28-08-07

een meisje tegelijk een vrouw en jongen


Ze is onbeschrijfelijk de mooiste jongen van de regio. Het keiverzachte meisje met de glimlach die niet aarzelt. Ik verklaar me nader omdat hieraan een vage daad voorafging. Het was eens ochtend, onverwacht geboren op een zondag. Wij ontwaken onberekend, onbekend is niet bemind, onwetend zijn wij van mekaar en van verlangen. Wij geraken ijlings zij aan zij op straat. Ze wandelt mij voorbij en kijkt mij achterna, net als ik in haar zwarte ogen word betrapt. We praten onze passen naderbij, een afstand zonder schaamte, alles op de eerste tast. Wat kan ze overweldigend vertellen. Ik verleg mijn ogen op haar heleganse lichaam, vraag haar wat ze wil beloven. Dat dat er kilometers over klinkt, het komt niet van bekoring deze lapsus. Ze betovert, overrompelt als een schone borstenboy. Ze lijkt wel opgestaan als Lola van The Kinks, een lekkersekse andersmeid, een lijfelijk androgyne lady.  

Het verhaal ontaardt plezant onevenredig. Maan-dag kwam en dinsdag ging, de afgezaagde liedjes, grondig opgesomd verdriet, de week een lange li-tanie. Zij schreef zich verder als een nestel in de knoop door mij. Wat wil het lieve kind, ik kan niet zingen, droevig is mijn melodie. Zij camoufleert een symphonie van bang verdrongen dromen, opgebor-gen als een wankelklank. Welk mensgeslacht wil dit aanhoren? Ik confronteer haar plots, forceer een opening. Zij likt haar wonde, kijkt geschonden, zegt aan derden dat ik hoogstens achterbaks ben en een schoft. Zij kraakt mij zonder spat compassie, ongenadig hard. Zij smakt mij met verbaal ambras ten gronde.
 Meisje, zwijg mij voortaan even. Je bent totaal onhaalbaar, ongenaakbaar door je taaltalent, een intellectueel theater, een façade voor jezelf. Vooral dat laatste moet je laten, speel je kleren bloot omlaag en toon je ware aard. Dan word je warm en pakbaar voor de klare grijppartij: voor wie je geil begrijpen kan, met inbegrip van al je billen, grillen en de dingetjes die trillen. Want dat wil je wel, indringend haastig, dadelijk liever met een meisjesvriend intiem.

Ik zie je naakt karakter, alles klaart zich kwijlend dubbel, waarom buk en buig je niet, bezwijken mag. Je lijdt vergeefs je ijle ziektes. Niemand is je eigen schuld, ook ik niet inclusief. Zo beken ik iets brutaal vandaag. Je ziet me wispelturig misschien zitten, ik zeg je impulsief en onbeschaafd: zie je zelf eerst sneller graag. Weet immers wel, het betere minnen-spel begint het beste in onszelf. Ik ben een toege-geven zaag, je vraagt er in extremis naar.

Verschoning mooiste specimen, je benen zijn de speelse stelten van een ongenoten grond. Als deze hongermond volhardt in onvoltrokken zonde en je jongenskont versombert, breek dan mateloos uit je malse onderbuik. Bespeel je soort- en tegenstoten vrolijker. Je hebt helaas geen aangehechte kloten, maar geteelde ballen aan je halve mannenhart. Dag genegen zeer geniale dame, gekke maagd van on-bevlekt behagen. 

19:53 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: specimen, androgyn, minnenspel |  Facebook |

25-08-07

verstilde vrouwen oogsten in augustus

Zaterdagnamiddag. Deze stad plakt warm. De stra-ten dampen, zwalpen van augustushitte. Mensen zijn zo landerig, zo moe, verlangen naar verfrissing. En naar liefde, naar september. Augustus is te on-genadig, maand van geen erbarmen. Alleman ziet dit heden eenzaam (dat bedenk ik). Betty knikt, bevestigt elke vaststelling. Zeer minzaam groet ik haar. Ziedaar de fiets met Chrissy, die remt af, een minirok verstrakt. Dan komt het meiskemijn de bocht om. Gerda lacht. Wij overleggen. Wie is klaar voor wat, waar ligt het pad om op te stappen? Onze wegen splitsen, Chris en Betje gaan een kaartje leggen, in de handen klappen, tranen plengen, wijn verdrinken, knap zijn en bekoorlijk. Ik hoor hun kreetjes die de week bespreken. Alles zat weer tegen, mannen zijn een hoofd vol mokerslag, een hoop ellende. Gerda maakt een grapje, gaat parmantig zitten. Kruist de bruine benen, factor zeven, zonder fantaseren. Laarzen sluiten om haar kuiten. Kleedje van La Dolce, kapsel met een sexy klak. Ik kwak mij naast haar op de wolkenkrabber, ons balkon bereikt de hemel. Kijk, beneden dansen lang verlengde benen. Is dat die opgewonden éne: jong-olympische atlete? Gerda gokt en monkelt, ik speel pokerface. Wij hebben zicht op Caroline, zij loopt het drukke burenduo op het lijf. De boezems botsen, kopjes kussen, een drievuldigheid bepraat het ongeduld. Geen onverschillig ongeluk verdient hen. Wij bespieden en genieten, Gerda en haar ik-man, onderschrijver van de trage tijden. Grager had ik blije bloemen in de groep gesmeten, ik ontbeer een beetje lef. Of lief en leed, beweert mijn strak gelaarsde (rappend): raap restanten op, vergeet geen wonde dicht te smeren, striem de grieven plat. Ik streel haar adem, weet niet waar mijn handen zijn gebleven. Wij verspreken oud belegen maanden naar de vaantjes, lopen door naar Betje, Chrissy en Caro. Illusioneren wat. Ideeën associë-ren hete vrede. Wij verzamelen ons en onze dran-ken, stichten een terras. Wij lichten glazen op en praten vranke taal, de zomer schaamt zich nog. Caro gaat liggen in het gras, zij plukt de blaadjes, steelt geen planten. Gerda is het tafereel genegen, giet de wijn in blanke handen, Chris en Betje likken zich de vingers. Ik verdwijn, het aanschijn van een zwerver die de breekbaarheid afschrikt. En toch gelukkig is, gebreken deren niet. Het onbelang lost op. Zodat de zomer en de oogst en schone ogen samenkomen in de lommer. Vrouwen houden van.

 

09:50 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: betty, caroline, chris, gerda |  Facebook |

21-08-07

een kraker wreekt zich op mijn botten

Vandaag verwijl ik in het Heilig Hart. Dit hart heet niet vrijblijvend heilig, het vestigt ook sacraal een hospitaal. Van goeie katholieke origine. De nonne-kes zwaaiden er decennia zwart hun rokken, graai-den klepels, scepters en scalpels. De Leuvenaar van welgestelde huize zet gewoonlijk niet zijn snelle poot op hoge bodem, in casu Gasthuisberg: wegens te gevaarlijk vrijgevochten, academisch zondig pro-gressief. Dat stamt van traditionele tijden die her-boren bij de nieuwe bourgeoisie behoren, een over-leving sijpelt door. Er is voor- en tegenstroom. Mijn geval gehoorzaamt aan de overmacht. Het dokter-vrouwtje uit de buurt bestuurt mij langs haar knus-se hart, ze doet aan christelijke deugd, geniet ge-neugtes van de naastenliefde. Zo kom ik op devote plaatsen, groet het kruisbeeld in de wachtkamer. Dag murale jongeheer, ik roep een tandentrekker voor die spijkers in uw lijf. Een schrijnwerkvader voor de nagels uit uw Christuskist. Mooi blijft het mysterie, Jezus spant de kroon. Ik ontspan, ik ben een toonbeeld van karakter, zoals de zoon. Maria Magdalena mag mij niet verleiden, ik kan hier niet bezwijken. Kansen keren later weer. Het meisje aan de balie schminkt haar gothic ogen. God gedoogt, hij wikt en hij beschikt. Ik zie dat zij inschikkelijk halve bollen bloot aanprijst. Aanbiddelijk is het op-bod tot verleiding, ik doe geen krolse knieval. In mijn kronkelruggen hurkt een hels gewelf, een fa-cet dat elke pret bederft. Ik kom om elke pijn te epileren. Lady baliemeid, vergeef mijn tegenmerg. 

Het spijt me dokter-specialist, ik ben een manke-lieke tist, een kwiet die zijn gewrichten niet be-dwingen kon. Vandaar mijn mankementen. Ik ben al weken malcontent. Kan dit potenties schaden, krijg ik een patent op intellect, word ik onredelijk erg in-teger, het tegendeel van kinderen van de rekening, een kleine compensatie voor de lasten? Wat ik kostbaar kan betalen, baat mezelf misschien en schaadt geen arts. De witpakman zweeft zwanzend over zeven wervels. Ter zogezegde snelgenezing, is zijn schertsende bewering. Ik fantaseer zomaar, hij verpleegt mij plechtig, legt mij naast zich neer. Hij kraakt een open barst ter plekke. Vat de botstruc-tuur op plaatsen lukgeraakt. Waarom heb ik haast en angst? De dokter is een osteopaat vanuit het knocktheater. Hij klopt wreed vorsend op mijn tere ruggegraat. Ik ben een hardgebakken zeveraar, ik verklaar de weerstand aan mijn kraker. Hij verzet zich op zijn hoge poten, hakt een laatste slag, ik voel karatesporen door mijn kaken stomen. Oorlog is een eiland vol van pijnen in mijn hoofd. Ik spreek geen klacht, ik ga guerilla plegen in mijn hart (dat grimmig lacht). Mijn inborst is een krachtenkorst. De osteopater is als God de Vader, onbegrijpelijk in zijn daden. Ongeestig als een oplichter: betekent meesterlijk als een mensontwijker. Grote dorst van ongelijk krijg ik (gratis) van hem. Hongerend is mijn ongeloof, van smarten overbodig. Geen spat ver-lossing volgt me. Kromgebogen sleep ik kruisen naar de buitenweg, de sluipstegen. Mijn huis is waar mijn zetel kruipt. Hallo bekend plafond, hier ligt patiënt-enjong. Een ongenadig uitgetelde vent, vertel hem.

23:39 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gasthuisberg, heilig hart, leuven |  Facebook |

18-08-07

borsten worden opgeborgen in het bos

Vanessa Hoefkens draagt ververste borsten. Het oude nieuws stond in Het Laatste Nieuws. Ik las de inboedels zonder beroering, het zijn mijn zaken niet. Wat als dat boezemzaakje hangen gaat? Mijn ge-dachten zakten naar haar navel, stopten plots, een kwestie van beschaving. Ik verveel me wel eens in-tellectueel, verbeeld me dat ik speel. Zoals de man van borstenmieke, Carl met de voetbalhoeven, euro-multi-miljonair, de prijs voor een depressie van Va-nessa. Vertelt ze zelf. Ik weet niet wat ik denken moet, het geeft me wel gevoelens. In extenso als ik de kolom annex aflees. Overstroming in Manilla. Met een foto. Vrouw waadt door het water, trekt een plank carré. Een man zit op haar schuit, twee zakken huisraad op de schoot. De ondertitel laat het water stijgen. Ik leg het indirect verband. Meloenen en mil-joenen, drijvend voedsel, opblaasbootjes, blonde stoten, comfortloezen, vrouwen in een sopje op het droge, moeders in de overgang van kant noch wal. Miserie troef en waarom leven zij en wij? Het ant-woord komt van dikke Debby, een debiele Pfaff. Ze pronkt onzinnig op een ongevraagde pagina. Ze gaat haar tieten bomvol laten schieten, kort verdriet zit in een tettentent, de B-cup is een opstap voor een maatje meer geluk. Wat kost het vlees aan volle pond, gezondheid is een hoopje geld. De domheid van de opstootpraat. Verhalen die ik gretig lees. 

Ik dweil de straten af en toets mijn theorieën aan de stadspraktijk. Ontwijk de rokken en de blikken, doe alsof ik blind ontloken ben. Man vertolkt een kind. Ik bots onzacht op haar. Zij demareert, maar ik char-geer. Ik neem een loopje met haar blik, twee bambi-ogen boven lenig lady zijn, een blonde hinde die een droom ontstijgt. Ik vraag verlegen naar haar tijdver-drijf, dat ik haar borsten alletwee herken, haar buik nog ruik. De reuk van jonge beuk, de grillen van een wilg, de plotse onwil en de grote treurnis. Ze woont nog in een bos, ze duldt geen wolven meer. Ze hoedt de schapen, voedt een lam, gaat slapen als de golven vredig liggen: de wolken die haar hoofd omringen. Ze rookt geen onraad meer, ze stookt gevaar in brand. Geen sores aan haar hart, geen part of deel van mij. Ze heeft gesproken, met een lach de nostalgie door-broken. En het sprookje weggesprokkeld. Brokje me-dedogen afgestapt. Ik kijk haar billen achterna, een spleet van spijt. De tijden zijn veranderd, maar het kleine lijden blijft. Het scheelt een reet verdriet, her-innering aan verhitte binnenkant. Een kreet, een dro-ge schreeuw, het bos schrikt op. De vlinders vogelen.
 

22:07 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lady, bambi, lam |  Facebook |

15-08-07

het raadsel vlucht langs radeloze rug

Een mens ligt dan met al zijn benen uitgestrekt de stekker van het hoofd loopt weg naar nergens alles trekt en sleurt de dagen uit mijn trage nekvel rek ik nogmaals elke rug en ondersteun mijn slappe armen met mijn laf gedacht aan hopelozer leven wie ge-neest dit lege lijf en moedeloze leden dokter ga toch zitten spreek eens tegen mij zo schoon uw bekkenslag waar hebt gij dit model geleerd geneer u niet ik ben geen overspeler ik ontken de vaste regels niet of valt dat ongelegen smeken doe ik zonder grief bespaar mij iedere preek gij weet wel beter voel mijn afgelegen wegen niets leidt heter lijden zonder meer zeg eens tweemaal minder dame zonder naam ik bel u later als ik straf kan praten en uw rekening betalen klets uw gat niet verder langs ik had dat afgelegd de spanning is geen koorts ik ga vanzelf akkoord ik slik mijn woorden in en vreet uw pillen op mijn kop doet zeer van elke streling is er één te veel wat weet ge beter sla uw slag en schrijf mijn tijdverdrijf in schijven lelijk als de nacht een lijk gij preekt tot ik bezwijk geen twijfel meer gij harde koortsmadam ik wentel en ik keer u in be-koring krols de adem van uw hartenklop mijn bloed-druk is een spoedgeval van overslag de boventoon zingt lager dan de natte droom op naakte ronde klagen in de binnenborst uw buitenkant verdubbelt en uw hulp wordt overbodig opereer mij open steek uw pijlen neer en huppel vrolijk breek het mes en roer uw tong nog zevenmaal in verse wondes pe-kelwijf want zot zoals gij zijt uw handen aan mijn billen haal uw vingers uit mijn mond vergeving geef ik over hals en slok en polsen vol met bloed gij weet niet wat ge doet verdomme moeder weten-schap de overkant blaast westenwind de kaars vlamt uit daar staat gij bloot ik zie uw buik die lacht en pronkt ik pak uw vel terstond gij werd ge-zonden als een engel van de cel die controleert leg alles neer en spreid uw schenen nagellak vebrast gespleten tenen elke wreef staat schots en scheef ik geef geen zier om dit plezier ik pak u beet mijn wrevel is gespeeld het bier is witter dan de whisky dronken valt de avond in de kamer ik ontrol de dok-tersdame van haar rokken die verzieken van ver-driet stagneren doen wij voor geen ander groot verlies van energie de draperieën wiegen en de lucht blaast uit haar huid is zout ik hou haar vaster af de klap komt harder als de climax openspat de coma slapen gaat de thorax nog een woord is voor verstand van mij dat niets weerstaat tot dageraad.

 

23:13 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: thorax, climax, coma |  Facebook |

12-08-07

Leuven rockt zich rollend in de markt

Leuven blinkt zich leutig af. De stad valt op zijn krie-belend gat, ligt plat. Spettert van opgeverste gezel-ligheid. Marktrock-light brengt licht en vrolijkheid, het volkt springt op van contentement en pret, swingt op een wiebelende wolk van rock’ n roll. De dag danst met een spreidstand in de nacht, rolt over warm be-rookte pleinen: weiden van kassei waar zwakke rok-ken zwieren en het bier nooit dronken wordt (tenzij geconsummeerd en intern zat). Wij zwansen mee op deze golf van dik tevree. Tot een zwart orkest ons groot plezier verstoort, het gejank van dwarse klaag-zang boort zich voort uit snerpviolen. Zigeunertreur-nis, weeral snert en smet. Geen leuk caféterras wordt opgebeurd. Voor alles is een tijd en een lokatie. Even geen Hongaren, ook geen hongerachtige Romabazen aan mijn tafel. Denk ik stevig incorrect. Wat stoom af-blazen moet steeds kunnen, ik verkies bij zon en wel-zijn lekkere seks vanuit een sax, laat maar stomen. Discriminatie op het vlak van smaak en mores, of dat niet even mag. Wij kopen onze vrede af met klinkende munt, gepast of ongepast.

Dan maar door gaan zagen, de brokkelige boom moet tegen de grond gekwakt. Mijn verwijten aan een op-geblonken oorkonde, het comiteit van oud jolijt. Jawel, ik maak lawijt. Het weer brengt iets in mij te-weeg, ik ben verdwaasd op dreef, het feest blaast inspiratie aan. Ik twijfel geen seconde aan mijn plotse wrevel, elke heimat mep ik tegen de vlaktes van zijn oppervlakkigheid, een uppercut voor kermis en fol-klore. Straffe taal voor deze bange haas. De Mannen van het Jaar (goochel door op google) zijn niet mijn ware ding, ik kies mijn vrienden wel, ik tel vanzelf tot nul. De flauwe kul uit eeuwen Leuven keldert mijn systeem. Een Meyboom werd kunstmatig neergeplant, op het hard plaveisel voor een onverschillig flikbureel. Tien man plat, een tafereel vol met ledige etalage. Dol theater van de hertogjaren (middelmatig moyen âge), opgerakeld uit verveling. De buikjesbende van Brus-sel pleegde justement hetzelfde, kwam komisch op teevee, geen sprake van een provinciale tegenhang. Lachwekkend is de afgang, geen score van belang-stelling bij de doordeweekse stedeling. De burge-meester geeuwt verveeld, hij preekt al jaren tegen elke Claes Ernest in zijn bestofte stad. Helaas, dit Bokrijk aan de Dijle blijft herbronnen.

Ik klaag wat af, verknal bijna de drankjes van Jean-Yves en Geneviève, schoon wijf is dat. Wij liggen ach-terover in de zon, onbekommerd om de liedjes van de discofiele Chic, wij fantaseren over surprises van een hete Prince. Mooi is het leven, wij zijn de funky leeu-wen in een kooi, geen leed aan onze leden. Wel een Marcelleke zonder bretellen, een cowboybroek met gaten in de knie, een donkere bril om zonder somber-heid het open bloot te zien. Het is zomer met de felle weemoed van oktober, Leuven weent en lacht onwe-tend van de tegendraadse zeden. Belegen nostalgie wordt uit het stadsbanier gebannen, met frivool ver-tier door een flinke melancholie vervangen. Die melo-die van morgen, het zal mijn zorg wel wezen. Ik zet de trend van speelse erotiek in deze tent. Gezegdes van een lettervent.

10:20 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: chic, prince, marktrock |  Facebook |

08-08-07

opgedragen aan Mimoesj, mild in memorie

Het was op de ochtend van de zevende dag. De hakjes kletterden hard mijn kamer binnen. De billen namen plaats. Naast mij op het uitgeslapen bed. Goeiemorgen mooi aroma, afrodisiacum in de dame. Ik staarde sprakeloos, zij zei geen woord terug. Haar borsten stonden dronken, daar kon ik het ter-stond mee doen. Converseren met twee tepels. Aangemaakte tranen ook, de bodes van een nacht-verhaal. Haar gebaren losten op, verloren handen maakten knopen in de lakens, pakten elke leegte beet. Ik sprak me wakker, klapte door van radeloze woorden. Voelde met een zakdoek, lukraak op haar kaken, ingevallen wangen, ademnood. Wat doet een man die vers verdriet van zelfs geen minna-ressen vindt? Bedenktijd in de dekens stapelen. Onverliefd armzalig waren wij. Mankelieke stakkers, stamelaars. En daarom brak de regen door. Zwiepte zwierig striemen tegen morgenramen, gladde ven-sterglazen die verbaasd verzadigd en bewasemd raakten. Een weldadig opgewassen mistgordijn, de nevels van Mimoesj haar natte pijn.  

Zij was gaan Porsche rijden, hoho met hoofdletter, wat maakt het deksels uit, ze rijdt zich vroeg of laat te pletter. Zo klonk mijn gortig antwoord. Dat dit door moest dringen, dacht ik, niets viel te ver-zachten. Geen ledikant dat lachte. Ze had een kater op vier wielen, aangedreven op een dosis speed. Retro vanuit de eighties, deze roes ontziet niets, heeft geen medelijden met haar rijpe schoon-heid. Matroesjka was er bij geweest (zei Mimoesj), daarna langs André-Roger gescheerd, de cocktail-menger, dief van al wat donker is. Een trio van verderf, van dure ondergang, obscuur en mateloos. Ik mag ze wel, ook dat is smerig, schijnsel van mijn eigen rottigheid. Ze breekt in plotse tweezaamheid te bed, trots en langzaam, trager nog, haar lenden plooien in de dekens, trieste ballerina die bezwijkt. Een droeve zwaan die sterft, de oude maan ver-dwijnt. De zon verschijnt genadeloos. Dit is de ochtend van de regenboog. Wij liggen hart om hart en oog om oog, lethargisch in de dood. Strelen alle onzin levenloos. Want dat is het toch tenslotte. Onze luxe aan verdriet, ons spiegelbeeld van zat verspeelde leed. Ik lach inwendig, ongenadig is dit leven. Wrang de grap, de walging om het bord voor onze kop, de rijstpap kookt in ons hiernamaals. 

Mimoesj haar mascara is ondertussen uitgelopen, ze rookt haar eerste sigaret. Inhaleert de zuurstof van de nieuwe moed. Het gebrek aan liefde heeft haar ademloos gekerfd, getekend met een fles geweld. Nog even dutten en ze kan weer tegen nieuwe wegen op gaan fokken. Met een Porsche, oud model, gefuckte zetels, diep doorlegen. Met Matrousjka splijt zij elke nacht, hun waanzin knalt door open ramen, stuurt verhitte gaten door het dak. De drank ligt in de kofferbak. Ik heb het goed geweten, ben de eerste mededader. De meisjes zijn hun jaren ver ontgroeid, ik was een groentje bij de eerste rit. Maar ik pas voor hun voorspelling, de verleiding van een allerlaatste trip. Opgepast staat netjes, aangebrande ladys. Ik reis veilig, nuchter door mijn nacht. Het ongeluk rijdt vaker onmeedo-gend zacht, ik ben bang voor elke klap. De lafaards leven langer, meestal deels tevreden, liever niet gegriefd. Hallo Mimoesj, verknal je kansen niet. 

22:32 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: afrodisiacum, matroesjka, mimoesj |  Facebook |

05-08-07

knappe aristocraten anti valse paapsen

Dat vind ik het mooie aan Harry Mulisch, zijn uiter-lijke persoonljkheid. Dat branie, dat onverstoorbare, dat bijna hogepriesterlijke. Zijn blufpoker ook, een inzet op altijd groot gelijk. Heeft hij ook. Hij slaagde haast in de ontdekking van de hemel, net niet vol-ledig. Maar de worp was meesterlijk, de uiteindelijke mislukking een overwinning op zichzelf, een zege van het menselijke falen. Niemand herschrijft de bijbel zomaar, tenzij je Mulisch heet of God, zijns gelijke. Wat moet zo’n man nog bewijzen, hij cre-eerde zelfs De Aanslag, daarmee werd alles gezegd over verantwoordelijkheid en lijden, over de grillige basis van mildheid, over de wetten van het toeval die ons domineren. En dat wij bescheiden moeten blijven. Klinkt paradoxaal uit de mond van Mulisch, hij twijfelt geen seconde aan zijn kleinheid, daarom lapt hij de wereld aan zijn dandyschoenen. Hij draagt onverstoonbaar zijn kostuum van onaan-raakbaarheid, blaast de triviale basis weg, de filo-sofische marginalen van het ogenblik. Zegt dat hij het ook niet weet als hij het inderdaad niet weet. Maar weigert wuft om dood te gaan, de ordinaire sterfelijkheid is niet aan hem besteed. En Harry meent het, of hij speelt het, waar zit ergens zijn nuance? In zijn hanteren van het lot, dat lijkt soms op een spotgedachte. Claus erkent hem als zijn gabber, gunt hem evenzeer die Nobelprijs. Zoals Mulisch zelf zijn rechten claimt. Hij was geen vrind-jes met die andere grote godheid, hij die met kaar-sen waakt vanop een wolk, wij citeren Gerard Re-ve. Deze ging hallucinerend zijn weg naar de hemel. Zijn Amsterdamse heren-antipode streeft naar overleven, beide zijn verwant in materies van de zelf-creatie, boven de aarde zoveel hoger aanbe-land, aan het klootjesvolk ontheven. 

 

Effe temporiseren, ik schakel lichtjaren naar bene-den. Kom op harde bodem neer, val voorwaar op de kop van Yves Letereme. De rest is pure logica, u pakt de tegendraad hier verder op. Vul alles in wat Harry Mulisch niet kan zijn, vooral niet zijn wil. Het grijze miezerige in een vent, het chagrijn, de stille nijd, de achterbaksheid. De hoge poten met gekrul-de tenen. De monkelblik van ik zal u verdorie nog wel strikken. Dat reactionaire, puur obscure, dat gebrek aan openheid en flair, aan elementaire ero-ticiteit. Leterme is de vleesgeworden anti-seksua-liteit, Mulisch sliep met meer dan duizend vrouwen. Ach, wuift hij nu die rokken weg, niets om mee te pronken. Leterme glundert slechts bij zatte zwans en dansmariekes, verslikt zich bij de woorden string en slip. Had een hekel aan de serie Willy’s en Mar-jetten. Geen vuil janetten aan zijn lijf, liet zich wel een baard aannaaien, komt hij nooit meer onderuit gewaaid. Hij was de slappe keuze van een kudde landgenoten. Wij zijn een volk van lamme papzak-ken. Krijsen in het termenkoor dat onze schulden dikke smos zijn van de sossen, droppen onkans bij de Walen, keren elke malchance naar ons vader en ons moeder. Schuld en boete, wie misdeed, die moet hitsig bloeden. Geen erbarmen heeft die man, zijn discours loopt dood bij logge zondebokken, droge stoplappen, doordronken dorpszotten die de dorsvlegel torsen tegen elke schuinsmarcheerder, bedenkers van de libertijnse zeden. Op wiens ge-weten teert dat soort waarvoor een formateur de deuren inbeukt? Kunnen zij gebeurlijk lezen, dat zij Mulisch en De Aanslag tot zich nemen. Om de nieu-we deemoed aan te leren, inclusief (met schroom) vergeten en vergeven, elke misstap proberen rela-tiveren. Vlaanderen hapert, hamert zich nog vaster met Leterme. Wij zullen veel te laat ontwaken, sla-perig in ons achterlijkste nachtgewaad. De nieuwe zeden kloppen aan, wij gaan een potje zeveren. Wij wonen verder uit de schaduw van de Rede, sluipen van de paden van Verlichting weg.

Meester Mulisch, geef een teken, schenk ons volk een lering, schop de elitaire populisten over hun drempel van ellende. Ik doe slechts een poging, wie doet beter? Hippe tsjeven als Van Rompuy Herman of zijn regelneef Johan, komt Blauwbaard Guy terug van Olijvenland? Misschien geeft Mulisch Claus een wenk, na aangebrande grapjes over klassewijven. Wij houden van hun open ondergrond, het bewegen in ontblote tegenstroom, de hete guerilla van het gezonde stadsverstand.

23:34 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: harry mulisch, hugo claus, gerard reve |  Facebook |

03-08-07

alfabetiseringsproject (1ste werktitel)

Aandachtspons. Adergraving. Ademhalingsrespons.
Breedbenen. Buikstonde. Bilverbruik. Borstenkunde.
C
hrystalhoning. Cholorietspiegel. Chrysantenclimax.

Dwanghart. Doornenkont. Drasplekje. Dynamietvlek.
Evangelieverpleegster. Eczeemzuster. Engelbokster.

Fanfarestaart. Flapsel. Fantasielol. Foefelkesgoesting.

Graaggesprek. Groentengras. Grondholglas. Gootpet.
Hakbijlbendelid. Heikelstelling. Heksenboottochtticket.

Indianenzwanenzang. Inktpallieter. Ieveransgedacht.

Jakhalsrevolverslot. Januaridagverdriet. Jaloersbroer.

Kanunnikenlulletje. Kanteltekstvel. Kanariekaravaan.
Landerijenzwendeldader. Leghenbataljon. Lapkamp.

Mantelopzeg. Meerdalbaanpaneel. Moederskoekkorst.

Nepvergaderingvoorzitter. Niemandbierdorst. Nopdol.

Odelijkaardmaat. Ondingdruktebus. Ondertussenmus.

Pasdanscerificaat. Prakkenbroktractor. Politiedrangtel.

Quantumpotvertier. Quarkgebraadsel. Quotumpotlak.

Randdrukstut. Raakspotlakdoos. Relstapelreglement.
Slingervingersteek. Stikverleggerspad. Sloksegment.
Taterkanaalwal. Tankafvalkrab. Televisiebuismuiskop.
Ukjeshukjesopzit. Ukelelespelertentakel. Ulversoogst.
Vraagbakklassement. Velgentoerenteller. Vleeswokte
Waggelaardamesrek. Wekkerklaartekoord. Wankelwil.
Xylofoontoontraagte. Xylotheekstekregel. Xerofyfoto.
Yperietgravagegraad. Ypsilonvoorletterzeg. Yuccasla.
Zonderstinkvoorzet. Zinderbalkgedreun. Zeurdagenaf.