31-07-07

Michel, Wim is God de Vader in Vlaanderen

Scherpenheuvel - 1 augustus 2010. De Basiliek hangt scheef als een slappe pizza. Het gaat slecht met het geloof in België. God is dood sinds vorige maand en vervangen door Wim Opbrouck. Wim (120) kon het gewicht van de job nog makkelijk bijtorsen. Dat ver-klaarde hij in een interview aan Dag Allemaal (slokte onlangs Humo op). Wim bracht reeds een eerste werkbezoek als God (noem me Willem, zegt hij, of Jezus, Maria, Jozef, desnoods Wim begot, sorry) aan Scherpenheuvel. Het bezoek van God werd vooraf-gegaan door een optreden van de Dolfijntjes waarin Wim nu de grage gospels zingt, als neo-God dus. Na zijn ommegang ter kerke opende God een expositie in de Moeder Maria-kapel met werk van tekenaar Wim O. (dwz Opbrouck). Het religieuze aan het très mondain-modieuze paren nietwaar. God praat het geheel als een Wim aan mekaar. Zorgt terloops voor een eerste Gods-mirakel (als Wim). Hij laat een wind vliegen en daarna twee kindertranen vallen. Zuiver geacteerd, niks op af te dingen. Dikke bingo voor de basiliek. Niemand was hierop berekend, dat zoiets nog kon verwonderen. De nieuwe God was mens geworden. De wind werd in de vlucht opgeplukt (uit de luchtjes) en de tranen konden verzilverd worden voor veel geld. Zaad in het bakje, waarde parochianen, het moet niet altijd uit de zak van Willem komen, predikte God bij monde van tante Martine Thange, zijn persfan.

Daarna ging het met de Wim-mobiel in een rotvaart naar Schoonderbuken, Miskruis nummer zoveel. In een duivenkot achter een vervallen fermette zit de man met de banaan. Hij levert commentaar voor een lege visbokaal. God nadert behoedzaam als een Wim, zijn koorknapen heeft hij net afgeschud van het we-nen (in vorige alinea). God kijkt genadeloos toe: wat doet die gekko daar met zijn capsones? Gekmans kwettert als een zatte mittraillette, hij hapt naar adem in de fallokratische banaan. Zotte vent geraakt op overtempo, klimt klaterend naar een climax, nog slechts een kleine kilometer te gaan, krijst hij hys-terisch. God wordt stilaan toornig, hij ziet plots de dode vissen liggen in het water op de vloer. Dan slaan alle stoppen door. Tommy, onzen Tommy, Tom-mieke wint de ronde, brult de man tegen de verblufte bokaal. God houdt het niet meer uit als Wim. Want deze laatste heeft thuis nog legaal erkende kinderen. Godverdomme Michel, briest Willem, wat voor manie-ren zijn dat, kunt gij als gepensioneerde niet mee uw nieuwe God komen fêteren in de kerk? Moet gij hier zitten viespeuken met vissen en kwijlen op kinder-namen? Dan komt mevrouw Wuyts sereen naar bui-ten, groet God, kust zijn stola, prutst het hemd van Wim weer stevig in zijn hemelbroek. Als alles op zijn plaats zit, geeft Wim haar een glimp van mededogen, hij knikt tweemaal. De eerste keer was een test voor de regie. Zij mag Michel zijn doosje pillen geven, vers geschenk van zijn maat Jos, materiaal om door te kauwen. Daarna komt de berusting, zakt de zon een beetje beschaamd de grond in en stapt God grom-mend op zijn brommer. Weg naar zijn bende van Wim. Michel Wuyts zit knikkebollend thuis. Eet uw banaan op, zegt zijn vrouw. Gedwee pakt Michel zijn micro, steekt hem in de mond. Ongevaarlijk kauwt hij na.

21:36 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: god, michel wuyts, wim opbrouck |  Facebook |

 

Aandachtspons. Adergraving. Ademhalingsrespons.
Breedbenen. Buikstonde. Bilverbruik. Borstenkunde.
C
hrystalhoning. Cholorietspiegel. Chrysantenclimax.

Dwanghart. Doornenkont. Drasplekje. Dynamietvlek.
Evangelieverpleegster. Eczeemzuster. Engelbokster.

Fanfarestaart. Flapsel. Fantasielol. Foefelengoesting.

Graaggesprek. Groentengras. Grondholglas. Gootpet.
Hakbijlbendelid. Heikelstelling. Heksenboottochtticket.

Indianenzwanenzang. Inktpallieter. Ieveransgedacht.

Jakhalsrevolverslot. Januaridagverdriet. Jaloersbroer.

Kanunnikenlulletje. Kanteltevenvel. Kanariekaravaan.
Landerijenzwendeldader. Leghenbataljon. Lapkamp.

Mantelopzeg. Meerdalbaanpaneel. Moederskoekkorst.

Nietvergaderingvoorzitter. Niemanddierdorst. Nopdol.

Odelijkaardmaat. Ondingdruktebus. Ondertussenmus.

Paardanscerificat. Prakkenbroktractor. Politiedrangpel.

Quantumpotvertier. Quarkgebraadvel. Quotumpotlak.
Randdrukstoot. Raakspotlakdoos. Relstapelreglement.

Slingervingersteek. Stekverleggerspad. Stoksegment.

Taterkklankkast. Tankbezetpad. Televisiebuismuiskop.

Ukjeshokjesopzit. Ukelelespelertentakel. Ulversoogst.

Vraagbakklassement. Velgentoerenteller. Vleesbektol.

Waggelaardamesrek. Wekkerklaartetol. Wankelstok.

Xylofoontoontraagte. Xyloteekpatentstek. Xerofyfoto.

Yperietgravagegraad. Ypsilonvoorletterzeg. Yuccaslot.
Z
onderstinkvoorzet. Zinderbalkgedreun. Zeurdagenaf.


00:48 Gepost door Marlon in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

28-07-07

man zonder thema heeft een trauma

Je zal maar in het vel van Hugo Camps zitten. Of in zijn hoofd, geen denken aan. De gêne. Het hautai-ne van de man zit in zijn onvermogen. Dingen willen zeggen, schrijven, evenzeer niet kunnen. Er zomaar een lapcolumn op geven, uit de zotte pols. Schots en scheef brodeert hij stukken uitgeschreven onge-luk. Hij slaat en lalt en zalft zijn eigen onzin, gaat te keer als Morgen-beer die in een jaar niet meer gelikt is. Hij kiest vanzelf zijn favorieten, zij die hip en trendy en bemiddeld zijn. Wie te Vlaams gewor-teld is, te oud en vrouw en trouw, te grijs en mid-delmatig (zoals hij) wordt aan de schandpaal lam genageld. Wie cultureel en snugger aanschuift bij de nieuwe bourgeoisie, komt hem gewisser aan zijn dissen tegen. Gaffelmans smakt graag aan tafels met de betere A-manieren, metropoliaans getint, waar heren Janssens en Lannoye de linkse rekening betalen: gekend te lande als een nep-elite die met de dag meer achting van en voor een achterban verliest, ondanks de epistolaire Jan Decleir, annex Hemmerechts, twee zelfverklaarde volkswaarne-mers. Het is  goed bouffen bij dat soort burgerij, zolang de lepel in de kliekpap staat. Zij kletsen zich door exposés van snel- en weltevree, correcter kan de klepel niet weerklinken. De klep van Camps redt zich als de clown-risé die niets meer wil riskeren, het kan verkeren voor een quasi-eeuweling. Wat een lichte bende luchtzakken. Kronkelmans kan ook kamperen gaan bij Hugo Claus en tante Veerle. Deze laatste doet de pampers aan. De ene Hugo is de andere niet. Het verdriet van België woont in Vlaanderen.

 

Waarin een frisse krant aftands kan zijn: belegen regels van een ouwe knar, een krantennar, een knorpot die aan zijn kont krabt van geen letters in zijn kop. Zie hem zijn grijze kwijl verschrijven, kwakjes gal afkakken, schelden op banale Belgen (en hun wijven, à la Camps). De bekenden vrijt hij liever op, hij klinkt zich met champagne door de galerij van nieuwe patsers, hangt zijn gammele kar aan elke verse succesman of -madam. Op hun kosten smost hij door. Zie zijn buikje hangen blin-ken, pinten drinken op zijn embonpoint. Wil dan ook nog tegen kunstenaar Dewulf aanprijken. Boer Ber-nard let op uw ganzen, jager Camps legt ze met zijn boontjes in de slappe week, hij pekelt en hij cloont. Zijn beeldspraak raakt geen kanten aan de wal. Een vrouw is een ravijn met een vagijn, voilà. Wat we zomaar imiteren, doen we beter. Er is geen kunst aan. Hoelang moet de ochtendlezer deze mi-santroop nog horen janken? Genade schoon gazet. Pijn aan onze ogen is een tijdelijk verschijnsel, al-tijd goed geweten. Morgenochtend bang de trein op met een bril: verdonkermanen wij het nieuw chagrijn.


Focus-vonk op Hugo en zijn trauma, het verticale trema: brugje dat een kwakkelzin komt depanneren. Hocus-pocus. Trucje en opsmukje. Dixit Camps: de kutjes niet vergeten. Bedankt heer Hugo, we weten al een eeuw dat je standjes optilt aan een slipje. Ben je inderdaad die loden honderd (100) of acteer je al die jaren? Stoere ouwe jongen, ga herbron-nen. Doe aan sport, pak potten: Epo (jou genegen, zoals je zelf hebt toegegeven). Of lees eens een boek: Loerhoek: koek van Bernard zijn fijne deeg.

 

22:08 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bernard dewulf, hugo camps, de morgen |  Facebook |

25-07-07

van lieverlede ziel, geen lichaam meer

Mijn lichaam is fantastisch ziek, het ligt in flarden op een bed. Mijn armen strelen al mijn benen, dra-peren lakens om me heen. Geven hete tekens aan de dekens. Klam valt de verklaring in. Op het dak van deze kamer waakt een dode dokter, in het donker loopt hij langs. Een lijk dat niet bezwijken wil. Hij draagt de fakkel van mijn koorts. Ik toon me niet verschrikt. Geen klacht rolt van mijn kaken naar het tranendal. Ik verkies mijn zwetende aan-wezigheid, verzwijg het lijden en zijn tijdelijkheid. Een tandem die op spijkers rijdt, duaal van meta-fysica. Mijn brein kijkt naar de indirecte pijn. Vanuit mijn ziel zie ik de schade aan. De ravage is geheel fysiek, van aardse aard en typisch hedendaags. Ik verbijt vandaag het krijsen van de kiemen, afge-streepte striemen op een krijtlijn van verlies. Verdriet het mij, dan grieft het niet. Ik krijg een tweede kans, een derde. Zeven keren staat gelijk aan eeuwigheid. De tijden zat heb ik. Santé.

 

Genoeg gezeverd. Ik haal de thermometer uit mijn gat, mijn achterste geweten. Trek een Tommy aan mijn onderdelen, steek sandalen van Theresa aan mijn zomertenen, een benepen 42. Volgen chrono-logisch voorts een polo van het wit-geel Kruis, een zeemansklak en waterlanders (watte) aan een bril met balzakken (vandatte). Ik zie er beeldig uit. Te geestig voor een gek, beoordeel ik mezelf frivool, bij groot gebrek aan medespelers. Ik stap naar buiten, groet met diepe ernst de vroege herfst in Leuven. Dat is lang geleden, bijna was ik van het hoog balkon gegleden. Ik woon in de wolken met mijn hoofd. Met de trap is rapper dan de traagste lift.

Ter zake, zeg ik tegen Frans (78). Hoe zit het met de koers en hebt ge laatst nog goed gevogeld? Knarrig grapje, schoon Suzanne, dat blijft hier tussen ons (in stricto senso). Ik ben blij dat ik in-tellectualiter normaal van slag ben. En ook goed genezen. Dat beaamt Suzanne. En dat mijn nestels blinken, dat ik sensueel naar gel stink, dat mijn windbril hapert in mijn plakhaar (zit ferm klem). Zaagnie mens, ik wil u niet behagen. Ik ben een blanke ambetanterik, een mank geboren minnaar.
Ik loop verloren in dit aanverwante lijf. Ontijdelijk is mijn op- en ondergang. Ik pomp verdronken door, ontpop me en/of klop erop (hoezo). Heb goede lol. Bij vlagen strijk ik neer als herfstweer in de zomer. Ik ben een winnaar tegen beter weten in. Mijn buurman is een moslim en wast zich iedere dag met volle boter, ik zeg maar wat. Omdat hij geen mon-deling Vlaams verstaat. Het geeft niet, Moo’ke, let niet meer op mij, ik ben een impotente schim. Ont-vang Suzanne, bemin haar in uw service-flat. Voor-zie u van een katholiek condoom, een tip voor pik. Ik trek de kaart van vake Frans. Ik laat hem stie-kem winnen. Harten troef en solo-slim, voilà.

Zo blijft de heisa herbeginnen, er is geen houden aan de nieuwe neukers, oude doden worden opge-leukt. Wij blijven doorgaan in herkansing en herval-len, dansen dronken met doktoren door het hoofd, verdwazen onze torso’s. Zonder klagen kunnen wij niet afzien van ons eeuwig streven naar de koorts. Zeg het voortaan gratis voort. Ok, dat trekt hier op geen kloten, mensen, ik zie spoken. Korte bliksem van besef, ik ben bekaf genageld aan mijn kist. 't Is zielig.

 

 

23:52 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: volle boter, harten troef, solo-slim |  Facebook |

22-07-07

verschoning voor het koninklijk pardon

Koning Albert heb ik persoonlijk minder goed gekend. Twee, misschien drie keer, goed met hem gelachen op een receptie. De man zat nooit verlegen om een grap. Nogal aangebrand, wat dachten jullie, lezers? Een le-vensgenieter zulle (zei hij zelf). Vraag maar aan Elle-tje. Zij was erbij, hij stond blinkend naast haar, keek discreet en tegelijk begerig. Geen ogen op zijn vor-stelijk gat. Verschoning Sire. Om maar te zeggen, het zijn zeer gevoelige mensen hé. Van vlees en bloed, dat laatste weliswaar helderblauw. Maar maakt dat een verschil in warmte en in charme. Niet flauw doen, antwoord ik dan aan alle anti-royalisten. Want dat zijn meestal azijnpissers, zoals Marcel van op den 137, Fonteinstraat te West-Leuven. Marcel is voor-stander van een dosis despotie, stemt zwartgallig op VB, lapt solide monarchaten aan zijn soldatenlaarzen. Hij marsjeert ’s nachts op flarden Wagner in zijn flat. Ik hoor hem bangelijk bezig, soms scandeert hij sca-tologische slogans. Ik zwijg nog van zijn seksafwij-king. U kan zich daar wel iets bij voorstellen. Ik denk dan met de handrem op: leve de vrede van ons vor-stendom. Een slimme tegenzet van mij. Dank aan mijn verblijf bij onze Koninklijke Veiligheid.
Ik heb meer dan twintig jaren rondgeparadeerd op het plaveisel ten Paleize. Want dat was het vaak, een royale parade. Je doet het graag of niet, er is geen dubieuze tussenweg. Ik was pro, daar valt niks op af te dingen. Eén keer zat ik een kwartier ten kantore met prinses Mathilde, ik mocht haar kroontje niet ont-bloten. Het gesprek blijft onvermeld, dat spijt me niet. Zo zijn de regels van het Eerste Belgenhuis. Respect, geen rellen of geen lekken. Excuseer, Marcel.
Ik kan evenwel subtiel en node een teneur signeren, terminologisch volgens de codes. De prinses is per exempel niet van deze wereld, een hemels meisje, freel doorschijnend
. Moeder-mariëske goedheid nog aan toe, helemaal te kwetsbaar voor lekenwoorden. Mijn handen klamden onder de indruk van de interne sessie, haar afdruk staat gestempeld op mijn dienend hart. Ik moest thuis de groeten doen, en dat ik proper hofwerk waardig was, schoon mijn plicht verrichte. Ik dankte deze hoogheid op haar benen en haar benge-lend nageslacht. Een dame was ze par exellence, ja-wel merci chérie (lapsus). Als ik haar nu terugzie, thuis op breedbandtelevisie, dan peins ik aan ons eertijds samenzijn (teder). En dan zwijg ik, verbijt ik pijn en eenzaamheid. Een eer voor deze jongeheer.

 

Zo kom ik in mijn dromen vaak nog onze schone Koning tegen, de haastig zalige Boudewijn, helaas een tijd verwijld. Voorwaar een heilig man. Stijf van doorwaakt ontzag ontwaar ik hem in visioenen als de Grote Goeroe. Goed doen was zijn roeping. Zoals hij mij ondervroeg (méér dan één keer, niks ver-keerd mee) over mijn ambities in het leven en de liefde, de hobby’s en de sport. Hij appreciëerde lenig mijn foulée, zonder bijbedoeling. Noteerde al mijn tijden op de afstand van het nationale spel. Een delicate inzet, zonder aanzet tot getotentrek. Meer mag ik helaas niet zeggen. De nobele Koning troont nog stiekem mee en corrigeert mijn fantasie. Een immens plezier voor mij, ik geniet van de com-motie, tricoloor geaard. De nostalgie is wederzijds, dat werd mij door de clandestiene diensten van de Royale Veiligheid verklaard. Want dat wil ik nog kwijt. Kapitein Didier Collier is langsgekomen. Hij had last van zijn geweten. Ik heb het eerherstel aanvaard. Noblesse oblige. Waarom zou ik liegen? Ik draag het kruis van Ridder in de Orde X (geheim) sinds gisteren. Op mijn borst prikt bijna zonder pijn het teken van de Vorst. Voor intimi: zie linkertepel. Op de rechterbips volgt nog voltooiing: adelijk van bil.

19-07-07

gespleten menselijkheid is ongeneeslijk

ROME - In de voorbije drie dagen zijn honderden boot-vluchtelingen gestrand op het Italiaanse eiland Lampe-dusa. Tweehonderd bootvluchtelingen bereikten maan-dag al de kust. Dinsdagnacht waren dat er iets meer dan honderd. De kustwacht onderschepte voorts een drie-honderdtal personen in acht verschillende bootjes.  
MADRID - Schepen van de Spaanse marine zijn in de zee ten zuiden van Tenerife op zoek naar zo’n vijftig illegalen die in het water terecht zijn gekomen toen hun boot kapseisde. De autoriteiten vrezen dat de vermisten verdronken zijn. Tot dusverre zijn bijna vijftig van de naar schatting honderd opvarenden van de houten boot gered.
(bron: DS on line)

In West-Leuven, perifeer aan de city, wonen tien-tallen illegalen. Ze hokken samen in aftandse koten, gammele kamers. Ik zie ze dagelijks lopen, sjofel en toch vrolijk. Ze laten zich de lokale ellende welge-vallen. Alles is relatief. Ze boffen, vinden ze zelf. Met een dakpan boven het hoofd, te verwaarlozen gaten in het laag plafond, stromend water uit een permanente kraan die lekt. Het electriciteitsbewijs ligt open langs de leidingen. Ze komen karig aan de kost, zitten aan verschraalde tafels. Lachen arm.
Ze sparen voor de overschotten van een losgeld, een donkere boss heeft hen bij nacht gedropt. Daarom rommelen ze in de zwartsectoren. Ramme-len ze roekeloos met de kloten van de wet. De ri-sico’s zijn kosteloos, verraden zachte statistieken. Dankzij elke dappere wijkagent die hen ontwijkt.
 

Wij meenden dat die tolerantie liberaal getint was. Zie Verhofstadt in globaal ornaat op het recente wereldforum, zijn popperiaanse retoriek klonk thea-traal van opgeblonken mededogen. Laat de massa’s overstromen, welkom aan het ovenvers talent van vreemde bodem. Wij verrijken onze snelle streken, smeken om hun multiculturele medeleven. Breed-zaam etaleerde hij zijn mondiale eruditie, zijn be-zorgdheid om een mondje meer. Met een droge snik van nagenot, een harde ophoksnok aan zijn carri-ère, zwengelend naar een postje hogerop. Legale zwendel volgens sommigen. Donders in Genève. Waarom gêne?

Tot een plotse dame, zonder prietpraat, opdook aan zijn linkerkant. Een pirate die zijn laffe flank doorboorde. La Pira streek neer, met ongebonden handen, groot haar graag geweten, een getaaide tante die de wet omdraaide, van de randdetails ontdeed. Een fijnbesnaarde minnares van contra-seks, de exotiek van schamele mensen, uitgekleed in procedures, bloot van opsmuk, zonder attitudes. Op een ochtend kwakte ze naar de Morgen, plakte ze vrank haar vragen in een brief, nonkel Guy was schoon gegriefd. Colerieke bliksem als spontaan respons op naastenliefde, zonder nonsens, niks geen zin in proza voor miserie. Het laatste alibi voor elke uitweg heet legaal bruskeren, wordt een afzet buiten grens. Geweldige scènes voor een interna-tionaal scenario, hoe nobel is een staat? De 1ste minister die met 2 tongen praat, zij ego-opgang in de wereld ambieert. Gespletenheid als wapen tus-sen scheve tanden klemt. Ons afremt op de vrede.

Broeder Bert verkocht geen zwans, sprong op de mensenboot, brak een lans voor zwakke buiten-landers, ook de kansenlozen. Niet verwonderlijk dat brave burgemeesters na hem uit hun hete hol ge-kropen kwamen, hun legale wonden toonden. Op de maat van empathie, de melodie van medelijden, wat kan er mis zijn aan moreel gelijk? Ik spreek hier voor de uitgewoonde Leuvenaars, ik toon de verse vonk ethiek, vertaal het neo-evangelie dat belang-enloos en Vlaams weerklinkt. Hopeloze monden vallen open van verbazing, vragen om versnelde staten van genade. Ik bespeel het web, de weg van gratie naar Tobback. Erbarmen burgervader.

 

21:15 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ingrid pira, lampedusa, leuven |  Facebook |

16-07-07

beleuvenissen opgeleukt met tegenleut

Daar ziet u de werperskooi. Een pas daarnaast de verspringbak. Even verder ligt de polsstokmat. Iemand pakt zijn verrekijker om de wei te contro-leren. Klopt het wat de gids verkondigt? Ik loop op een drafje langs. Taxeer de tien toeristen, waar-onder zeven gepensioneerden, twee kinderen en een blitse minirok. Ik kan haar benen niet geloven, zij stapt op hoge stelten het verwonderd Sportkot af. Wat valt hier te beleven, vertelt haar blik ver-veeld. Het aanbod stak in een pakket van Leuven zien in toegevoegde zin. Met facet van neven-waarde. Wat mensen doen om leegtes te bezwe-ren, nergens zijn nog grenzen aan. De uitlegkerel spreekt op dood en leven, overtuigd van al zijn nonsens op sandalen, een orakel van veel onzin. Legt de klemtoon op het kleinood van een zweet-band, misschien vergeten door Kim Gevaert. Ik draaf verder en ontwaar een slipje in de struiken, eenzaam aan een tak. Een topic voor de mini-rok?

 

Leuven rockt soms, schaars en schraal van aard. Het volk stapt opgehokt tevree, massieve massa’s op één been, geen greintje schoonheid of beteke-nis. Zoals bij Leuven jazzt onlangs. De pleinen af-gezaagd, de mensen niet geklaagd. Gewiebeld wordt er bij de slierten en de slingers oude swing, belegen als de schimmels van een eeuw verdriet. Zo koud zijn al die liedjes, ongeveer. Geen verse melodie, geen prikje persing uit het innovatievat. Geen klad genie of spatje gêne. Alles is kopie van copiëren. Mensen slikken dat. De buurman drinkt, zijn dame knikt. Geen grote zwier, maar zwak ple-zier. De zwik van makke handel. Ik bewandel mij een weg, ontdek geen kader van verandering. Met dank aan de instanties. Ik ben een ambetanterik, geheel en al mezelf. Ola, olé.

 

Verhaal van sombermans. Tot dan de andere avond valt. Met beestig feestje in de Zevenslapersstraat. Georkestreerd door Rudi Bravo en de Lavabo’s. De tegenwereld steekt zijn kop op, rolt de rokken af, rukt de kudde uit zijn kot. Ik ben een vlugge bezi-ge, bezie mijn snelle lief, begrijp haar schoon gerief. Bij lijf en leden zijn wij warm aanwezig. Heetgebla-kerd, wakker voor de nacht. En buurvrouw zet haar klak op, lacht ondeugend. Niet getreurd, er zit op-eens beweging in verveling. Kleur weerklinkt in wit en zwart. Een neger danst met blanke ballerina’s,
ik noteer de hitte in zijn heupen. Leuven zingt zich hees in tegenstroom, droomt de ochtend en de kater weg. Wij zijn het vuurwerk van de nieuwe kerk, wij schieten vonken van verwondering af.
De buurt verzuurt niet, burgemeester. De burgerij werkt op ons systeem, de plechtigheid van protocol en vastgelegd scenario, patronen van traditie zon-der inspiratie. Wij grijpen daarom graag de macht, lokaal en met fanfares van de straat. Verlos ons van de treurigheid van ingestelde leukigheid. Wij zijn rebellen in uw spel.

 

21:05 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: mini-rock, kim gevaert, bravo lavabo |  Facebook |

13-07-07

een snorrenjongen scoort in hoge sfeer

Plots staat hij voor mij op het perron. Pal als een paal. Ik, een paling anders, raak niet weg. Plak aan zijn snor, zijn pretgezicht, zijn monkelblik. Ik heb lak aan grapmeneren, maar dit is gemeend. Zijn glim-lach opent een verleden waarin ik spartel, aange-naam vertraag. En omver val, van verbazing op-staar. Naar zijn gekgezegdes, met perfecte ron-ding. Een man die vrouwen tegen zijn gilee kan trekken. Dames strikt en oppikt, oppakt voor ze aflopen. Ik fantaseer maar wat, hij is mijn volle neef, verdorie, Gerrit jongen. Hoewis’et anders nog? De tijden zijn veranderd, antwoordt hij. Een knipoog van gewicht. Hij port ons naar de betere klas. Ik mag op zijn kosten sporen. Gerrit heeft het schone weer gemaakt, een loopbaan op de tast geëtaleerd, met eretekens en twee of meer privé-hostessen. Prinsessen kneep hij zonder één diplo-ma. Self-made, menne man. En zoveel duizend in de maand, droge euro’s aan de haak. Met aftrek van een optrekkast aan verre kusten. Woelig water doet hem goed. Hij is een man die op de golven boert. Tot vorig jaar die smak. Zijn hart dat even brak. De zenuwen. Wie had dat gedacht: zijn eigen Greta. Toegegeven, hij had ermee gespeeld.

Maanden lag hij plat, bedacht systemen voor zijn terugkeer. Vondt de truc van chromomoleculen die sponderen. Kwadraalreflexen genereren. Hij bere-kent mij de tweedehands-formule. Een extract van min maal zoveel nul, vermenigvuldigen, daarna delen door spiralen, afgefilterd met contrast. Een makkie. Nam een patent of zeven, niet gezeverd. Ziekentijd is cijferwerk, verveling kansberekening. Geef hem een potlood en hij potverteert niet. Per-foreert de markt van amicalieënpark, zijn commer-ciëel segment, een premie voor een staal geniaal. Dat bracht hem sneller op de been, hij engageerde blitser personeel. De zweep op vers talent, drie meisjes voor een halve vent. Geen complimenten, brains en billenwerk. Hij werkt met elke elleboog, geeft soms een gratis onderstoot. Of Greta dat verdragen kan, vraag ik op de man. Ontzettend stom van mij. Neef Gerrit is geen vetzak, maar een malse stormram, een charmante pletterwals. Met dure pakken aan, ze zitten hem perfect, een on-vervalste punker die als dandy door de drukte danst. Een midlife puber in de speeltuin van het losse geld. Het rolt hem als droog zand door vogel-vingers.

Wij rijden Brussel binnen. Dit is mijn uitlaatland zegt hij. Mijn strand om monumenten neer te planten, kastelen op te metsen, perken en priëlen aan te steken. Twee seconden kijkt hij somber. Peinst aan Greta verder. Dat ze het geweten heeft, verdenkt hij haar. Mompelt daarna quasi-vrolijk voort. Geen zorgen maken. God creëert de dag en Gerrit schept de putten leeg, vult zijn dag met manna. En met steken aan zijn maag. Dat kankert maar. Ik mag hem niet verspreken. Wij zien mekaar nog weer, nietwaar. Van harte, als de ingewanden het ver-band doorstaan. Gerrit ademt zwaar, hij zweet.
Zijn trots wordt nat. Of ik plots besef waarom hij beeft? Dat Greta alles weet mischien. Nog een tijd te leven, hoeveel saldo aan restant, wat geeft zijn geld hem langer? Bang beleggen: no way, never. Iets bedenken, mathematisch elixir voor engelen-haar. Hij berekent een mirakel, mastercredits op de hemel. Mijn gekwiekste regelneef, te laten of te nemen. Hier voor Greta dierbaar neergeschreven.


20:04 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gerrit, greta, regelneef |  Facebook |

10-07-07

kweek van boze bodem: tettenmiekes

Ik ben Annemieke en Rozemieke tegengekomen, heel onnozel. Ik flikkerde door hun schrikgezicht, langs hun bange achterblik. Ik was de spoken bijna op het kromme lijf gelopen. Twee verdwaasde te-genstoters. Waar ik nooit een poot naar uitgesto-ken heb. Hun tepelpiercings waren er te veel aan, wegens te gemeen, te lelijk. Ze prikten door mij heen als boze tongen, wezen met verkeerde tekens in de tekst, priemden vooral weerzin. Met de dag nog meer. En minder seks, er was al niks en nop-pes. God beware me. Balorig werd ik van hun spel, kreeg ik kwelkoorts om die domtaal te aanhoren. Als het opgeklopte geil in goeiekope kwijl verleb-bert, dan verslapt de vloed en eb ik weg. Dan gaat een man gezond van jaren balen. Een beetje stijl vereist een dame, hoor mij, harde meisjes. Knabbel langzaam, lik nog rondjes trager. Sabbel smakelijk. Slik de worteltaal.  

Waar blijf ik deze vorm van hallucinatie halen? Uit de korf van opgevreten binnenwerf, de randen van verrot bederf, het geweld van straatmadammen. Een klotenmand die zich met kontjesmaat laat openkletsen. Zie ik hete belletrienen flirten of een tweetal dellen lachen in een loopse pose: dan krijg ik verleden bijgedachten. Flitst de hele heisa door mijn hoofd, haalt mijn hart zich mateloos overhoop. Want dat ik hét geweten heb. Hun achterbakse bipsen, zoals ze hitserig blonken, in elkander smol-ten, klonterden. In de schuine weer met smeer en smodder, met geschuifel over gulp en pulp van pruimen, zich in split en spleten staken. Bah, vagij-nen als ravijnen. De huichels braakten zich een weg door hetzerige huid. De pretjes in de nesten konden ze ten lange leste niet triëren. De beddelijke hemel werd hen zomaar door een man ontzegd. Ik ben hun valse vader niet geweest. Geen gehannes, niet met deze jongen, een hoogbeschaafde scharrelaar. Geen bastaard maar een minnaar. Ik beken de moeder zonder dochters. Al mijn schaamte is hen vreemd. De schande niet mijn deel. Oh neen.

 

Ik heb hun kruisen afgeweerd, ze leken me als haken aan te staren. Ze staken stijve armen op, recht van trouw en heil. Ze zwollen in hun soep van eigen bodem. Sopjes van verdacht gedacht, daar past mijn draagpartij niet in. Te rechts gerekt van spreiding, heikel in de wankel op de nazinder, fouter in het oude oostgewin. Dag fascitistjes van mijn afgesplitte jaar, wij vieren morgen feest. Wie Vlaming is, haalt fierder adem. Elke dame sekst zich recht. Correcte venten maken complimenten. Dit geldt voor iedereen, behalve voor de bende die ik kende. Nero was hun opperhoofd, zijn schandknaap heette Jommeke. De rest werd opgetrommeld als soldaatjes à la Filliberke. Wie mij hier verbieden wil, bedriegt de natie. Ik plaats finaal de spatie, zeg: Sieg Annemieke, zij wiegt Rozemieke, in het dietse Vlaams. Belang in kuddes opgeblokt. Zij lezen hun gebeden, bewandelen analoge wegen. Onze orde wordt gehandhaafd. Bang!

22:04 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: annemieke, rozemieke, tepelpiercing |  Facebook |

07-07-07

met blote billen op mijn compilatiegat

Zo triestig dat de zomer liegt, daar is geen zegen aan. Ik schrijf de regen op. Een litanie van kop in kas, mijn zak in as. Ik liep tesamen met Verweerden Karel. Wij kwamen uit de simultane Spar. Er waren dranken in de aanbieding, Bettina. Ik heb Belgisch druivensap gekocht voor jou, afgetrokken in het Hageland. Ongesuikerd, ongezouten, voor gezond behoud. Buurman Verweerden, zeg maar Karel, zo-als Karel zegt, kijkt waarderend in mijn tas. Dat is inderdaad geen kattenpis, lacht hij grondig geel zijn tanden bloot. En dan moet je nog mijn buitenkant begluren, meesmuil ik opportuun. Stuit hij op het verfwerk van Raveel.  Alles groen wat lacht, ver-stilde man, een pettengek. Proficiat voor het Spar-renmagazijn, hun draagklabassen hebben stijl en houdbaarheid, een schilderij gelijk.
Karel kletst en kladt de straten vol, hij bewoont mijn overkant, meestal mager, schraal content. Kanker in zijn lijf, vertelt hij mij, een oud gezwel dat verder zweert. Miserie om een wijf, een negerin. Niet dat hij racistisch is, dat was haar probleem, die vette Nigeriaanse. Pletwals in zijn bed, of ik dat kan zwijgen. Hij schaatst elke avond op zijn laptop uit de Aldi, vijfhonderd euro afgeprijsd, de piepka-nalen inbegrepen, zijn systeem, verklaart hij stil. Dat mag niemand weten, hij tapt gratis af. Hij wil me zijn connecties graag bekennen. Zes madam-men voor zijn camera, hij schaamt zich, of toch niet. Is eenzaamheid een schande, briest hij plots. Vat het niet persoonlijk op, Omar jongen. Hij houdt me voor een blanke Turk. Ik lach uitbundig om dit gulle compliment. Karel is de kwaadste niet. Wel afgrijselijk lelijk. Iedereen zijn gebreken. Ik heb er twee, gemakkelijk te vergeten. Ik beantwoord geen berichten meer, dat is één. Wie me aanschrijft, die verblijdt mij. Maar ik vind geen wederwoorden, spijtig, dat doet zeer. Ik gedij de dingen in mijn binnenste, verzwijg een pad langs steile wanden, val in dalen zonder taal of teken.
Ook voor jou, Elise, wie was het die de ander grief-de, antwoorden ontsierde? Je kerfde door mijn wer-vels, elke zenuw een blessure. Dat dit heeft mogen duren, luister Karel, dat is mijn verhaal. Ook Eefje beefde, zij was afgemaild, verweesd, maar niet verwezen. Hoe kon ik haar brutaal geluk bevatten, ze was verrukkelijk van angst getekend voor het leven. En ik ben een schrikkelman, mijn tweede hindernis. Ik ontloop de hordes, maak een boog om vers verdriet. Maal dan maanden verder. Ik verteer geen kankers, Karel, zeker de malsgeaarde niet. Zelfs geen dames met de sappen van sinaasappels, ik lust hun volle vruchten nuchter niet. Omdat ik geen durver ben, een vluchter eerder, dat volstaat om laf te overleven. Afgepikkeld kom ik door de zomer, pieker nog wat zon voor ieder. Ik geraak een statie voort, bijna ben ik Afrikaans en Omar. Karel krijgt nog groot gelijk. Het spijt me allemaal.

22:01 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: eefje, elise, raveel |  Facebook |

04-07-07

in alle staten, onze straat op stelten

Vanavond was het plotse crisis, radeloos beraad. Elletje kwam op me aangesneld, in een haastig Prada-truitje, blote buik en jeans met gaten van Galucci. Fucking botjes, haren in een dot, de adem afgesneden. Ik zat wezenloos te tikken, verlegen om mijn onmacht. Sprokkelde woordjes tegen, tokkelde hopeloos door. Onnozelaar, bedacht ik stom. Ik speelde met mijn laptop, afwezig bezig zoals op mijn hoofdkantoor. Zij sprak de bange taalballast, de verdachte trage gang van zaken.
Ik keek haar aan en zag de vragen in haar blik.
Ja, ik wist het van Bettina. Nog vermist.

 

Ik had de dagen ongenadig opgeschreven, dat was van zaterdag geleden. Ik zag ze vrolijk kletsen op de laan beneden. Zij tevreden, ik discreet. Gedwee. Met hun tweeën violeerden zij de zevende melodie van Beethoven, of zoiets. Of misschien een andere top tien-sonate op het leven. Zweven deed ik van genot. Hoho. Ik paste op devote afstand in een onverwachte metafoor van Echternach, ik hou van zedige seks in de processie. Om maar te zeggen dat ik goedgelovig ben. Tot op de dag van heden. Want zij is verdwenen. Waarheen heeft haar weg geleid. Heb je veel geleden, Betje? Elletje bidt en smeekt me, maar ik kan niets ter zake noch de fac-to weten, ik ben ongeleerd een machteloze man. Wij bidden. Even maar, wij worden altijd snel be-schaamd. Wij prefereren eerder smelten, daarna smachten. Ik mail een bede en mijn lady sms't een beetje. Waar ben je, Betje? Hang je ergens vast, bevangen door een zwarte kanjer of en zware kater? Is dit slechts een pretje, klein verzetje? Bel ons en vertel het, kwetsbaar mensje, meisje toch.

 

Ik reik mijn kanten zakdoek aan ons Elletje. Snotter stiekem zelf uit haar bereik. Krijg geen enkele traan geplengd, ondanks nat geluid. Ik ben een valse huilebalk. Mijn hart raakt in de war, zit klem, ver-kleppert. Dit zijn harde tijden, ik verteer het lijden van Bettina. Troost mijn lieveling, de pose van een tweeling. Ik zie mijn sterrenbeeld en krijg ideeën uit de hemel. Een mysticus ben ik bij wijle, ik ga er soms op geilen. Ernstig, Elletje, ik heb een visioen ontvangen. Op mijn gsm. Is daarop ingesteld. Een G8 met factor X van Nokia. Gerold uit verse solden, altijd prijs. Want daar verrijzen de opgeviste regels van ons mismadam: ben onderweg, was op hotel, het was er donker, sober eten zonder drinken, heb weer kleren aan, ik leefde op de tast, etcetera.

 

Wij hebben nog een borrel cola uitgeschonken. Een mango uitgeperst, of dat niet kan, een tango afge-danst. Was dit zotte zwans of nagespeeld ambras? Bettina walst en zweeft weer, weelderig komt ze aangeschoten, op ons toe gedwarreld (rok en rol-lend) als een hoopje verse sneeuw, gesmolten zo-mer, op onze opvang afgestreken. Wij zijn haar on-bevlekte paar, haar nakende ontvangenis. Met grote graagte en geduld. Wij doen haar boete met genoegen. Zij is eeuwig zonder zonde. Schudt zich eens, de schulden van haar leven vallen af. Gezond lacht onze schoot, een aangenomen deelgenoot.

 

21:49 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ambras, botjes, taalballast |  Facebook |

01-07-07

vriendenbriefje aan Bettina, zonder grief

Beste Bettina, ik heb wel eens op je teentjes getrapt, zeker de laatste dagen. ’s Nachts gaf ik niet thuis, ik trok het laken naar me toe, het deken over mijn kop. Je kent dat hoofd van mij, het bonkt net zo hard als dat van jou. De zachtheid van mijn vrouw is niet van onze wereld. Wij zijn beukers, niet verlegen om een lange leugen. Wij willen alles en nog meer, pakken gulzig, ongeduldig, hier en nu meteen. Onze grote goesting in teveel houdt ons moeilijk op de been. Met builen en met blutsen, we vallen ons blessures tot we blut zijn. Tot ik, zodus doende, tegen je schenen stampte, nadat jij me een hakje had gezet, haaks op mijn onverwachte flanken. Als ik implodeer, dan ben ik wreed en vrank, dan staat de wrevel stijf van nijdig-heid in mijn lijf. Dan smeer ik woorden zonder boter aan de galg, dan serveer ik gal. En leg ik regels van doorregend leed op ieders lever, het weze de liefste lezer, ieder wezen dat mij streelt. Of striemt, je kiest me maar, naar believen en genegenheid. Maar wees eerlijk, spreek Bettina.


Vertel jezelf de waarheid van je schone schijn, het scherm voor hartenpijn. Ik zie je pezen openliggen, niet genezen. Ik kan je verder niet bewegen, ga je gangen. Jaag jezelf niet langer op de klaagzang. Veeg de rommel uit je leven, haal de schimmel weg, de rimmel niet vergeten. Een remedie tegen rimpels. Pimpelen laat je beter, ook dat weet je. Dat ik een zaag ben, denk je, dat vergeef ik je. Maar ik ver-geet niet dat je vijftien jaren lente was en nu in volle zomer staat. Bewaar die vijftien over volle lengte van je dagen, je bent mentaal een meisje dat de herfst en winter halen moet, waarna weer lente komt. Ik zever niet, ik ken de tekens van wat ouder heet, dat staat voor zeventien. Je weet waar wij verwijlden, dat wij toen twijfelden, te-recht, jij ging je weg. Ik viel in andere armen, kwam de warmte van een zuiver zuiden op het spoor. Kroop in een hete huid. Werd verder opgewonden, doorverzonden uit jouw leven. En jij botste, hotste door de hitte, flirte met een witte, dan een donker-blanke, alles kon. En klonk een stonde slechts. Van het liefdesledikant naar scheiding van de sponde. Jij lag vaak gewond, lachte opgemonterd vlug, zat terug in zak en as. Ambras werd afgewisseld met sjartellen van Chanel, een Armani-jas, een blitse tas van krokodilletranen. Wat was je leven duur, geen uren zonder Gucci of Delvaux, ze brachten glitter en cadeau’s met gouden strikken. Valstrik-ken, dat wist je.

Wat moet een prille puber met die weelde in het lijf, je kronkelde van dag tot dag nog ongezonder. Jong verwonderd blijven werd een hels bedrijf. Je  rebe-leerde. Omdat je van jezelf vervreemde. Nu zwalp je soms, je spartelt. Tastend naar een luchtbel hap je restjes adem. Rustig maar Bettina, beef niet meer. Beleef je leven op het droge, leer bestaan op vaste voet. Ga verder en verwijder je demonen. Maak je dromen waar. Je kent je eigen aard. Beloof je beste beterschap, de plotse boodschap van ver-schoonde soberte, je bent het waard. Voor altijd vijftien, fijn besnaard, geen tierlantijnen meer. Ik ben jaren ouder, te weten zeker twee. Tevree en levenslang getrouwd, steeds zeventien. Lees dit puur epistel, jouw natuur heb ik geregeld. Je zult snel zien: je intieme zelf kruipt hier vernieuwd naar buiten. Ik zegen je bij deze, zonder kwispel, maar dat wist je reeds. Een grap zit zelden in de staart, is dikwijls veel gelaagd. Nog vragen, vriendinlief?


20:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bettina, demonen, soberte |  Facebook |