22-05-07

onze baas grimast geen spat ambras

Hij grijnst en hij schrijdt, typisch zijn verschijning. De vierentwintig billen wippen ongemakkelijk op, schikken zich in hippe jeans en smalle rok. Geen twijfel mogelijk, denkt Nelly van Ypersele uit Loven-degem, die moet mij hebben. Zij kucht eens. Hij vraagt lukraak naar het quotum van de dag. Da’s een makkie, kennen we allemaal. Nelly vertelt het zachtjes, legt een lelletje met een zucht, glunde-rend vanuit haar zoveel-teveel-optetters. Peilloos is haar blik, likje-likje, naar hem opgericht. Streel mij met je vadertaal, haal mij over je sabel, sla me met je sado-zweepje (net niet dood) vragen haar ogen onderdanig. Onnozel trien, trekmachien, zie ik hem denken van de seks. Wat een kakelbonte win-kel, wat een kontenbazaar plakt in dit kot? Is het blote kiekenmarkt geweest, moet ik blaffen of zal ik liever laf zijn, keffen, beffen, zalven? Hij spreekt zich in geen jaren uit, hakkelt, hapert van verle-genheid, ademt afkeer en genegenheid. Wat een baas niet leiden kan. Ik zie het aan. Communicatie kantelt op een boordje onbegrip, een standje mis-verstand, de band met grote genen van geboorte. Of staat en valt het volgend weekend met de lig-gende wip in Lovendegem, zie het evangelie uit het lover van ons Nelly. Zij brak de ban vanochtend, kermis in het dorp, plastieken visvangst, schietkot en een friet voorniet als ge goed met ballen ram-melt. Zij kreunde dubbel van het praatgeluk, gelul hoort zij nog liever. Ze kent het afgetrokken saldo tussen kaf en koren, ieder quotum van het quorum. Wat een mens vergaren kan, ik vraag het aan geen evennaaste. Dag mijnheer, wij zeveren hier zomaar. Grapje, Marcelleke, ontspan u jongen, rek uw nek en strek uw vel. Daar gaat hij plots van schateren, onze bolleboos, de onverprate man, de zonder-conversatie-baas. Gisteren zag ik Sandra slenteren, op wandel in de stad, verraad ik hem, wat zouden wij blozen om een waar verhaal. Zij wankelde op haar hoge hakken, strak in het shirt met Start me Up, twee harde spijkers in de tekst. Marcel grimast, lacht zich mateloos weg van Nelly. Wat een gewel-dig spel, dat leven, zonder Sandra in zijn kelder, ook op zolder woont ze niet. In zijn living ligt ze door te hangen, hopeloos verloren, ondersteboven is ze niet van hem. Wel zijn thuismadam voor wet en testament, waar zijn loon zich stort, daar staat haar huis. Het stoort me niet, Marcel, vader over-ste, nobele man. Genadig is mijn oordeel. Laat me voort vertalen, lezen wat uw kippenborst verhaalt. De wegen van een baas zijn dwazer dan die van zijn dame. Ik noteer en fantaseer, de kronkels van collega’s, één dozijn ravijn vol meisjes, vierentwin-tig cups, de ups and downs van ladys zoals Nelly. Marcel, je redt je lijden wel, dat Sandra ambetant is, vertel ik nergens verder. Ik verzwijg me ijlings.

18:56 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marcelleke, nelly, sandra |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.