15-06-07

zachtvol in de dood, volgt meisjesmoord

Poes moest dood. Een hard verdict van mededo-gen. Blik van schrik zonk weg in kronkels onbegrip, met ogen die nog om genade staarden. Daar ston-den we dan zomaar, met onze wanhoop in de han-den. Het beest had niks misdaan. Was ziek gewor-den, weggeteerd, vergat te eten van ellende. Etaleerde zich allengs niet meer. Dan verpak je onmacht in een kattenmand. De dierenarts was jong en blond, gaf ons een laatste kans. De stiltes duurden twee of meer minuten, leken uren die om uitstel snikten. Een bonus van vier weken, zes mis-schien. Geen garantie op een beter leven. Er zat soelaas in, maar geen spat genezing. Toen wij op-teerden voor het spuitje, smeekte poes met stuip-trekkingen.
Het meisje dat mij vergezelde sprak en stamelde in tranen, haar kat ging sterven in het vastgelegd scenario. Wij beslisten voor een einde uit de pijn, ons hart brak eerst, herstelde zich van medelijden. Poes werd tactvol en met tederheid naar het prikje van de laatste roes geleid. Het meisje streelde af-scheid, met de zachtheid van een andere wereld, handen wenend door de pels, een vacht verdriet zonk weg. De dode kattenogen hebben ons de ka-mer uitgekeken. De arts leek bleker dan een engel, alle meisjes breken sneller, een troost voor onge-wild geweld.

 

Ik kwam thuis en wou kalmeren, innerlijk de vrede genereren. De leegte had zich weer dapper geïn-stalleerd. Hoe de wrevel en de wreedheid van de wereld steeds parereren. Nogmaals lezing van de morgenkrant, tegen beter weten in. Verneem ik van dat meisje, allochtoon en jong vermoord. Met een blote veter. Het staat er laaiend en snoeihard ver-meld, in twintig droge regels. Zonder commentaar, gewoon relaas. Meisje was verliefd geworden op de foute jongen. Haar familie sprak een veto uit, be-weerde dat een eer gekrenkt werd. Meisje werd bedreigd, kreeg rake klappen, diende klacht in bij agenten. Tevergeefs. Haar vader speelde met een nestel, nonkel hielp het noodlot, de voltrekking volgde. Een vonnis om de liefde te versmoren.
Haar laatste blik voor de verstikking: laat mij uit
uw handen gaan. Vergeef ons allen, teder kind, de dood heeft u te hard omhelsd. Uw hoofd werd in een doek gewikkeld. Sluiers afgerukt in de gevan-genis. Een tralievenster laat uw stukje hemel zien.

 

Ik leg de krant weer weg en wandel buiten. Stap het kader uit, het panorama in. Hoe wankel is dit klein balkon, een hoogte die van eenzaamheid soms verderkwijnt. Hoe gaat het anders jong, roept Bet-ty plotseling. Ik steek een handje op, bereken vele meters naar beneden, van vergeefsheid. Wat kan een sombere man alleen vermogen, vriendschap is een reddend woord. De wereld is om zeep terwijl wij blijven doorgaan met de resten van dit leven te verzinnen. Hoopjes onzin. Soms beminnen. Om de meisjes kwetsbaar bij te staan, hun weerloosheid met onze zwaktes te beschermen. Onvermogen is een poging.

De commentaren zijn gesloten.