27-06-07

aan de geheel onwetende burgemeester

Dit item ga ik uitzonderlijk afprinten en persoonlijk aan de man brengen. Dat is niet mijn vaste gewoon-te. Ik ben geen boodschapper, noch een loopjongen om den brode. Maar ik ben nog steeds onwetend omtrent Leuven blogt of niet blogt. Nochtans was ik aanwezig op de stichtingsvergadering anderhalf jaar geleden. Het zit nog fris in mijn smaakpapillen hoe lauw de cola light was. De chips lieten zich hardnekkig kauwen en van de gelinkte strip-tease kwam niets te-recht, bleek een grapje. Zoals het ganse opzet blijk-baar. Vijfmaal heb ik die charels achteraf gecontac-teerd, geen volk aanwezig. Tot drie maanden terug die éénmalige mail: of dat ik woude meedoen? Nee, dat woude ik niet, Wouter, maar ik zoude occasioneel een bijdrage storten. Te nemen of te laten, rode ka-meraden. Noppes wederwoord. In de tussentijd liep ik de communicatiepater van vader Tobback nog eens op het lijf. Hij was de academische verwekker van het webembryo, zogezegd zijn eigen stadsblogweide. Wees maar gerust mister Manco, sorry Mario, we zitten eraan te komen. Aan watte, monkelmans?

Het is ook weer een paar pc-weken geleden dat een particulier initiatief van start ging, een alternatieve stadssite, onmiskenbaar links getint Ik schreef naar deze omgekeerde gasten om te weten of zij een afgedwaald filiaal waren van het opgezette Leuven Blogt. Niemand thuis, riepen zij uit het bovenraam, ook niet bij herhaalde malen aan- en terugbellen. Deuren inbeuken is al lang mijn stijl niet meer, geen pand zal ik nog kraken. U doet maar verder, opge-blogde heren, verdeel en heers uw egospel. Zal ik de dames wel soigneren ondertussen. Bij manier manier van spreken uiteraard. Verschoning lieveling.


Wat ik wil zeggen: waar zit de naaste interactie, de communicatie met de basis? Hoe onaantastbaar is de socialistisch-progressistische elite? Ja u daar, meneer de communicatielullo, u bent een holle opklopper, een luchtjesbokser, een liegenbeest, een vliegenvanger.
U holderdeboldert achter iedere hippe slogan aan, u melkt de trend van iedere tent, u zuigt een mening leeg. Steeds overjaars en hopeloos te laat. U staat model voor de correcto’s en de intellecto’s, de altijd en overal perfecto’s. U bent de smoel en het gezicht van een snobistisch overwicht, een blasé tracé, een stalinistisch groot gelijk. De burgermens is uw gebo-ren opponent, de storend onbenullige smet op uw ge-zwollen borst. Gelukkig verblijft u ver van ons, op een haastig onbewoonder eiland.


Dan verschiet men zich een bochel dat de sp.a de electorale bocht uitgaat. In een dure niche zitten ze gewichtig door te zuchten, met hun kuchjes en hun achjes, met een bekakte vlag gemaakt van onder-goed à la Lannoye. Met pamfletten uit de pamperdoos van Hemmerechts Kristien, goedkoop gebleir van Jan Decleir en bij gelegenheid de aanwezigheid van Bar-man Tom en Tuymans Luc. Kunst van mijn kloten is dat toch begot. Niks bedoel ik letterlijk. Ik verpak mijn afkeer in de overdracht. Ik had één lichtgevend linkje met het rode huis, hun bastion in Gent, een baronnie van eiken hout, gerenommeerd geslacht van balie en blazoen. Daar werd ik bij het huisafval gezet, buiten-gebonjoerd. Let op je tellen, Marlon-nar en -proleta-riër, spreek beheerster taal, benader ons niet in de populaire codes. Dat leek me duidelijk de moraal van hun verhaal. Ik werd afgemaild en leep verlinkt, ver-minkt mijn ziel. De hedendaagse rozengarde wordt bewoond door harde tantes en onvolkse nonkels.
Dag Els & Eve, u bent de reden dat ik mijn winkel eerder afgesloten heb. Liever kort soleren dan me dood generen. Af tot nader order.

 

Een reclamegoeroe moet de analyse maken van het verse bloed, het rood verlies. Een makkie voor een ideologische nieuw- en oplichter, de oorspronkelijkste aanstichter. Beste Ludovicus, burgervader, gij die dat zo schoon kunt zeggen: met een welbepaald soort vrienden worden vijanden overbodig. Awel, ik vind opeens geen vriendjes in uw rangen meer. Waarom word ik verdomd verbannen, afgebloggerd tot een potentiële tegenpoter? Vraagjes voor uw hoogste communicatie-ondeskundige. Ontvang mijn nederig neergelegde post. Zonder boos of rood te worden.

21:01 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: anti-elitisten-socialisme, pro-tobbacko |  Facebook |

24-06-07

Elletje gaf met Betje elegant van jetje

Behalve erotiek is er aan de titel geen spectakel vast te haken. Evenmin als aan mijn koffie, ik dronk hem zonder melk of suiker. Twee keer slikken en ik was al uitgepraat. Hun blonde glas blonk ondertus-sen van weldadigheid. Schonk praatvaardigheid, parmantigheid tot aan de warmste tolerantiegrens. Ik mag ze graag, in hun extreem verband. De gene-gen tegenstoten. Ik noteer gradaties in behagen, naargelang verzaken aan de zaak. Het gras is ner-gens groener, ook niet aan variante kant. Het weze zo, ik heb het opgetekend. Zonder ongenoegen.

Over naar het proza van de poëzie. De langste zo-merdag lag opgeblonken in de stad. Hun zonnebril zat dapper in het zwart gewarreld haar, met opge-stoken lokken, lees verlokking. Daar staarde ik zonder schaamte naar, schaapachtig. Ik zat erbij van aangename overbodigheid, een overtollig manspersoon. Mijn gedachten zwollen terwijl mijn woorden rolden, stolden. Ik was een hoop ballast op hun terras. Maar ik maakte geen ambras. Kuste afscheid en betaalde geen gelag. Toch nog goed gelachen, dacht ik in mijn straatje terug naar af.


Ben dan doolaard Robbe op het lijf gelopen. Zat weer moederziel alleen te prakkizeren. Op een bankske aan het water, alle eenden klapten met hun veren, kwekten van belangstelling. Pletsten van de seks. Want Robbe is de gast met kwasten, smoddert schoon met verf. En met het leven soms. Ook omgekeerd. Onlangs werd hij overreden. Een straatmodel betaalt daarvoor de rekening. Madam was hem vergeten bij het oversteken. Robbe stak met hippiehaar en kop onder het geweten van haar ranke wielen. Ge zoudt voor minder verzaken aan uw ezel, verklaart hij mij. Ik pak hem uit een op-stoot van compassie mee, daar kleeft geen greintje medelijden aan. Wij gaan een wafel eten. In het pannekoekenhuis, bij zotten Theo. Robbe noemt hem Theofiel, een subtiele woordspeling op zijn afwijking. Enfin, hij is een homo als een ander mens.


Kijk die ferm galetten daar, fezelt Robbe in mijn oor. Hij morst wat stroop (smeert hij altijd op zijn wafel, slagroom voor den deze). Ik trap niet in zijn grap, lijkt mij te slijmerig, een knipoog van zijn verfpalet. Schilders hebben kuren, kleuren elke werkelijkheid in. Dat weten enkel domme ganzen niet. Verdekke, Robbe heeft gelijk. Wij verslikken ons fameus, ikke dus. Welven Elletje en Betje plotseling voor ons op. Welgevormd, in vol ornaat. Twee madammen van formaat. Krijgt Robbe alle aandacht, klopjes op zijn hart en kuskes op zijn baard. Hoe dat het met hem gaat, of hij reeds te poot is, goeie kloot toch. En hoe groot de lasten en de smarten wegen, zij wik-ken hem terdege. Moet er nog meer stroop zijn, overdenk ik. Daarna lik ik langzaam slierten slag-room van mijn mond. Ik geef geen enkele kik. Ik vertik gesmolten woorden hier. Plezier zit aan de binnenkant. Zij gaan zich graag te buiten. Belletjes vertellen.

22:21 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: robbe de schilder, de belletjes |  Facebook |

21-06-07

drie elfjes uit een elftal van verwerking

Ik werk mateloos en graag. Op een slagveld van bevalligheid. Met zachte slagkracht. Met machtig schoon gerief. Met maten en met vormen, alles in zijn plooi. Met pauwen die hun veren openvouwen. Weelderig uitgestreken en getooid. Met stoten, lie-ve toten, zie ze lachen, zich verleiden, andersom. De zinnen van verzinsels en voorzieningen, de zwier en zwaaiers. Hun aanminning waait in vlagen over mij. Opvliegers liegen niet. Vertraagde ademnood. Altijd bewaseming. Voor minder wil ik niets omring-en. Cirkels schoon kantoorvertier.
Meisjes zijn als vrouwen neergelegen. In het mini-steriewoud. Mysterie van vertrouwen. Heb erbar-men, zondaar, luister naar het uitgelekt berouw. Zoals ze spreken, zijn ze trouw gebekt. Ik zucht en hap naar lucht. Ik rek mijn nekvel, strek mijn ogen. Elke dag is zomer, wordt het wonder aangekondigd. Een belofte opgebroken, dwaalt de leegte door het bos van borsten, grillen, billen, benen. Tongen lik-ken aan gelakte tenen. Zatte hemels barsten open in mijn hoofd, breken elke vezel van mijn schedel.

 

Spontaan kijk ik naar rechts. Daar zit lady Zen la belle te zijn. Verstild, een vat emotie. Spatje lach op lippen die de teksten dienend bidden. Zegt ze niks, ze is geheel aanwezig, gratie en betekenis, de vrede in zichzelf. Ik bereken dat ze nog geen lief-des heeft gekend. Haar warmte is een schaduw die om tastzin vraagt, vanuit haar onaanraakbaarheid. Een maagd die aarzelt voor de openbaring. Zonder haast en zonder schaamte. Ik verbaas me van haar raadsels. Zoals ze kan staren.

 

Tateren doet de overkant. Het lichtgewicht van jong plezier. Ze orgelt door de woordenkrans. Danst op haar klavier. Ze is plezant gestemd. Heeft kind en vent, ze gelooft haar leven niet. Geeft zich geen verveling, steeds versnelder rent ze weg. Speelt zichzelf, een teken van onzekerheid. Ze camoufleert dat ze acteert. Dat ze evenwichtig is bijvoorbeeld. Het aanbiddelijkste nichtje. Kwetsbaar wicht, zoveel is zeker. Innerlijk verdient ze beter dan te weten dat ze lijf en leden heeft. Beminnelijk glimt haar blik.

 

Beminnen, dat wil nummer drie. Meer dan frivole twee. Ze lacht vaak van verdriet. En niemand die het ziet, maar iedereen weet er stiekem van te spreken. De gemene deler, dat zijn wij tesamen. Het theater in vergadering. Een portret wordt op-gelegd door naaste onbekenden. Verlate pijn zit in de staart van het gesprek, niets blijft onverlet. Het rakelings venijn wordt omgezet in pret. Net niet kwetsen. Praten is een aardigheid waarin zij zelden slaagt, altijd herprobeert. Indirect en steels. Ik tel de restjes van genegenheid.

 

Drie elfjes uit een elftal in de ronde. Rondom mij. Rotonde en langsom. Mijn ik en zij, zij allen. Zij aan zij. De zijdes van verwondering. Verstomming onder ons. De meisjes lijden aan vertwijfeling. Geen man geeft hun partij, een vondeling is wel bevallen. De jongen van het schrijfbedrijf, geen leider of een lief. De bespreking zet zich verder in een ander tafereel. Vandaag kwam de reflexie, morgen volgt de naklank van het nagelaten deel. Nog acht te gaan. Als het mag. Dag dames.

21:50 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: elfjes, elftal, rondingen, rotonde |  Facebook |

18-06-07

uit het opgelifte leven van ons volk

Frans draagt nu panty’s, zonder onderbroek. Goed, de man is bijna tachtig, ik ben jong en tolerant. En ik verschiet van niets meer. Wat zijn klein Suzanne mij allemaal komt vertellen, blozen zal ik daarbij. Samen in de lift is het altijd vandatte, dat is span-nend zweten. Zoals ze naar mij opkijkt, schalkse blik, zij zet mij aan het schuiven op twee vierkante meter. Of ik het ook al weet van Teske Goossens, vraagt ze mij terloops. Hallo moeder, guess who? Die tee-vee-madam is mediatiek getrouwd in de kathedraal van Antwerpen. Ik neem akte van deze aardverschuiving. Voor Suzanne (76) is zoiets we-reldnieuws. Tess was in het wit satijn ontworpen door een Fransoze homo. Het feest vond plaats in zaal Chichi en daarna was er heelwat tralala, lees maar na op de starterspagina van De Standaard,
zo bezweert Suzanne serieus mijn ongeloof. Ik ga transpireren van zulke mededelingen, het zijn uit-puttelijke onderwerpen. Maar ik weet dat Suzy graag computert, met haar oude knoken tokkelt ze uren naar het laatste nieuws. Dat mag dan op het stort van ‘roddels & komkommer’ liggen, zij heeft het bij het kwaliteitsblad opgeraapt.

 

Frans, haar man, is van het minder intellectuele slag. Meer een werker en een genieter zoals ik. Wij zetten graag een boom op over ‘hoe een vrouw het best te onderhouden’. Frans is een snuggere prag-maticus. Om Suzanne te behagen voldoet hij graag aan al haar grillen. Zo wou zij elke avond de samba dansen, of een rumba tijdens het weekend. Dat marcheerde zonder één probleem, ik heb nooit ge-klaagd over hun kreten en gefluister, het geschuifel en haar getater dat weerkaatste op het laminaat. Tot Frans het op zijn heupen kreeg. Hij wou nog wel, maar zijn scharnieren kraakten. Onderkruiper Dolfke van het kelderverdiep is dan een tijdje in-gesprongen. Hopeloos. Die jongen (74 slechts) is losgeslagen rock ’n roll. Hij heeft Suzanne een paar keer door de lucht gesmeten en dat vond Frans te gortig. Zeer terecht. Dus besloot hij, na klinisch overleg met mij, om zich te laten af- en opbouwen. Vandaar die panty’s momenteel. Als ge het niet weet, dan ziet ge zoiets niet. Maar het kriebelt wel, vertrouwde hij me gniffelend toe. Dansen lukt voorlopig niet, eerst moeten die vernieuwde heupen voldoende ondersteuning vinden. Om te depanne-ren loop ik soms eens langs, voor het tragere werk met ons Suzanne. Een slowke kan er makkelijk van-af. Eéntje maar, om misverstanden te voorkomen. Want Dolfke volgt de zaken op, hij is nog altijd in zijn gat gebeten. En met die ouwe rockers wil ik liever geen ambras.

 

Daarbij, ik denk dat we bijna uitgedanst zijn. Frans leeft zienderogen op. Elke morgen komt Marijke langsgesjeesd, een masseuse uit de Tessenstraat. Ze draagt haar minirokje van de kruisverzorging, nooit iets langer, want ze is eens blijven hangen, aan een knapstok ergens. Daar kan ik wel inkomen. Voor een jeansbroek is haar kont te dik. Enfin, het zijn mijn zaken niet, maar ik blijf altijd ingetogen als we samen opstijgen. Zij vindt dat ik toffe buren heb , dat ik begripvol ben, het fijngevoelige type. Op Dolfke valt ze minder, een seksmaniak, denkt ze. Ik geef haar steeds gelijk. De laatse keer zat er een ladder in haar panty, ik had het meteen gezien. Maar die kousen konden toch nog dienen. Onmidde-llijk uitgetrokken, een afdankertje voor Frans. Wij hebben daar nog goed gelachen in die lift. Sorry Dolfke, roll-on your minirocks.
 

20:11 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rock n roll, rumba, samba |  Facebook |

15-06-07

zachtvol in de dood, volgt meisjesmoord

Poes moest dood. Een hard verdict van mededo-gen. Blik van schrik zonk weg in kronkels onbegrip, met ogen die nog om genade staarden. Daar ston-den we dan zomaar, met onze wanhoop in de han-den. Het beest had niks misdaan. Was ziek gewor-den, weggeteerd, vergat te eten van ellende. Etaleerde zich allengs niet meer. Dan verpak je onmacht in een kattenmand. De dierenarts was jong en blond, gaf ons een laatste kans. De stiltes duurden twee of meer minuten, leken uren die om uitstel snikten. Een bonus van vier weken, zes mis-schien. Geen garantie op een beter leven. Er zat soelaas in, maar geen spat genezing. Toen wij op-teerden voor het spuitje, smeekte poes met stuip-trekkingen.
Het meisje dat mij vergezelde sprak en stamelde in tranen, haar kat ging sterven in het vastgelegd scenario. Wij beslisten voor een einde uit de pijn, ons hart brak eerst, herstelde zich van medelijden. Poes werd tactvol en met tederheid naar het prikje van de laatste roes geleid. Het meisje streelde af-scheid, met de zachtheid van een andere wereld, handen wenend door de pels, een vacht verdriet zonk weg. De dode kattenogen hebben ons de ka-mer uitgekeken. De arts leek bleker dan een engel, alle meisjes breken sneller, een troost voor onge-wild geweld.

 

Ik kwam thuis en wou kalmeren, innerlijk de vrede genereren. De leegte had zich weer dapper geïn-stalleerd. Hoe de wrevel en de wreedheid van de wereld steeds parereren. Nogmaals lezing van de morgenkrant, tegen beter weten in. Verneem ik van dat meisje, allochtoon en jong vermoord. Met een blote veter. Het staat er laaiend en snoeihard ver-meld, in twintig droge regels. Zonder commentaar, gewoon relaas. Meisje was verliefd geworden op de foute jongen. Haar familie sprak een veto uit, be-weerde dat een eer gekrenkt werd. Meisje werd bedreigd, kreeg rake klappen, diende klacht in bij agenten. Tevergeefs. Haar vader speelde met een nestel, nonkel hielp het noodlot, de voltrekking volgde. Een vonnis om de liefde te versmoren.
Haar laatste blik voor de verstikking: laat mij uit
uw handen gaan. Vergeef ons allen, teder kind, de dood heeft u te hard omhelsd. Uw hoofd werd in een doek gewikkeld. Sluiers afgerukt in de gevan-genis. Een tralievenster laat uw stukje hemel zien.

 

Ik leg de krant weer weg en wandel buiten. Stap het kader uit, het panorama in. Hoe wankel is dit klein balkon, een hoogte die van eenzaamheid soms verderkwijnt. Hoe gaat het anders jong, roept Bet-ty plotseling. Ik steek een handje op, bereken vele meters naar beneden, van vergeefsheid. Wat kan een sombere man alleen vermogen, vriendschap is een reddend woord. De wereld is om zeep terwijl wij blijven doorgaan met de resten van dit leven te verzinnen. Hoopjes onzin. Soms beminnen. Om de meisjes kwetsbaar bij te staan, hun weerloosheid met onze zwaktes te beschermen. Onvermogen is een poging.

12-06-07

sprookje van de wals met verse walm

Duifje van twee huizen verder zegt dat we weer zijn thuisgekomen. Ze is duur en dom, goedgelovig en gelukkig, niet blond. Haar bijslaper is een geslo-ten man, Westvlaming van geboorte, nors geaard. De buurt is multicultureel, daar heeft hij moeite mee. Niemand verstaat zijn taal. Ik richt me mees-tal tot zijn tolk, zijn pronkmadam. Zo vernam ik dat haar Juul in mest gehandeld heeft, stinktransporten naar de Walen. Er was sprake van een gat in Afri-ka, zijn zoon vult daar nu de aarde met wat rotte overschot. Als Chantal vertelt, dan lispelt ze. Ze knipoogt van verstandhouding, een kwinkslag naar het makkelijke geld. Het rolt met liefde in haar bed, uit Juul zijn opgebolde zak. Een dikgenekte sjoeme-laar uit Harelbeke, kwispelstaartend rentenier en opgefokte katholiek. Hij heeft de moeder van Le-terme nog gekend, als naaste nicht, haar inborst braaf. Zelf bleef hij stiekem onbemind, een kind met knikkers werd een regelneef, een verstokte bikke-laar met geld tot op vandaag. Bingo zingt hij onver-staanbaar. Inderdaad, mijn huis is waar mijn over-tuiging staat. De gladde tsjeven zijn geland in Leu-ven. Tobback houdt zijn kak in. Zegt minnaar mest-mans zelfvoldaan. Kerk en kapitaal, een arsenaal van valsheid staart hem aan.

 

Tragisch is dit niet, we zijn een voorschoot groot. Toch stoort het mateloos. Dit nieuwe soort preten-tie. Gelardeerd met platte pret en zwarte appel-taart op zondagnamiddag. Geraniums lachen zich een ongeluk. Wijventongen likken de gordijnen nat. Een processie trekt voorbij, devoot hun normen en hun nonnen (ingetogen Inge), waarden van een volkspartij. Op holle stap, hun boodschap fladdert met de wind. Het weer zit altijd mee, verandering komt schoon op tijd, op trage stond van een ver-kondiging. Wat ze zeggen, klinkt als prevelen in gebed. De mantra’s van de afgezaagde degelijk-heid, annex geclaimde eerlijkheid, twee lege dozen voor de prijs van één. Een bende kwezelaars en puriteinse rukkers. Straks wordt het menens, ze plukken de eerst gefezelde minister. Wij worden anti-libertijns opzij gezet.

 

Het zal ons worsten wezen, deze pensenkermis. Een verlaat santé aan paars, een négligé voor dwaze paapserij. Wij passen voor een tijdje, duiken onder in de onzin en de zonde. Tergen alle werken van Leterme, kermen tegen waar wij kunnen. Erger wordt het echter niet. Tenzij voor ons Chantal en hare Juul. Want pater missieman heeft centen no-dig: om beloftes aan de zwakken hard te maken. Ik expliceer het nog eens aan mijn buurmadam, ten behoeve van haar steels begoede vent: twee mil-joen meneertje. Wablief wasda, blaft Juul, hoeveel euro op mijn telraam? Ik teken tachtig blinkmiljoe-nen neer, aan verse franken voor zijn geldverstand, toegezegd door coming man Leterme. Dat bedrag mag rollen uit hun mercantiele handen, zwart ge-pikte zakken. Heeft den Yves verteld, aan hen zelver. Commercanten uit dit opgepotte land zijn ongenadig in hun onvermogen, zij hebben deze nieuwe orde in hun hart gedragen. Een rechterklep ging schaterend open staan. Straks klappen alle tanden dicht. Politiek genot kent soms een prijs-kaartje. Wie laatst lacht… ach, laat maar. Dag Chantal, tot later.

20:13 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: chantal, ingetogen, inge |  Facebook |

09-06-07

op trektocht met Leterme naar de kerk

Vier éclairs voor twee euro zeventig. Zeg nu zelf, zei ik in mijn eigen. Ze stonden te pronken in de aanbieding, blakend van gezondheid. Misschien met een vervaldatum op de koolhydraten. Maar het was de laatste doos in de winkel. Hebbes, dacht ik. Die indigestie is een zorg voor morgen. Een mens moet soms snelle keuzes maken. Baat het niet, awel dan braakt het maar. Verschoning voor dat laatste. Het zit me wel eens hoog. Ik word steeds minder kies. Zelfs kregelig van verkiezingskoorts Wat zijn we laag gevallen, verneem ik vooral de laatste dagen. De spruitjeslucht kruipt in mijn neusgaten. Uit mijn oren groeit een worst met bloemkolen. Het zijn me-taforen van verval, patattensmurrie op mijn bord, een portie Vlaanderenpuree, een snee komkom-merland. Het droge brood smaakt beter dan een roomse schotel onzin, zoals ons voorbepoteld door een grijze dominee. Hij grijnst als een pastoor met zin in zonde. Het komiek plastieken paterke, zonder lef, met bretellen op zijn ballen. Een monkelmans die mayonnaise zonder mosterd klopt, ik modder verder met zijn woorden. Deze brei valt niet te vreten. Maar ons land blijkt in de stemming. Peilt zich verder naar het eiland van ellende, pretpark waar een stijve hark de troon bijkans bestijgt. Het schaamrood is een blos die niets ontbloot, geen schroom vertoont. De tijden gaan veranderen, dat scandeert vandaag de schande. Zoiets heb ik pas gelezen, prietpraat voor de tateraars, de stame-laars, de stom onmondigen, de kuddes die gaan grazen waar de weerlozen zich schudden. Ik zoek meteen beschutting. Moeder, waarom kiezen wij? Ochheer, vergeef ons onze hoogmoed in de on-macht, onze voorstand op de welstand. Waar eindigt deze kwelling, opgeweld in oog en mond bij volkse voorstellingen. De stemmen worden niet ge-hoord en snel geteld. Het paapse saldo klinkt van ver te voren, geel-oranje blaast ons van de toren. Salvo’s voor de tegenkoren, al wie roos of rood ziet, schaamt zich dood, wordt paars van woede, groen van jaloezie of deckt zich in. Restanten zijn een bangelijk part voor zwart belang, het blok rolt grommend uit zijn hok, de breed bemeten kant en kwal.

Afgrijzen wordt ons deel, de koster is haast keizer. Zijn gewaad werd opgenaaid zoals het stiksel van zijn mening, de steriele kleren van een uitgetreden kloosterling, een middenmoter doorgestoten in de modder van de mediocraten. Elke burgerman her-kent zijn mankement, slikt bij mondjesmaat gedach-ten in: geen geschenk van opiniëring. Schor stopt hier mijn stem, ontferming onzer. Laat die katho-lieke kelk aan ons voorbijgaan. Wij willen politieker swingen, voor het zingen van Leterme uit zijn kerk wegspringen. Onze melk kookt over van de klodders preek. De hete lellen zijn het vel van verse hekel.

 

23:13 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: leterme, kerk, stemming |  Facebook |

06-06-07

de vergadering vergaapt zijn staart

De melkerij van ons Mireille, die wil iets vertellen. Voor wie begrijpt wat ik bedoel. Daar ligt ze schoon voorover op de tafel, schrijft met lange halen. En dat vlees maar deinen ondertussen, in al zijn bleke volheid, blank en vrank rondborstig. De vergadering houdt zijn adem in, benadert haar genadig. Zalig is zij. Wij zijn drie gezonde mannen, letterlijk gepaard aan zes madammen. Prammen denken wij allen. On-ze tekst staart zich perplex van onvertaalbaarheid. Geen aanraking verlegt zich, vat het zeggen van een week gevoel, de dingen te beroeren, hoe. Een delicaat verhaal. Wie kent de plotse inval voor een sprong, een jump, een dunk, een duik? Met malse woorden in het dal. Jawel, ons bakkes op haar bek. Dus slikken maar en watertanden.

Trekt ze toch die handel recht, verschikt iets in een flits, een lint, een lok. Ze gooit het haar naar achter, lacht verstrooid. Wij denken aan haar laatste nacht. Gezegend zij de hemel in haar vle-zigheid. Herneemt zij droog het exposé, vertelt van onze namen, nummers op een rij. Ik ben haar lin-kerwing, zeg maar dossier vier. Tussen wang en wang een krater, ik verkramp mijn dagen met ple-zier. In dit verdriet wil ik gloriëren, zo te zweten van barmhartigheid, een hart dat tegenover stroomt. Van veel te veel gerief. Geen grief mijn deelgenoot, zij streelt, beveelt. Mij om het even, waar was ik gebleven? Wel Mireille, begin ik plech-tig, elke averij valt averechts, ik specifieer, in gra-fisch wezen te benaderen. Ik teken mijn bewering in de lucht, verleg de weg linksaf en graaf een statistiek de diepte langs. Een rechte lijn valt om, ligt krom te staren van bewondering, verbazing als een aardbeving. Het raakt geen kant of wal, zegt zij. Mijn tijd is opgemeten. Ik stap af, de sprinter met de platte band. Dag bloemenmeisje, bloos ik. Mijn moreel bezwaar herhaalt zich kansloos. Ware feiten botsen met een grond beton, haar mals ge-wapend front. Ze glimlacht onveranderd naar de glimwormwereld, haalt staalhard haar boezem op en neer. Staart met open mond, kom jongens kom. Ze is de volle wolk rondom. De mist van ons geweten. Wreed.
 

Ik klappertand. Applaus van de aanwezigheid, wij zijn het eens. Verdiende tijd voor koffiepauze, ze-nuwplas. En geen ambras, proberen mag altijd. Tot aan haar eigen grens. Mireille verijdelt elke redene-ring. Wij zijn onvervaarde klerken, zwijgen dapper in het kwaad. Een ras van ambtenaren in de flank ge-pakt, op flarden erotiek, haar seksfysiek van groot gelijk.

 

22:58 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ambtenaren, melkerij, klerken |  Facebook |

03-06-07

bloggermans vertikt zijn tegenslag

Het is zaterdagnamiddag, kleine dreiging, heibel in de schaduw. Ik tokkel mijn berichten, tegen beter weten in. De buitenwereld heeft een virtueel ge-zicht, ziet mij nergens zitten. De innerkring is heden uit mijn spreekbereik. Loretta is in wit satijn gaan liggen, uitgeteld met ziekte in haar ledikant. Ons Suzanne trok mokkend naar de kermis, met kabou-ter Dolfke, kelderfilosoof en oud vervangmodel. Later meer over deze liaison (als het maar blijft duren). Lady Betty baalt op haar balkon, weelderig afwezig, niet goed bezig, malgré la haute coiffure. Het is geen tijd voor blije meisjes, onweer neigt naar onze einders. Nochtans speelt het buurtor-kest, een fanfare van folklore, zatte kelen, dronken koren. En kan niets mijn blogdrang deren of ver-storen. Ik heb ondanks alles vrede.

Want een kilometer verder was het barre oorlog. Mensen morden en verknorden van verveling in hun norse leden. Heel mijn klankbord blijkt er onderhevig aan, ik tril nog als een timmerman die nagels krom klopt in beton. Om maar te zeggen dat het menens was. Bij handel Spaassens had ik dikke prijs. De winkeldochter mocht geen centen zeggen van meneer. Misschien de naaste keer, verschoning jongen. Dus met lege handen naar Loretta deze avond, er stond pertang een potteke schoon an-tiek, ik schatte het op één euro of zoiets, volgens aangeplakt getalrestant. De jonkvrouw achtte niks bewezen, zij kon beter lezen, het kon een eertijds frankske zijn geweest. Uit mijn lood geslagen door de onzin stapte ik brommend naar het Stuk, een kunstenmens moet huizen van cultuur druk fre-quenteren. De balie was geopend, gans de achter-middag, stond op hun affiche. Dus ik kon mijn kar vol tickets laden. Helaas geen personeel voorhan-den. Niemand had zich hier verstopt, geen cultvolk aan de toog, zoals ik persoonlijk vast kon stellen. Stiekem kijkje achter de coulissen, komt een klant te voorschijn, voor de balie notabene. Ordonneert hij mij: twee kaartjes voor Café Chanté, alsteblieft, mevrouw, pardon meneer. Deze balie is gesloten, protesteerde ik. Onnozelaar, kreeg ik naar mijn kop. Snel afgedropen. Erger werd voorkomen.

 

Koffie om af te kicken, op een leeg terras. Opeens zat het weer mee. Ober noteert wat ik verlang. Naast mij strijkt een grijze nonkel met twee tantes neer. Andere ober landt. Schrijft hun trappisten in zijn boekje. Of ik ook bediend ben, jawel kelner, bakje is op komst. Trappisten worden afgeleverd, schol Popol, santé mijn trezebezekes. Een ballerina danst voorbij, zwenkt naar ons derde tafeltje, ik denk niet voor mij maar voor bekoring, koesteren bij een drankje. Zonder vragen wordt ze op haar wen-ken afgevlagd met ijs en slagroom. Sorry, de cho-coladesaus wordt nagebracht, verklaart de tweede ober in extase. Samen met mijn koffie, hoop ik nog. Tarara, pret voor de belendende familie en een beetje verder ijsballet met veel crème-fraîche, maar ik lik mijn droge wonden. Goed dat ik nog ge-zond ben, met een hordensprong uit stilstand wip ik over alle consommaties. Zonder commentaar. Ik heb geleerd geen wrok te cultiveren.

 

Bij de bakker heb ik meer geluk. Nog één wit brood ligt lang naar mij te lachen. Dat wordt smikkelen. Matroesjka, oostblokmaske uit Transmenië, meent dat het gereserveerd is. Ik kan ook ‘doenkerbroin’ proberen, of een zak vol met ‘pistolen’, wel hardge-bakken. Of anders tegen sluitingstijd passeren, mis-kien wor brood nie opkehaal. Ja hoor, dat is altijd smelten, hoe dichter bij huis, hoe sympathieker zijn de mensen. Mijn hart versmacht, dan kan mijn maag nog even wachten. Straks eens langs de kermis lopen, tegenslag verorberen achter hete honden, het betere Nederlands voor vettig eten.
Ik bedenk een prettig weekend in mijn kleine at-mosfeer.

Als nagerecht een uitsmijter: een sneer naar alle intellecto’s die mij couilloneren in het mailverkeer. Sorry voor de dwarse afslag. Zonder kleine wrijving volgt geen glans. De pijn is voor een andere dag.

21:02 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ijsballet, cafe chante, het stuk |  Facebook |