10-07-07

kweek van boze bodem: tettenmiekes

Ik ben Annemieke en Rozemieke tegengekomen, heel onnozel. Ik flikkerde door hun schrikgezicht, langs hun bange achterblik. Ik was de spoken bijna op het kromme lijf gelopen. Twee verdwaasde te-genstoters. Waar ik nooit een poot naar uitgesto-ken heb. Hun tepelpiercings waren er te veel aan, wegens te gemeen, te lelijk. Ze prikten door mij heen als boze tongen, wezen met verkeerde tekens in de tekst, priemden vooral weerzin. Met de dag nog meer. En minder seks, er was al niks en nop-pes. God beware me. Balorig werd ik van hun spel, kreeg ik kwelkoorts om die domtaal te aanhoren. Als het opgeklopte geil in goeiekope kwijl verleb-bert, dan verslapt de vloed en eb ik weg. Dan gaat een man gezond van jaren balen. Een beetje stijl vereist een dame, hoor mij, harde meisjes. Knabbel langzaam, lik nog rondjes trager. Sabbel smakelijk. Slik de worteltaal.  

Waar blijf ik deze vorm van hallucinatie halen? Uit de korf van opgevreten binnenwerf, de randen van verrot bederf, het geweld van straatmadammen. Een klotenmand die zich met kontjesmaat laat openkletsen. Zie ik hete belletrienen flirten of een tweetal dellen lachen in een loopse pose: dan krijg ik verleden bijgedachten. Flitst de hele heisa door mijn hoofd, haalt mijn hart zich mateloos overhoop. Want dat ik hét geweten heb. Hun achterbakse bipsen, zoals ze hitserig blonken, in elkander smol-ten, klonterden. In de schuine weer met smeer en smodder, met geschuifel over gulp en pulp van pruimen, zich in split en spleten staken. Bah, vagij-nen als ravijnen. De huichels braakten zich een weg door hetzerige huid. De pretjes in de nesten konden ze ten lange leste niet triëren. De beddelijke hemel werd hen zomaar door een man ontzegd. Ik ben hun valse vader niet geweest. Geen gehannes, niet met deze jongen, een hoogbeschaafde scharrelaar. Geen bastaard maar een minnaar. Ik beken de moeder zonder dochters. Al mijn schaamte is hen vreemd. De schande niet mijn deel. Oh neen.

 

Ik heb hun kruisen afgeweerd, ze leken me als haken aan te staren. Ze staken stijve armen op, recht van trouw en heil. Ze zwollen in hun soep van eigen bodem. Sopjes van verdacht gedacht, daar past mijn draagpartij niet in. Te rechts gerekt van spreiding, heikel in de wankel op de nazinder, fouter in het oude oostgewin. Dag fascitistjes van mijn afgesplitte jaar, wij vieren morgen feest. Wie Vlaming is, haalt fierder adem. Elke dame sekst zich recht. Correcte venten maken complimenten. Dit geldt voor iedereen, behalve voor de bende die ik kende. Nero was hun opperhoofd, zijn schandknaap heette Jommeke. De rest werd opgetrommeld als soldaatjes à la Filliberke. Wie mij hier verbieden wil, bedriegt de natie. Ik plaats finaal de spatie, zeg: Sieg Annemieke, zij wiegt Rozemieke, in het dietse Vlaams. Belang in kuddes opgeblokt. Zij lezen hun gebeden, bewandelen analoge wegen. Onze orde wordt gehandhaafd. Bang!

22:04 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: annemieke, rozemieke, tepelpiercing |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.