke dingen zuiver? Geen be-ginnen aan voor ons. Hoewel een eind voor elke eikel. En racisme is een piemel met narcisme. Très merci Jo-Jo. Je sopje is verdiend, mijn beste vriend.

22:32 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: disco, polsstok, techno, tent |  Facebook |

20-10-07

in de plooi gegooid van mooiste meisjes

Het mooiste meisje van de wereld stapt de trein op. Ik stap af. Een kruising in de tuin van Eden. Zou ze Eva heten? Engel, Angelina of Madonna? Misschien geen naam verdragen op haar huid, een warm gewaad van zuiverheid. Ik krijg een trage nekslag als geschenk, abstract aandenken van haar opstijging ter trein. Haar bips laat sporen na, de wissels worden opgewarmd, de wielen vonken. Ik bewaak het leeg perron en lonk. Zij monkelt, veegt mijn adem van haar mond. En trekt zich op, ze rekt zich langzaam uit. Ik denk aan doorstroming en wit-te stoom aflaten. Bidden is de hitte overdenken, zinken in een bedding. Blonde ridder zijn en redder van het meisje in een bed. Ik leg haar in gestreken lakens van gedachten. En ik glij, bestrijk een plooi. Ontaard in taal als nooit te voren. Zoveel gleuven en een miskleum van een man. Een halte, noodrem, stop. 

Het tweede mooiste meisje van de wereld (annex melkweg en planeten) gaat gewillig met mij eten. Ik verklaar haar mijn menu, leg de voorgerechten uit.  Een voorrecht dat ik bij haar aan kan zitten. Plech-tig in een evenwicht, mijn benen aan haar knie, het kriebelt en het wiebelt, maar ik wankel niet. Zij wikt mij wat. Een koninginnenhapje, gok ik, en ik prik voorzichtig frietjes met mijn vork, stiekem van haar bord. Ik schrok niet, in mijn schik ben ik. Ik drink en eet haar ogen met mijn blik. Wij zitten zalig aan een tafel van de middagstad. De herfst tikt bladwild aan het raam, we zien haast blote bomen staan. We praten en verstaan het weer dat ernstig is. Geen boodschap aan. Wij halen ons klimaat vanzelf naar binnen, laten wind en regen in de kou, we houden onze handen klaar. Tesamen voor elkander.

Alle tijden gaan en komen ergens aan, veranderen, maken dingen, nieuwe mensen. Maar de ziel staat vast, besloten in het donker van de binnenkast: die ons als pare minnaars lokt. Ons hart loopt zingend status quo, van pure zinnen. Ik noteer het saldo, maak mentaal een salto, reken sober met de ober af. Bravo. Een fooi voor zijn teljoor, het bijbehoren dat in stilte smolt. Wij liggen daarna in een kamer van verlangen, verblijven lijfelijk in de zonde van ontijdigheid. Oase in de stadswoestijn. Ik tel de sterren van dit streekhotel. Zij schittert enig en van weelde in haar veelvoud, mede van vermenig-vuldiging. Wij delen in ons lief en leden, tellen lucht en zuchten, winst op wederzijdse rekening. Een streling en een rilling, alles wat ik wil. Voor één keer geen berekening. Mijn kansen keren in dit leven, ook mijn wensen komen uit. Wij tuimelen door de kleren, rollen buiten, remmen los. Wij zweven en wij houden alles vast. De wolken en het volk met ver-ser weer. Generen is negeren op zijn kop gezet. Wij revolteren tegen afgezogen zeden, wie nog klaagt is afgezaagd. Begeerte is een leer die niet zal rim-pelen. Wat kan ons verder deren of verhinderen? Wij zijn gedefinieerd beminde kinderen, swingend door dit lieve leven.
 Lust is steeds gerust geweten.

13:47 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: oase, koninginnenhapje, eden, eten |  Facebook |

16-10-07

herfst verandert hard van hartenzeer

Dit was de laatste zonnendag, verklaart ze mij. Een openbaring, geen mirakel. Ik zag de stralen in haar blouse, ze botsten op haar hart en ketsten vol ge-nade in mijn ogen terug. Verblinding ongewild, ik tastte naar mijn adem. Ik begon me af te vragen: waarom ik zo laf met haar wou praten? Zij was een aarzeling. Niet van deze aarde. Hemelstelsel in haar weke rechterklep gestrand, een scherf had aders afgeketst. Organen aangeraakt, vitaal. Fataal een oorlog ingezet, intern de boel in vuur en vlam ge-stuurd. Raket in bed ontploft en rakelings nog een kop onthoofd. Dat komt er van, of niet indien de minnaar zijn manieren kent. Een man verknalt al gauw een gave vrouw, geen knieval die zijn liezen siert. De opgehitste hartendieven fucken madelie-ven. En vernielen boterbloemen met hun blote bil-len. Het tapijt van gras ligt plat, geplet in zak en as. Moeras van mannen, seksambras. Epistel zon-der evangelie, streling achteraf bleef grappig ach-terwege, miste tederheid. Geen plak genegenheid. De algebra, de alfa en de omega van elke omme-gang in liefdesland. Wat griefde haar? Niet ik of mijn versieringslied. Misschien de ongeliefde die mislukte in zijn wiskunde, haar had opgeteld bij al zijn overschotten. Deling na vergeten komma. Af-getrokken sap van axioma’s. Cijfers als bewijs van gans zijn ongelijk. Zij rekent mij procenten uit, een teken dat haar vent is afgeteld.

Ik leg de witte herfst het zwijgen op, ik schenk haar wijn van groot begrip. Dit is een middagtrip, een kortverhaal, geen werkmoraal. Ik ben een op-gefokte zaag, vraag ongenadig naar haar staat, haar lichaamstaal. Ik pak de bladeren bij hun ner-ven, regel schaduw op de ballustrade. Ik betrap, ontwijk gelijk de eerste traan. Ik ben een huiche-laar en ver van huis, ervaring zat. Dit meisje komt me niet vertellen wat ik niet voorspellen kon. De kwel en kommer. Builen met een bluts, de motor wordt verputst, de brommer sputtert. Ingerukt.

Verdomme, jong, vervloek ik inclusief mezelf. Ze is bedroefd, beproefd. Zie wat ge met uw woorden doet. En hoe ge toten trekt, ge gaat goedkoper op uw bek. Ze kijkt naar mij, haar harlekijn. Ik waan me mannequin, wat zal het zijn? Venijn als nage-recht of mosselen met azijn? Vergeef me meisje: ik ben zoveel kleiner dan je denkt. Ik ben een nulliteit. Een snul die rokken oprolt in de zomer, maar het najaar nalaat af te dekken. Ik ben een lul die vlug vertrekt, vertelt van terugkeer in de winter. Inkeer is mij vreemd als zwarte sneeuw. Ik smelt terwijl ik geeuw.

21:31 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boterbloemen, hartendieven, madelieven |  Facebook |

13-10-07

de avond spat plots solo van de tafel

Ik had wat slappe waren in mijn Spar-tas meege-bracht. Volk verwachtte ik vanavond niet. Daarom kon dat één glacé-gebak volstaan. Gelukkig waren ze per twee verpakt. Dubbele hebbes. Dat wordt lekker smikkelen. Als de bel per ongeluk afgaat, geef ik wel belet. Behalve als het Betty is die rin-kelt. Die kent mijn klein gebreken. Maar ze zal niet bellen. Betty doet het liever met dossiers de laat-ste tijd. Ze ligt van halveracht te spartelen in haar slaapbureel, ze plakt aan actes en verwante tek-sten. Ze citeert verdicten en vertikt haar huwelijk-se plichten. Met plezier, verklaart ze mij. Onzedig aangebrand klinkt anders. Enfin, dat is haar eigen ding. Zoals met die dildo van papier. Sorry, dat is een sterk verhaal van op mijn werk. Een story van de girls on friday. Dat beschrijf ik blozend in een volgend item. Ik kan het zelf nog niet geloven. Hoe was zoiets mogelijk?

Ander onderwerp, maar eigenlijk van hetzelfde avondlijk gebrek. Gerda is op verwendag met Fran-sien, het weelderig machien van lang geleden. De leden laten strelen. Ergens tegen Edegem of was het eerder Ekeren? Ik mocht niet mee, ik had geen onderlinge overeenkomst. Ze hebben liever dat een dolle bodyman masseert, een bruine beer met spie-ren op zijn eelt, bermuda om zijn reet. Wat maal ik om een jongen die hun lichaam mag soigneren, ik verkies hun ziel. Daarna neem ik de benen en nog sneller al de rest. Grapje Gerda. Ik zit hier moeder-ziel alleen. Ik kweel en doe precies alsof ik ween. Ik sprokkel en ik tokkel door.

En denk aan Doloroosje. In het donkersombere Vil-voorde. Dat is een brug te ver, een dal te diep. Ze hangt vannacht ellendig over elke reling. In een afgrond van verdriet, ik zie haar ogen, maar ver-draag haar tranen niet. Ontwaar platonisch nattig-heid. De ramp komt onafwendbaar nader. Ik ben een navelstaarder, halve gare van haar werkomge-ving. Ornament, paradepaard. Nog laffer dan een ambtenaar. Ik ben de bandeloze held, een bendelid. Vertolk de aftocht van soldaten op een slagveld. Kolf gebroken, kopje onder golven, zwalpen zonder zwaard. De armen vol met woorden, maar een zachte moordenaar. Een doder in zijn hart en klo-ten, schone Doloroos. Het dondert in je borsten, alles klopt verdwaasd. Bewaar de warmte in je aders. Je verstand komt later klaar. Een man is graag genade, vaker nog verrader. Afgezaagd verhaal.

Ik vraag het aan Suzanne. Wij zijn tesamen klanten van de Spar. We zitten op een bank te lachen ach-teraf. Wat zij meemaakt met haar nonkel Frans. Allee seg, dat kan rap verkeren. Spreekt zij uit de dekens, deelt de lakens mee met mij. Gebenedijd is zij, gezegend is haar lijf. Ik stap weer opgetaterd voort. Zij blijft mij zeer genegen, maar geen spar-ring wijf om op te vrijen. Ook haar mankelieke leef-tijd zit niet mee. Zij kon mijn tante zijn. Een vrouw van kolkend bloed. Van blote boete na genoegen. Ik begroet haar hier, verlaat pikant mezelf en elke nieuwe liefde. Ik verlang ervaring op vertrouwde tast. Verman me plechtig, zet de tanden verder in houvast. Ik word een dagje stouter, trouwer met een dame.

13:14 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: suzanne, dolores, betty, fransien, gerda |  Facebook |

09-10-07

die troela heeft ons goed bedot begot

Ze komt er niet meer in. Dat staat hier afgebeiteld.
Als een heipaal. Wij willen voortaan geen gedrein, laat staan geteisem in ons huis. Wel geruis van peis en vree. Geklater van een waterval, een kaars ont-branden. Houden van elkander. Dansen en bedanken dat ze niet meer langskomt. Afgehandeld. Ze moet ons ’s zondags ook geen pistolets meer presenteren. Of met pateekes paraderen. En met ons konten draai-en in de canapé. We zien haar liever broodjes smeren hogerop. In haar eigen heimelijk kot.

Het was ten onzent afscheidsronde. Het is verdorie schoon genoeg geweest. Dat hebben Bé en ik beslist, op ne geile ik en gij. Hevig zedig, zoals overeengeko-men. Wel gedachten opgevraagd aan Gé. In de boch-ten achteraf. Die reflecteerde zich bedachtzaam. Of betrokkene een ongelukkige jeugd verteerd had? Ach, die vrouw is vleselijk oud geboren. Niet zo lelijk, maar een elitaire deerne. Wijzer als het wreedste wijf, dat denkt ze. Intellectueel terzijde even.

Hemeltje Cé, ge zijt een breedsmoeltroela. Dat ver-klaarden we aan Gé. Ze stemde met ons mee, niet eens bedeesd. In latente fine, dixit Cé. Maar dikke fixit, want er zit een flinke snee op onze mening. Neem nu dat werk van Cé. Confecteren en maskere-ren. Ze leidt projecten non suspecto. Aan haar rek-ker, denk ik dan vanzelf. Klasseren doet die heelder dagen. Klaceren. dee kast  die. dan. leidt projecten non suspecto. t ze, intellectueel, peinst ze.aften in en uit een kast placeren. Zij drukt zich binnen bij meneer Dédé, den directeur. Ja, met sloten koffie of met thee. En op haar sloffen afser-veren dan. Dat dat mens zich niet generen wil. Zij abstraheert, zo schreef zij mij. Ik geeuw soms rapper dan een haas kan stappen. Of ik haar laptop als een telraam af kan stellen, in haar binnenkamer klappen wil? Ik weiger als een welbeminde afstandsman. Een trage doorstapper. Tis helemaal gedaan. Ik zeg vaar-wel als tegenharker, stap met hoge laarzen door haar etalagestraten. Langzaam bak ik balen stro van haar paradetaal. Gooi ik haar pretenties in het hooi. Met hopen mest nog achterna. Ze is me wel de laatste merde.

Dag aan alle ongeslapen nachten, Cé. Je weent je wekker met spectakel wakker: het vervalst theater van je val en opstand. Schaamte voor je normen, al je waarden treffen blaam. Vermeld me niet meer in je sms-verkeer. Verbeeld je zelf een schizofreen en transpireer injecties door je ego, inhaleer de hele image building. Krakeleer je vellen, vreet je hersens op. De herfst werpt rotte bladeren in je bed. Je kop blinkt weg van gel-blasé. Je schmink verdrinkt. Och-arme kind.

20:46 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gedrein, geteisem, heipaal |  Facebook |

06-10-07

alma mater mals verzacht met dolorosa

Donderdagavond, tromgeroffel op het Sportkot. Spreek beleefder I.L.O. Onverkort eerbiedig uitge-schreven als het Instituut voor Lichamelijke Ontwik-keling te Leuven. Dat weet ik plechtig afgeketst van zot Andréke, hoofdportier en eerste bode van de hordes. Gokje wat hij ook mocht wezen. Grapjurk voor verwijfde jongens en gelijkgestemden. Hij verbeterde me in het verleden aan de balie. Blafte dat ik voor een kot terecht kon in de stad. Het waren hopeloos de-zelfde tijden als vandaag. Fataal barbaars, voorspel-baar graaf. André is afgetreden, wie weet overleden. Ik gedenk hem bij het ver gebrom, noteer de donder van de avond. Ik verken het donker, waag mij nader. Zet het op een dichter loopje als ik witte schorten zie en tricolore petten. Officiële mensen in een pretpark rond de piste. Zij bevelen kreten aan zoiets als dron-ken dieren. Sorry beestenvrienden, ik vergis mij hier. Het blijken ladderzatte slierten. Lamgezopen, omge-vallen kruipstudenten. Handen onvast aan de hielen van de voorknieler. Onderdanig lallend in de modder. Moeder, waarom leren wij? Studeren is een repete-rend lachertje. Wij steken onze rok en onze broek af.

Schachten zoeken puberale afgang, woekeren lang- en lijdzaam in het slijk. De petsergeanten pletsen op een blote dij, het geil verschuift en glijdt voorbij. Een klets voor wie de kop opsteekt, de trommel geeft het ritme van het nieuw sadisme aan. De masochisten zijn een makke brei. Ik ben een kijker en een opschrijver, de tijd braakt traag voorbij. Ik bevraag de kapo’s van het sporterskamp, geef verbaal een stamp aan neo-nazis. Ik negeer hun klein verstand, vergis mij simpel in dit vaderland. Een armer Vlaanderen, achterland, plezant van knarsentand. Maak aanspraak op een dooppolitie. Of een burgemeester die hen mores leert.
Nietwaar Dolores? Zij is een dame die bestaat, ze is de zuiverheid, het onvervalste verse zuiden. Fruit van eigen bodem, pletwals van het perziksap. Een nood-remedie tegen zeden van de nozems en onnozelaars. Wie niet horen wil, die voelt haar niet. Zij is een meta-foor, een Doloroos, een meisje mals van wortels. Hou van haar, soldaten van de harde sociëteit, vandalen van vernedering. Kruip voor haar, sta recht, gespuis. De schoonheid van een vrouw verdraagt geen laag-tes, vraagt respect. Ze draagt verheffing uit. En treft genot. Ze doopt met blote boezem. God, wat is ze ongeweldig. Zelden heb ik lelijk zo met zoete inborst vergeleken. Zot Andréke had dit evenredig moeten weten. Vieze streken op zijn uitgestrekt terrein, de universiteit van pijnen en venijn. Ik pareer de Alma Mater met een Tante Dolorosa. En hanteer de kapstok van gewild geluk. Mijn dromen zijn bedrog maar geen verboden drug. Het hoofd blijft helder, buigt niet voor geweldig spel. Ik doop mij met geboden van Dolores.

10:19 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolores, alma mater, dooppolitie |  Facebook |

02-10-07

rond de tafel met madonna en de jongen

Niet dat we met rasse schreden naar de Lange Trappen stapten. Borry strompelde immers mee, de mankeliekste kunstenaar van Leuven. Een schilderend uitgesteld genie. Hij is zijn tijdelijk weggespatte zelfportret. Hij trekt zich krommend van café naar staminee. Doorgekrukt van herberg naar taverne. Wij zijn de ondersteuning in zijn opzet, duwen zonder nukken, sleuren al zijn lieven mee. Bijvoorbeeld zwarte Belly. Zij is de felste. Lekker stuk rebel. Anders dan model Loretta, stil aanwezig, minder expliciet, subtieler het gedacht van Borry. Zijn bierblik piekert zich een ongeluk. Hij verzinkt van weelde in de vrouwenlust. Maar hij passeert Caro, hoe zou dat komen? Is er geen beginnen aan haar benen? Hoe krijgt hij al haar blote billen koppig op zijn ezel? Mijn probleem niet. Ik ben een halve gare in de letteren. Spetteren is voor andere kwasten. En Caro trekt op met professoren, bingo voor de academici. Borry is een erotieke boeddhistieker. Solotist.

Gelukkig is hij rustig, niet te stuiten. Waar de Duvel wenkt, schenkt hij ons zijn glimlach in. Charmante man met gulle luim, een schuimkraag van plezier in zijn gilee. Maar eerder vrolijk ingetogen, dikgelaagde ironie die pruttelt in zijn buik. Geen spat sarcasme uit hij, elk cynisme slikt hij in. Zijn humor sputtert soms naar binnen. Pruttelt impliciet, de gêne van goedlachsheid. Jongensachtig draaft hij door, met schalkse ogen, karig in zijn woorden. Mager en tevree met overleven in de marge van de stad. Wij kwamen hem zodoende tegen in gezel-schap, op zijn zaterdags met Belly. Wat ging ons lady wild tekeer. Het was weer Pieter die de pispaal was. Te stom en simpel ingepakt op een teevee. Te kakken voor het volk gezet, voor dranken- en voor damesland. Zo sprak het volkse evangelie. Volgens vranke Belly. Kater voor de jongeman. Geen kat keek mee, althans dat dachten wij. Maar nee, verklaarde Belly, deze stad zat op zijn roddel-gat. De schande werd een rel aan onze tafel. Arme Pieter schaamde zich voor niets. Was kranig met trappist. Dronk nog bleker door. Deed hij gisteren even donker, vertelt hij zijn relaas gelaten. Maar de week voordien bekwam hij van verbazing in de jail. Hij toont de sporen aan zijn dronken polsen. Mededeling: heeft een kind verloren in de vorige eeuw. Geen medelijden tonen wij, wij worden in ons koude zweet gepakt. Toch redt Borry nog het ogen-blik, hij monkelt ons eendrachtig. Belly etaleert haar talen, gaat met misbaar overstag. Ze zwiept een zatte Pieter kladden modder naar het hoofd. Ze matigt zich.

Vendetta in de binnenstad, de vetes en intriges van de opgefeeste stedeling. Een serie van vervoering en bezoedeling. De rook hangt om de roes. Ik neem een loopje met Loretta, noem haar engel en mijn redding. Sorry beste Borry, ik kan ons Belly hier niet helpen, zelfs geen centiliter meer ten beste schenken. Als jij slome Pieter droger stimuleren wil, geneer je niet. Hun diepte van verdriet ligt wenend in een tweelingwieg, weegt door van opgezopen tranenzat. Zij zijn de zelfverklaarde wezen van de wereld, weke telgen van een lallend paar, de trotse volgers van een rollend vat. Het bierenvolk zingt rock met koning alcohol. De snik zit in de slok. Dit slot bedrinkt zich met begrip, geen borrel wrok. Een boodschap ook: hef op die kop, met koffie. Zonder morsen enzovoort.

22:06 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: madonna, engel, redding |  Facebook |