31-05-07

parabel van vertaling met veel zin

Iedere ochtend verkent hij een afgesloten wereld, de blanke straten zonder naam, de toegedekte stoepen met een laken of een doek, een deken voor de regen op de stenen, alle zwarte randen van de stad. Een wankel stapje, sukkeldrafje, kantje boordje. Hij raakt rakelings langs verstarde gevels, hapert achterover, bangelijk hangend. Schots en scheef botst hij op plotse borden, om-zeilt geen muur of zuil. Schuifelen wordt het soms, haaks en dwars op kruispunten, naast het sluip-verkeer.
Niet huilen, flink zijn in zichzelf. Hij prevelt luid, de-vote ogen, stille blik. Zij stok tikt wit vooruit, hij wipt en knikt zijn passen af, voorzichtig op zijn blinde weg. De fragiele man grimast, hij lacht eens, zonder enig zicht op ons, alsof hij bidt. Opdat wij tot hem zouden zien. Doen wij niet. Geen durven aan. Wij staan te kijk. Te staren in onszelf.


Dan komt Karina uit het oosten opgewandeld, blonde stoot en borsten veel te groot voor jonge jaren in dit leven. Haren losjes in de wind, op tocht naar het nabijste eindstation. Gezwinde meisjes-mond, een kont om mannen stevig weg te kante-len. Zweven is het wat haar lichaam doet. En ge-ven uit haar weelderig gemoed, haar décolleté van overvloed. Zij zwaait naar niemand, zwiert de me-nigte door twee. Een zee van morgenmensen wordt gespleten. Wie niet wijken wil, bezwijkt. Zij kijkt uit ogen hard van mededogen.
Voor die enige, de haast verblinde vlek in haar be-staan. Op steeds dezelfde plek ontdekken zij me-kaar, houdt hij verrast haar armen met zijn handen vast. Begrijp het maar, geen begin of einde is er aan: aan prille spraakverwarring, irreële onver-staanbaarheid. Hij tatert koeterwaals met haar, vanuit zijn donkere onmondigheid. Zij radbraakt heruitgevonden Vlaams, geeneens verkaveld. Spreekt en breekt hem open met de woorden die ze uit haar boezem perst, zijn hoofd ligt mals. De trein trekt als een pletwals over elke weerstand. Pende-laars verbijten zich in tweede klas, ersatz voor de bedelaars. Coupé apart wordt ingelegd voor ware ogen, kijkers met een hart. Ik zie de rijdende ravage na, oogverblindend schoon spectakel.

 

Zij ontdubbelen zich van tekst, ontdoen zich van een zoen, rollen door hun drukke ondertitels. Dollen ongeremd als verse communicanten, in de trance van hun conversatie, zonder taalcomplexen, hun reflexen blijken averechts. Zij praten zich in rechte banen, sporen op sensoren van verliefde tegen-tonen. Horen doen wij niks, wij zijn de doven en de stommen, geen begrip is ons gegund. Wij laten alles toe, wij zijn de oud belegen buitenwereld, onze nieuwe dag is moe. Beproefd gevoel, wij worden buitensporig. Onze pose is tweetalig, dubbelzinnig. Een beter soort onnozelaar. En niet te troosten. Een decor met mistgordijn. Karina streelt zijn nevel met de tepeltekens van haar ziel, gevuld geluk, on-deelbaar ogenblik. Ik ben een blinde die kan zien. Helaas.

19:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: parabel, blinde, blonde |  Facebook |

28-05-07

op golfjes van de tegenstroom in leuven

Het wordt ons door de strot geramd. Naquila hava, naquila héhé. Que sera, sera. Bambino buèno yè. When the saints. Come marching in. In onze stad. Het trendieuze Leuven. Op elk terras. Ten treure uit. Ik word er reutemeteut en sikkeneurig van. De hordes koperkleurige zigeuners, donkerzwart ge-verfde negers, hardplastieken indianen. Zoveel leurders van het trek- en tokkelinstrument, de wandelende muzikantentent. Je zit geen twee minuten achter je Ily espresso, zin om gans je sores en je mores uit te morsen tegenover Elletje, of daar komt de jankbrigade aangedrenteld, hen-gelend naar je losse geld. Je moet een harde bink zijn (zoals ikke niet) om dan je tranen niet weer gretig in te slikken. Smaakt naar zout in elke won-de, pekelzondes. Wij mokken, dokken af terstond, helaas, want anders blijft het vals gespeelde lied nog snerperder, hel- en hemeltergend, doorgaan. Liever doodgaan als een atonale schooier dan te sterven op gejengel van de zwendelharmonie.

 

Wat doe je aan die kleefmuziek, de kleffe straat-muzak, de plakbrigades van gedwongen klanken? Het wordt ons opgedrongen, onze stiltes omgetild en neergeklopt. Wij vluchten uit het centrum van wat doorgaat voor gezelligheid, het verdachte volksvermaak. Wij hebben overschot van schaarse centen om een rustplek te verzinnen. Wij zitten tegen gevels en op dorpels, hangen over elke bal-lustrade, scheppen schaduw en een handvol zon met lepels lust. Zij kust mij plots. Merci chérie, hal-lucineer ik weer of loopt de liefde langs? Sing c’ est la vie of ben ik ribbedebie? Geen Belletje rinkelt er-gens. Schalks lacht Elletje. Wat smakelijk en schat-tig. Prachtig mijn gedacht, ik denk aan greppels en aan grachten. De verdoken stad is onze tuin, wij wieden onkuis onkruid. Delven stiekem dieper, gra-ven ons in elke kuil, een gang naar wegen die zich onzedig kruisigen. Op muziek uit monden zonder maat.

 

Zo zijn wij, dartel dolend, soms getuige van het korte wonder. Duikt in ons scenario een droom-orkest van engelen op. Drie slome jongens met volwassen haar: twee frêle zangers, één verlegen gitarist. Ze spelen simpel ‘1979’ van The Smashing Pumpkins, op de trappen van de kerk. In dit mirakel willen wij geloven en verblijven, blij zijn om deze klein verstrooide schoonheid. Onze binnenkant wordt hier op wankele kunst bediend. God (hallo meneer) zag dat het wonder goed was. De ange-lieke set wordt zonder bindtekst (bijna biddend) voortgezet met een tweede mokersong, het moord-lied ‘The killer in me is the killer in you’. Dit is straf-fe kost, fragiele zielen die verdriet stileren, levens orchestreren van toevallige passanten. Wie zijn hier de behoeftigen, de armen van gemoede, de zingen-de bedelaars van de liefde: steedse lieden zoals wij? Wij vervoegen opgelucht de stoet: aux larmes, citoyens. Een steelse lach, een traan die in de moeë stadsstroom valt, een cocktail weggespoeld met kolken van al wat rockt en rolt. Het rommelt in ons koppelhart, beroerd zijn wij. Ontdroefd bij tijd, een wijle.

  

19:45 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: cocktail, the smashing pumpkins, leuven |  Facebook |

25-05-07

dagdroom door de telefoon gebroken

Wablief, dag darling, ik verschiet. Hallo verre tele-engel, welkom liefste, tere lieveling. Zo klinkt dat, zingt dat van verdriet. Door draden die verlengd verlangen, elektroden dragen in de nood. De droom op sporen zetten, letters trekken van verloren woorden. Als symbolen, zoals volgt bijvoorbeeld. Vergeet me niet, ik ben een teken dat kan spreken, aan je overkant, dat weet je, alsjeblieft. Ik dirigeer het lied van wolligheid en wolken, wandel door de hemel. Ik drapeer het leed dat laag hangt, neer-valt, op mijn kop een laatste deel. Ik heb je onge-weten niet begrepen, veel vergeven van vergiffenis vergeefs, gedeeld gemis. Er rest geen grief, geen ergernis. Een biecht verlicht een ziel, begrip ziet het hier zitten. Plicht is plechtig, je vertelt me van het licht dat niet meer scheen. Dat het donker je verwondde. Oorlog was op komst, de mond van het kanon, de holle onzin van de menigte, oorverdon-derend verkondigd. Afgemolken domheid en leeg-hoofdigheid. Gebreken van genegenheid. Geen enkele kennis van de kentering. Betekening van verse vrede. Dat is wat ik eerlijk zeg. Je hebt mijn wederwoord. De gesproken eer aan toonder, aan de telefoon geleerd.

Ik bespeel de horen. Ik jongleer onhandig, als een grote jongen. Ik noteer je openbaring. Klare taal. Wat je me vertelt. Ik sta opeens perplex, versteld. In rep en roer. En repelstelen geselen mijn vel. (Whatever). Ren naar regenstreken. Weg moeten we wezen. Om te wenen, stom en stil te zijn. Ik word bang en klein. Plotse dracht van onzin in de pijn. Wie heeft de draagkracht voor dit lijden, in de tijden van de helse onvoorspelbaarheid. Jawel, een spel, dat blijft het, wreed verschijnsel. Ik verklaar je later deze redenering, lees me verder, volg de wegen van genade.

Bid voor ons, gij mater dolorosa, arme moeder gods, bedroefde dame. Zonder kind lacht de ma-donna, laat geen spoor van zonde achter. Nacht vervalt tot brakke dag, de nevel breekt het leven wakker in de ochtend. Lonkt naar ons en lokt de lusten. Wees gerust en wees gegroet, de droefheid lost zich op in verse lucht. Je adem haalt het op de onrust. Vul je longen met de weelde, eet de zuur-stof van mijn hete tong. Ik duur een leven lang, verteer de eeuwigheid.

 

Allerlaatste regels van bezegeld thema, proza dat blijft hangen: het verlangen op mijn wangen lacht zich bloot als rood van kaken die gaan blozen. Ik los op in hoge blogosferen, word een witte schim (ontschminkt gezicht), een lichtgewicht, een vogel die ontlogt, onnozelaar (verklaart ze). Het deksel op het tekstheater, verraad aan elk mislukt (ach) getater. Maskers afgerukt. Dag maske.

20:31 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: blogosferen, hete tong, repelstelen |  Facebook |

22-05-07

onze baas grimast geen spat ambras

Hij grijnst en hij schrijdt, typisch zijn verschijning. De vierentwintig billen wippen ongemakkelijk op, schikken zich in hippe jeans en smalle rok. Geen twijfel mogelijk, denkt Nelly van Ypersele uit Loven-degem, die moet mij hebben. Zij kucht eens. Hij vraagt lukraak naar het quotum van de dag. Da’s een makkie, kennen we allemaal. Nelly vertelt het zachtjes, legt een lelletje met een zucht, glunde-rend vanuit haar zoveel-teveel-optetters. Peilloos is haar blik, likje-likje, naar hem opgericht. Streel mij met je vadertaal, haal mij over je sabel, sla me met je sado-zweepje (net niet dood) vragen haar ogen onderdanig. Onnozel trien, trekmachien, zie ik hem denken van de seks. Wat een kakelbonte win-kel, wat een kontenbazaar plakt in dit kot? Is het blote kiekenmarkt geweest, moet ik blaffen of zal ik liever laf zijn, keffen, beffen, zalven? Hij spreekt zich in geen jaren uit, hakkelt, hapert van verle-genheid, ademt afkeer en genegenheid. Wat een baas niet leiden kan. Ik zie het aan. Communicatie kantelt op een boordje onbegrip, een standje mis-verstand, de band met grote genen van geboorte. Of staat en valt het volgend weekend met de lig-gende wip in Lovendegem, zie het evangelie uit het lover van ons Nelly. Zij brak de ban vanochtend, kermis in het dorp, plastieken visvangst, schietkot en een friet voorniet als ge goed met ballen ram-melt. Zij kreunde dubbel van het praatgeluk, gelul hoort zij nog liever. Ze kent het afgetrokken saldo tussen kaf en koren, ieder quotum van het quorum. Wat een mens vergaren kan, ik vraag het aan geen evennaaste. Dag mijnheer, wij zeveren hier zomaar. Grapje, Marcelleke, ontspan u jongen, rek uw nek en strek uw vel. Daar gaat hij plots van schateren, onze bolleboos, de onverprate man, de zonder-conversatie-baas. Gisteren zag ik Sandra slenteren, op wandel in de stad, verraad ik hem, wat zouden wij blozen om een waar verhaal. Zij wankelde op haar hoge hakken, strak in het shirt met Start me Up, twee harde spijkers in de tekst. Marcel grimast, lacht zich mateloos weg van Nelly. Wat een gewel-dig spel, dat leven, zonder Sandra in zijn kelder, ook op zolder woont ze niet. In zijn living ligt ze door te hangen, hopeloos verloren, ondersteboven is ze niet van hem. Wel zijn thuismadam voor wet en testament, waar zijn loon zich stort, daar staat haar huis. Het stoort me niet, Marcel, vader over-ste, nobele man. Genadig is mijn oordeel. Laat me voort vertalen, lezen wat uw kippenborst verhaalt. De wegen van een baas zijn dwazer dan die van zijn dame. Ik noteer en fantaseer, de kronkels van collega’s, één dozijn ravijn vol meisjes, vierentwin-tig cups, de ups and downs van ladys zoals Nelly. Marcel, je redt je lijden wel, dat Sandra ambetant is, vertel ik nergens verder. Ik verzwijg me ijlings.

18:56 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marcelleke, nelly, sandra |  Facebook |

19-05-07

Betty zwierig op muziekklavier gezet

Eerst zag ik haar met witte laarzen die later hele-maal niet wit bleken. Bleek een fata morgana. Daar lacht zij uitbundig om. Levenslust, misschien heeft zij me liggen. Hola meiske, wat peinst gij wel van mij? We grappen in een taaltje dat geen stedeling verstaat, ons oudersidioom. Een dialect van inlan-ders. Ik bedoel het vol verzoening. Daar is zij het over eens. Zij herschikt haar kapsel, weerbarstig in de wind, we staan verlegen op de tocht. Weet ge nog van Willem, herinnert ze me aan de nacht-merrie. Weet ik niks meer van, ik meen het met mijn heel geweten, ik ben een zelfverklaarde zelfreiniger. Uitgekookte properman. Willem verdween met trage bochten uit haar leven, zoveel jaar en meer ellen-digheid geleden. Had ik Willem kunnen bekeren niettemin, willen weren van de lusten en de lasten van de kater? Plaats het vragend teken in een ander kader, verklaar ik Betty. Zij kijkt me aan, ik lees het hard verwijt, de spijt knalt uit haar zwarte ogen. Ik ben niet goed in mededogen, geen troos-ter van beroep, geen koster of pastoor. We toos-ten, droge witte wijn op cola zero. Wees voor-zichtig, schoonheid, mijmer ik, drink met mate met mij mee. Aan haar handen blinken ringen van ver-driet, van Willem weet ge nog. Hij werd afgelost door Walter, wulps met haar naar Brussel, swingen in de clubs. Kwam Anthony uit Afrika, atletisch donker, zwaar geschapen in de ledematen, haast twee meter hartstocht, acrobatisch in zijn passie. Zonder schroom smeet hij zich neer op haar ma-tras, geen spat ambras bracht zijn handel en zijn wandel in haar woonst teweeg. Windstil werd het, out of Africa, into folk, de knusheid flirte met de kuisheid. Geen geruis meer in de struiken. Hoe kon ik vernemen, blitse Betty, dat wij sinds barre tijden naaste buren waren, zeg nu zelf, gij rijper meisje. Geen flits kon ik ontwaren, je balkon hing nochtans op mijn hoogte, ik hield je voor een schim, de vlam van mister negerminnaar. Je hebt gemokt, gezwe-gen, zelfs geen vingerknip, geen teken van her-kenning doorgegeven. En zeggen dat onze wegen blij bekend van herkomst waren. Onvoorspelbaar is dit leven, deze triest verdachte aangelegenheid. Ik heb mijn nieuwe evenwicht, de vroegere genegen-heid. Veel soorten troost van pessimisme, het had zoveel erger kunnen zijn. Met dank aan alle over-leden dichters.

 

Beste Betty, ween niet meer, verspil aan niemand dit verdriet. Laat het duister en de stilte aan je uitgestorven loverboy. Verlaat je diepe dalen, stort geen dronken tranen in je afgrond. Dans weer met die witte laarzen, ze bestaan reëel. Je bent con-creet in beeld gekomen, dromen zijn verschoning. Pak elk gemist geschenk voor werkelijkheid aan. Reïncarneer in dit verdiende leven. Geef, ja beef, frivoliter van ziel. Versier een wissel op de liefde. Wiebel op die hoge benen, streel je roodgelakte tenen. Kleertjes en meneertjes, maniertjes op de kier. Kies je kansen en je wensen, Betty, neem je weelde van mij aan. Onze vriendschap kent geen grenzen, slechts die éne.

21:20 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: betty, balkon, grenzen |  Facebook |

16-05-07

versmacht van zonde op een zondag

Zie ons hier zitten, het is zondag, schrijf ik drie dagen na bevalling. Intratekstueel als uitleg. Eerste intermezzo. Heel mijn hoofd is blijven haperen. Bij dat streepje weekendweer, de zon scheen op de ramen van de vooravond. Wij hangen rond, bewe-gen onze ogen en bewandelen een leeggelopen stad. Het heeft een halve dag geregend, alle we-gen heten natte straten, paden die zich rapper laten gaan, van geen stoppen van het strelen willen weten. Hitte is een naam voor zinnen en beminnen, overdaad vindt overal een plaats, een afdak van verlangen. Bange mensen blijven binnen, schermen met het beeld. Wij gleden verder, zagen alles zitten, liggen en niet liegen. Legden verlegen kleren op een berg, de hoop ontbloot. Genadeloze dag van afgrond in de zonde. Goden zij geloofd, veroorloofd. Heer vergeef ons heden onze zeden. Zedig zij uw zegen in de flits, de felle feiten. Zij en ik geketend, heerlijk hete dij aan dij, gebenedijd.

Zie ons overleven, overdenken wij. De laatste rim-pel lacht zich weg, een plooi gaat plat van zacht allooi. Wij bidden onze bibber met de warme vinger af. Gesmoorde woorden overrompelen elke wonde, wij wonen in elkaar. Verkennen verse zon op deze late zondag, dansen op een smal balkon. De wolken trachten laag, mankeren geen seconde, laten met een knipoog stralen door. Het schijnt van blijheid ongeweten door een kleed, een flard japon ter-loops. Een benenspel, een billenoord, een lustprieel, een kussentussenstuk. Staccato, strak op adem, max mintempo, contra moderato, extatisch in cantate, exaltato. Interludium en daarna naar de kerk, gemis, de buitenkant, te biechten op een bank. De plicht volbracht, gezwicht voor lieve lijf en leden, de verveling met een kreet verzwegen.

 

Zie ons hier zitten, denk ik nog, betrekking op die laatste zondag. Alles was volbracht, herhaling mijn gedacht. Met zicht op stadse pracht, een kathe-draal met flapperende vlaggen, elke nauwe nis ver-moeden van gemis. Ons ongeloof verhoogt geheim-nis en genieting. Niet flauw doen over iets, het nauwelijks gemis. Zo gezeten, voor geen god ge-beden, onze rug gekeerd naar elk kapittel, scheen de zon verdwenen. Elk van ons had er gelegen. Middels zinnen tussenin. Zij knikte oogverblindend, van mijn overschot gelijk bevangen. Wat deert de weelde van het glijden en het blije zweten? Ieder volk moest beter weten. Ondank aan de onmacht van de straat. Wij bevrijen vrolijk onze staat. Zalig van genade en genot. Geen regels, geen gebod. De liefde onderdanig.

23:08 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kathedraal, kerk, wonde, zonde |  Facebook |

13-05-07

een jongen pendelt op zijn tegenvoeten

Beste Vinnie, kinderzoon en vriend van verre huize

 

Hoe laag ben je daar uiteindelijk gevallen, hopelijk niet tot op de bodem van het moeras. Je sprak van een vlotte achttien meter, ontmoet je op zulke diepte zeemeerminnen? Hoe gaat het met je eigen min, groet haar van ons, vertroetel haar met war-me vriendschap. Ieder leven is een wereldhuis, op elk schoon hartje past een open thuisdak. Duik en spartel verder in je tropisch water, schudt het zand van tussen je tenen, surf lustig op je zwemmers-benen. Geen knarsentand mag op je dwarspad zitten. Als het kriebelt moet je snorkelen, ook bij watergorgels in de keel.


Ten onzent is het goed vertoeven, als vanouds getrouwd. De poes laat je bij deze groeten. Zij zit waarschijnlijk met een kater, niemand kan zoiets zien. Onze krakkemikkige moeder, respect voor haar respectabele jaren, wordt verzorgd als nooit te-voren. Zij volgt op haar koppige tele-gps je laatste sporen. We hebben haar verzekerd dat je elke weg kent in Australië, dat er bosjesmannen staan met borden op de kruispaden, aboriginelen om je drank en eten te bedélen. Als je Jos ziet, doe hem de goeiendag. Je weet wat wij bedoelen. Het was een zot gedacht, maar waarom zou een frietkot in de verre ‘bush’ verboden zijn? Wij vragen ons nog altijd af hoe hij aan zijn patatten geraakt, plakt zijn mayonnaise ginder en verkoopt hij ook smos met smurrieworst? Of hij daar nog homo is, moet ge mij niet zeggen, ge kent mijn mening.

 

Gisteren zijn we nog bij Constant geweest, goed gelachen. Gezellige mens, zijn pens gezond en ronder. Blaaskaak zou een buitenstaander denken, maar dat is buitenkant, stout signaal van lichaams-taal. Hij heeft naar u gevraagd, en naar uw Japan-se. Ja, zijn geheugen vertoont meer gaten dan onze tanden. Wij kwamen er zonder het minste prikje vanaf. Wel gereplikeerd (licht gepikeerd) dat uw meiske een Koreaanse is of was, geen Yamaha-madam, wasda! Constant stelde als represaille dat ik eroderende dranken moest weren. Een randgeval, verdachte diagnose, kantje boordje ondeonto-logisch. Hij is toch tandenboer en geen doktoor. Akkoord zijn broer is arts, maar mijn zuster had dat ook kunnen worden als zij geneeskunde had ge-studeerd. Opties zoals optisch bedrog. Dus geen frisdrank of fruitsap meer, minder straffe koffie.
Van frivool vertier maakte hij geen melding, dat mag opgeteerd met wijn en bier. Mama genoot zijn voorkeur qua mondige gezondheid, subjectieve smaak. Je weet dat ze samen in de kleuterklasjes zaten, zulke relaties gaan niet stuk.

 

Jongen, nog een goede familieraad, voor als ge terugvliegt. Moeke (87,2) vindt dat ge uw veilig-heidsgordel moet aanhouden, ook na het opstijgen. En ze vraagt of ge uw fietshelm meehebt? Moogt ge die niet opzetten in het vliegtuig? Vrijblijvend hoor. Eet ondertussen maar flink. Drink veel water en steek soms een tandje bij (zegt Constant). Kussen aan de dartele Hana, van la mama en van vader Marlon. ps: wij zullen op Zaventem zijn, zie rode zakdoek.  

 

22:05 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: australie, hana, vincent |  Facebook |

10-05-07

op ieder kopke past een potteke vet

Drie gele kielen komen uit een donker gat gekropen. Het is ochtend en het regent. Ik sta beschut onder het afdak, een futuristische koepel die grotesk het perron overdekt. Naast mij andere standbeelden, denkmensen, staande doorslapers. Een vrouw met lange rok, zwart met zwier, witte botten. Naast haar de man met de sigaar, een fallokraat die in rook opgaat. De gekielden knielen naast de put, doen druk. De jongste, gelkop, drie oorringen, duwt het deksel weg, kletterend. De sigaar verslikt zich naast de dame. Zij schenkt geen aandacht, ziet geen nitwits staan, ik ben nog stiller dan haar schaduw. Anoniem, haast ademloos, zonder zicht-baar animo. Niemand heeft verdriet, de sporen lo-pen verder, onverstoord. Onze trein wordt aange-kondigd met vertraging. Tijd voor een tweede brandsigaar, tegen eenzaamheid. Tweezaamheid is een verloren woord. Pijpen worden zeldzamer. Rook is populair, de mist van binaire oplossingen. Lees ik in mijn krant. Wil madam de bijlage?

De kielen heten Roger, Michel en Kenny. Dat versta ik na een tijdje staren uit mijn krant. Ze roepen over ophoging, de toemaat van het afdruksel, de schaal op zeven draaien. Ik zie hun gezichten, de reflexen, de gebaren en geen enkel misbaar. Gezel-lig toch, het eerlijk leven. Arbeid maakt vrij en vro-lijker, schenkt waardigheid. Waarheid is geen we-tenschap, een misverstand in nevels. Vertedering komt uit witte laarzen. Ik aarzel over alles. De laf-heid van de mannen in hun hart. De rook uit onze oren, misthorens voor het hoofd, geen ogen op ons gat.

Roger godvert wat af, goedgezind. Knipoogt naar een meisje, krijgt geen greintje aandacht. Zijn schaarse haar hangt in een knotje paardestaart, bengelt hulpeloos achteraan. Hij wil korte metten maken met het lek, zet meer druksel op het dek. Druk op het deksel, gekscheert hij omgekeerd. Michel lacht schamper, Kenny zit verscholen in het norse gat. Ze trekken draden door een simultane filter, ik kan het opschrift lezen. Afwikkelen bij warm droog weer, omwikkelen als het regent.
Nog een kwinkslag van Roger, hopeloos is deze onderneming.

De zwarte rok zwiert nog eens langs, iets werkt op haar systeem. Last van de rook, de wolk van het gebeuren. Ook ik ben een spook in haar geheugen. Hey ballerina, roept Roger. Ik kijk ijlings weg, ik ken die werkmens niet. De heer van stand versteent met dampsigaar. Ballerina zweeft van dwarse zin in plots verzet. Ik bedenk een krolse plot. De trein komt aangerold. Michel en Kenny fluiten stoom af, het probleem is aangeschakeld. Roger geeft luid-keels uiting aan de moeren en de korte opschroef.

 

Zij reist eerste klas. Voor meneer geen rookcoupé. Ik vind perfect een staanplaats. De gele kielen drinken bier uit blik. De trein rijdt uit de taferelen. Ratelt af.

 

20:06 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: ballerina, pijpen, sigaar |  Facebook |

07-05-07

een dictaat van kapitaal en mediacraten

De man met het afgestofte snorretje komt iets te vaak in beeld vandaag. Ook morgen zal hij ons be-grijnzen met zijn afgewassen glimlach. Gisteren en de dagen voordien voorzag hij ons van aangebrand gebakken lucht. Niemand had zijn presentatielijst gevraagd. Het was gebenedijde zomer in de lente en wij speelden dartel in de wei. Ons bedje was gespreid. Grassprietjes in de frisse mond, als flie-refluiter door het leven, er op los pallieteren. Wat heeft een man gezond van lijf en leden harder no-dig dan de lusten in "den uchtendstond"? Een ci-taat van Streuvels of van Timmermans, de oude rukkers. Jongens die van jetje gaven in hun schrijf-werk, ze vonden het geluk ter plekke uit, geen boodschap aan een voorgekauwd profiel, een be-dacht imago. Wars van kaders of een vast formaat.
Ik maak een liederlijke bocht om mijn gedacht te zeggen aan de onbeminde mens Aimée Van Hecke, breedsmoelman en afgelikt gebekte vent, een ver-valste tandpast-goeroe van het mediaplantsoen, een landschap van plastieken bloemen en verwelkte mensjes. Van Hecke heeft sinds luttele weken alle makke kranten en vermakelijke bladen lazarus zitten bepotelen en bezatten. Zoveel pagina’s liggen lam en uitgeteld, de man spreekt met een dubbele tong, een slurf die euro’s vreet bij tonnen.

Hij wil ons lady Liekens door de tijdschriftstrot gaan rammen. Slikken gasten en madammen. "Goedele"  (tout court) moet het bladboeketje noemen: mijn speeltjestuin meesmuilt het guitig kind in haar. Onverteerbaar slecht theater. Want Mama Vagina (vagijntje, geintje) heeft een evangelie te verkon-digen, bedacht door Vader Amedee, een boze bloosnaam voor een tateraar Aimée. Wat zijn ze fijn geslepen, met een fluwelen omweg commercieel. Van Hecke heeft nog maar pas de VRT van kwali-teit ontdaan, de kwantiteit in lege cijfers opgedre-ven, Bettina Ghysen mee gegijzeld, of hij lult het oude meisje Goedele in zijn bed. Ook de slimste kiekens gaan voor zakken geld van stok. Dat zit daar bruingebakken snor. Pottenkijkers buiten, hekje sluiten.

Ook bij Humo worden overlevers in hun hemd gezet, zakken broeken zonder lachen af. Sinds de dikste snor verdiend het pand verliet, baggerde het blad richting kanaal naar Dag Allemaal. Rock’n roll, wo bist du blieben? In de jaren tachtig zou een ketter als Aimée Van Hecke de vernieling ingeschreven zijn door de horde van de Grosse Moustache. In het vorige decennium keerden de mercantiele kansen, Humo zwalpte wekelijks mediocrieter mee op golven van de makkelijke media. Een dwarsgedraaide ideo-logie, historisch waardemerk, werd prijsgegeven zonder letterslag of woordenstoot. Humo maakte de met moeite Bekende Vlamingen moeiteloos be-kender. Terwijl de talig totalitaire Dwarskijker (dag Rudy Vandendaele, vreet je kas op kameraad) het filosofische verraad ontkende, zonk het vlot in eigen sop. Maar de redding is nabij, dankzij een Vlaamse mini-Berlusconi, heiltycoon Van Hecke. Horresco referens. Humo wordt in het najaar op-gekalefaterd. Aimée wil rebelsere reporters zien. Hemeltje Amedee, om de post-rebellie? Nee, om de centen en om de cijfers. Misschien kan Humo-bis publicitair een beroep doen op de Mortierbrigade, 'zo de ouden zongen, zo pamperen de jongen'. 
Cirkels raken soms nepotisch rond, de Humo wordt gezonder aan de kant gezet, op dictaat van mega-kapitaal en persmagnaten. De kerken en de kapel-lekes hebben we in de jaren zestig ongenadig dichtgespijkerd. Ontvoogding van sociale controle werd verworven, een quasi-totale emancipatie was bekomen, de nieuwe mens bijna geboren. Helaas en ach, heden trachten potentaten van de media een ontregelde massa terug te onderdrukken, ganse populaties te verknechten. Volgt de onderwerping of werpen we ons sluipend in een stuiptrekking: de absolute uitweg van het Internet. Daarom staat dit buiten kijf en stijf geschreven. Als een tegenteken
.

21:27 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: aimee goedele, dag liekens allemaal |  Facebook |

04-05-07

dood rijdt voor, wij wachten in de file

Wij staan stil in de lange file van Diest naar Leu-ven, op weg naar Gasthuisberg. Op de autoradio vertelt cineast Jan Verheyen dat Vlaanderen stilaan rijp is voor harde sex en rauw geweld. Zijn woorden trekken een waas van schaamte door de wagen. Mijn oude ouders blozen zich een alibi naar buiten, ze horen minder goed, luisteren beter in zichzelf. Mildheid zet makkelijk aan tot zwijgen. Ik zap het domme promopraatje weg, de werkelijkheid grijpt zoveel grauwer aan. De wrede fratsen, het pop-penkasttheater van een filmfantast, de alom dom-me platheid, het valt niet te dragen op deze trage bedevaart, de bange baan waarlangs de rouwstoet reed. 
Langs deze straat stapte ooit mijn zusje, veertien jaar, een halve dag vermist. Tenminste zo bleef de memorie in mij hangen. Zus ging shoppen in haar kleine grootstad Diest, verkeek zich op de kleuren van de kleren. De deuren van de laatste bus klap-ten voor haar dicht. Geen telefoon voorhanden en de gsm nog onbestaande. Ik meen dat wij op zoek-tocht trokken, mannen, vaders, grote broer. Samen sterker dan een peloton politie. Onze moeder, tan-tes, bezorgde dames, ze brandden kaarsen. En ze baden een gebed dat werd verhoord. Wij vonden kleine zus al huppelend op een fietspad, met een veel te grote zak, ze had zich overkocht, gelukkig dat ze was. Haar jonge leven was de bonus, de beloning  die we allemaal verdienden. We verslik-ten ons van dikke vreugde, opgekropt verdriet dat langs de wangen liep. Dit verhaal is waar gebeurd, in geen stomme film geënsceneerd. De oude tijden van het happy end.

Dat overdenk ik in de trage file, wij waggelen op vier wielen achter het noodlot aan, de dood is ons helaas voorafgegaan. Hier reed het verse drama langs de wegen van het Hageland, jong geschonden leven in een lichaamszak verpakt. De autoradio maakt er schelle melding van, met accenten op de mogelijke griezel, een fantasie op hol, te dol op bloedvergieten. Zoals in de goeiekope namaakfilm, klemtoon op de gruwelwoorden, de kassa van de cijfers rijmt op elke massa en op moorden. Wie doet dit desgevallend voorbedacht, wie dacht de doodslag uit ter plaatse? De verslagenheid van in het onbekende tot bekend desnoods, verslag waar naar gegist wordt. Tongen sissen, monden smeken om een teken, schenk ons elk moment, laat geen spatje lijden onvermeld. Geef ons een schuldbekentenis, geen zinnige betekenis. Wij zuiveren ons geweten preventief van ieder mede-weten.
Een meisje keerde niet naar huis, daalde neer in nacht en nevel. De doodstraf voor de dader, verklaart een kameraad. Dood om dood en kist om kist. Van het kastje naar het graf. Tot niemand overblijft om ons te troosten in de hemel, om de bloemen te verzorgen op de zerken. Er is werk aan overleven op de aarde. Vergeving voor ons allen, kan het nog ten laatste? Vertel ons vanuit jouw redding, je verlossing in de sterren, jongste engel, jij angeliek uniek Annickje.

 

22:29 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: angeliek, annick van uytsel, jongste engel |  Facebook |

01-05-07

opgeflirt en traag omhoog gelift

Ik rem nog ijlings af, maar kan haar onmogelijk ont-wijken. Dit is de eerste keer frontaal. Nu moet ik er voor gaan, kleur bekennen. Ze heeft me uiteraard gezien, wacht met een lachje af. Ik stap aarzelend naar binnen, groet verlegen. Zij lacht me genegen toe, maakt plaats. We praten niet, staren naar ons lijftheater. De spanning stijgt, de trage lift zet zich in beweging. Wij moeten naar het allerhoogste, zij is in de wolken, zo blijkt weldra. Dat ze me welkom heet, blij dat ze gezelschap heeft. Want alleen is maar alleen, nietwaar. Ik weet het mogelijks van haar man, geopereerd omdat hij het op zijn heupen kreeg. Zij zit zeven dagen eenzaam als een verse weduwe. Weet ik wat dat is: een vrouw alleen? 
En of ik soms porto drink en graag patékes eet. Niks is haar te veel, ik mag mijn mening zeggen.
Ach buurmadam, maak het u gemakkelijk, kom maar bellen als ge bang zijt. Uw klein model bevalt mij wel, evenals uw modieuze retoriek, nog meer uw genereuze ziel. Gij zijt een moeke met een peper-koekenhart. Op uw bijna tachtig jaren is niets meer af te dingen. Prachtig is dat toch. Geniet ervan.


Suzanne, zo heet het oude besje, is een goeie meter vijftig, tweeënveertig kilo lichtgewicht. Ze draagt een Fabiola-kapsel zonder spijt, een foulard met grijze tinten, beige regenjas, ook bij zonne-schijn. Ze loopt wat krom van hormonale reuma, steunt soms op een stok, haar knieën willen niet meer mee als het hoofd op wandelen slaat. Maar de twinkel in haar ogen wankelt niet, ze monkelt als ze met mij spreekt. Ze vertelt me dat ze van in de vroege jaren zestig vast lag aan een ziekenkas, zoals de mensen dat gewoonlijk zeggen. Daar verschiet ik van, ik had gedacht dat ze ballet- of dansles had gegeven, geposeerd had voor artiesten in haar blote gat. Ze lijkt wat op een overjarige Anaïs Nin, wie weet wat zie ik in haar retro-beeld? Ze heeft me liggen, jongske toch, uw frank valt traag. Ze verklaart zich nader, vetrouwt me haar beroepsgeheimen toe. Dat ze als secretaresse koffie heeft geschonken bij een stedelijk zieken-fonds, ik mag weten dat ze vurig rood gezind is.
De eerste mei was overdosis feest, een lading volle maan. Alles voor de werkman, Frans sliep met de vlag, zij droeg frivool een roze wimpel. Hij, haar opgelapte vent, was mekanieker in de paperclip-fabriek. Kinderen hebben ze niet gehad. Graag ge-wild en geprobeerd, meneer. Maar de natuur stak tegen. Ge weet wel hoe dat gaat, plezant, maar brengt het ook wat op. Retorisch sympathiek, ze neemt me in de maling, denk ik. We klappen ons naar binnen, ieder in zijn eigen kot.
Ik heb gezegd dat ze maar moest bellen als ze moe werd van haar solitude in het duister, als ze verder wil vertellen. Ze heeft me achterna gefluisterd dat ze altijd eerzaam is geweest. Nooit uit iemands bed gevallen, met geen scheve schaats geslapen. No way menneke. Nochtans kans genoeg gehad (zedig beklonken met een knipoog). Dat verhaal heb ik nog te goed, straks of vannacht misschien. Slaapwel en snel Suzanne, bejaarde ballerina. Frans had u ge-pardonneerd bij mij. Zijn heupen doen het bijna.

 

21:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: anais nin, balletles, fabiola |  Facebook |