27-10-07

een stil verdriet: versierd op vrijdagen

Ze heeft verdriet, zegt ze niet gekweld. Zo simpel klinkt dat. Als een frons, een rimpel. Ze kijkt verle-gen weg van mij en zwijgt. De tijd valt uren stil  (en tuurt…). Een traan slaat blinkend van verlos-sing toe. Ik ben een muur die pal staat, sprakeloos en stom gezond. Gewapend van beton, een onge-barsten steen. Geen nood noch oplossing (loser!). Morsdood in materie, harde specie. Ik heb geen-eens een zakdoek. Vraag verschoning. Jong toch, lacht ze met haar natte wangen, glazig doorgezakt van Spaanse zang. Zij praat lamento, langzaam opgewonden, hees crescendo. Hoor ik horzels van verlangen, hark ik leegtes op, de bocht in naar bevrediging? Mijn spiegelredenering, snelle reden, zelfs reflex om heen te gaan. Ik weet het van weerlegging niet. Ik lieg een sprankel, maak een opening. Ik raak haar, lig er ongenaakbaar over, dichte kilometers naast. Ik pak mijn woorden op een loopje in, mijn zogezegde deelneming. Ik ben herinnering, een blinde vlek verleden. Heden le-vend, nogal stevig, liever laf. Ik ga weer aan het werk, een snelle terug naar af. De koffie was een opkikker, de vrouw een appelflauwte van begeerte.
Heer, vergeef mij deze uitgestelde weduwe. Zij leidt mijn wegen in bekoring. Hoort mijn holle taal, mijn tekens van berekening. Zij wankelt en weer-staat. Biedt weerstand aan haar man. Hij leeft nog als een plant die water krijgt en eten en verveling aan de haard. De dagen korten, voortaan valt de nacht reeds vroeger in zijn slaap. Zij gaat de hort op. Ik verken haar in de verte achterop, verslagen maak ik aan (ik zend haar alles na). Ik rapporteer verloren wegen, leg de velden vol met borsten en met benen. Al haar naakte weelde. Teksten zonder volk, de onbekenden, warme wensen en geen mens ziet om naar haar. Haar hart neemt niemand aan, zij verveelt haar eigen lichaamstaal. Een teken aan de zelfkant van de rand. Zij wandelt langs de af-grond van genot. De afgedaalde grot, de neerge-legde vent. Ik noteer en speel niet mee, ik ben een fugitive, een vage figurant. Ik fantaseer de slag-veldseks, haar mals geweld. Een oorlog haalt intiem zijn oorzaak uit een kleed dat valt. Vertoont de wonde van haar lijf. De krijgers hijgen met een pijl.

Ik tik de lijntjes af, ik schrijf mij veilig weg. Verleg mij in mijn eigen graf. Wat is het lijden aan de zij-kant gaaf. Ik ben te goed, te braaf, genadig in mijn schik.  Gekwiekste staat. Ik ben de man van nie-mendal, alleen met haar. Was alles waar (wat ze allemaal verhalen), dan had ik schimmel op mijn ziel, bananen in mijn broek, een dode koekoek die om nagenoegen roept (hij poept niet meer). Het fruit vreet lustig aan mijn vlees, ik heb geen leed aan mijn geweten. Rustig rijdt de trein haar huis voor-bij. Ik staak de strijd, verzaak aan ziekte van de liefde. Gun mezelf geen grief van haar gerief. Ik ben intern een bange hartendief, ik sleep me naar het pad van allerzielen. Pleeg chrysanten op de graven, leg mijn kransen neer. Ik ben een grage misdienaar. Ik bid voor haar.

16:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: haard, lamento, misdienaar |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.