22-07-07

verschoning voor het koninklijk pardon

Koning Albert heb ik persoonlijk minder goed gekend. Twee, misschien drie keer, goed met hem gelachen op een receptie. De man zat nooit verlegen om een grap. Nogal aangebrand, wat dachten jullie, lezers? Een le-vensgenieter zulle (zei hij zelf). Vraag maar aan Elle-tje. Zij was erbij, hij stond blinkend naast haar, keek discreet en tegelijk begerig. Geen ogen op zijn vor-stelijk gat. Verschoning Sire. Om maar te zeggen, het zijn zeer gevoelige mensen hé. Van vlees en bloed, dat laatste weliswaar helderblauw. Maar maakt dat een verschil in warmte en in charme. Niet flauw doen, antwoord ik dan aan alle anti-royalisten. Want dat zijn meestal azijnpissers, zoals Marcel van op den 137, Fonteinstraat te West-Leuven. Marcel is voor-stander van een dosis despotie, stemt zwartgallig op VB, lapt solide monarchaten aan zijn soldatenlaarzen. Hij marsjeert ’s nachts op flarden Wagner in zijn flat. Ik hoor hem bangelijk bezig, soms scandeert hij sca-tologische slogans. Ik zwijg nog van zijn seksafwij-king. U kan zich daar wel iets bij voorstellen. Ik denk dan met de handrem op: leve de vrede van ons vor-stendom. Een slimme tegenzet van mij. Dank aan mijn verblijf bij onze Koninklijke Veiligheid.
Ik heb meer dan twintig jaren rondgeparadeerd op het plaveisel ten Paleize. Want dat was het vaak, een royale parade. Je doet het graag of niet, er is geen dubieuze tussenweg. Ik was pro, daar valt niks op af te dingen. Eén keer zat ik een kwartier ten kantore met prinses Mathilde, ik mocht haar kroontje niet ont-bloten. Het gesprek blijft onvermeld, dat spijt me niet. Zo zijn de regels van het Eerste Belgenhuis. Respect, geen rellen of geen lekken. Excuseer, Marcel.
Ik kan evenwel subtiel en node een teneur signeren, terminologisch volgens de codes. De prinses is per exempel niet van deze wereld, een hemels meisje, freel doorschijnend
. Moeder-mariëske goedheid nog aan toe, helemaal te kwetsbaar voor lekenwoorden. Mijn handen klamden onder de indruk van de interne sessie, haar afdruk staat gestempeld op mijn dienend hart. Ik moest thuis de groeten doen, en dat ik proper hofwerk waardig was, schoon mijn plicht verrichte. Ik dankte deze hoogheid op haar benen en haar benge-lend nageslacht. Een dame was ze par exellence, ja-wel merci chérie (lapsus). Als ik haar nu terugzie, thuis op breedbandtelevisie, dan peins ik aan ons eertijds samenzijn (teder). En dan zwijg ik, verbijt ik pijn en eenzaamheid. Een eer voor deze jongeheer.

 

Zo kom ik in mijn dromen vaak nog onze schone Koning tegen, de haastig zalige Boudewijn, helaas een tijd verwijld. Voorwaar een heilig man. Stijf van doorwaakt ontzag ontwaar ik hem in visioenen als de Grote Goeroe. Goed doen was zijn roeping. Zoals hij mij ondervroeg (méér dan één keer, niks ver-keerd mee) over mijn ambities in het leven en de liefde, de hobby’s en de sport. Hij appreciëerde lenig mijn foulée, zonder bijbedoeling. Noteerde al mijn tijden op de afstand van het nationale spel. Een delicate inzet, zonder aanzet tot getotentrek. Meer mag ik helaas niet zeggen. De nobele Koning troont nog stiekem mee en corrigeert mijn fantasie. Een immens plezier voor mij, ik geniet van de com-motie, tricoloor geaard. De nostalgie is wederzijds, dat werd mij door de clandestiene diensten van de Royale Veiligheid verklaard. Want dat wil ik nog kwijt. Kapitein Didier Collier is langsgekomen. Hij had last van zijn geweten. Ik heb het eerherstel aanvaard. Noblesse oblige. Waarom zou ik liegen? Ik draag het kruis van Ridder in de Orde X (geheim) sinds gisteren. Op mijn borst prikt bijna zonder pijn het teken van de Vorst. Voor intimi: zie linkertepel. Op de rechterbips volgt nog voltooiing: adelijk van bil.

De commentaren zijn gesloten.