16-05-07

versmacht van zonde op een zondag

Zie ons hier zitten, het is zondag, schrijf ik drie dagen na bevalling. Intratekstueel als uitleg. Eerste intermezzo. Heel mijn hoofd is blijven haperen. Bij dat streepje weekendweer, de zon scheen op de ramen van de vooravond. Wij hangen rond, bewe-gen onze ogen en bewandelen een leeggelopen stad. Het heeft een halve dag geregend, alle we-gen heten natte straten, paden die zich rapper laten gaan, van geen stoppen van het strelen willen weten. Hitte is een naam voor zinnen en beminnen, overdaad vindt overal een plaats, een afdak van verlangen. Bange mensen blijven binnen, schermen met het beeld. Wij gleden verder, zagen alles zitten, liggen en niet liegen. Legden verlegen kleren op een berg, de hoop ontbloot. Genadeloze dag van afgrond in de zonde. Goden zij geloofd, veroorloofd. Heer vergeef ons heden onze zeden. Zedig zij uw zegen in de flits, de felle feiten. Zij en ik geketend, heerlijk hete dij aan dij, gebenedijd.

Zie ons overleven, overdenken wij. De laatste rim-pel lacht zich weg, een plooi gaat plat van zacht allooi. Wij bidden onze bibber met de warme vinger af. Gesmoorde woorden overrompelen elke wonde, wij wonen in elkaar. Verkennen verse zon op deze late zondag, dansen op een smal balkon. De wolken trachten laag, mankeren geen seconde, laten met een knipoog stralen door. Het schijnt van blijheid ongeweten door een kleed, een flard japon ter-loops. Een benenspel, een billenoord, een lustprieel, een kussentussenstuk. Staccato, strak op adem, max mintempo, contra moderato, extatisch in cantate, exaltato. Interludium en daarna naar de kerk, gemis, de buitenkant, te biechten op een bank. De plicht volbracht, gezwicht voor lieve lijf en leden, de verveling met een kreet verzwegen.

 

Zie ons hier zitten, denk ik nog, betrekking op die laatste zondag. Alles was volbracht, herhaling mijn gedacht. Met zicht op stadse pracht, een kathe-draal met flapperende vlaggen, elke nauwe nis ver-moeden van gemis. Ons ongeloof verhoogt geheim-nis en genieting. Niet flauw doen over iets, het nauwelijks gemis. Zo gezeten, voor geen god ge-beden, onze rug gekeerd naar elk kapittel, scheen de zon verdwenen. Elk van ons had er gelegen. Middels zinnen tussenin. Zij knikte oogverblindend, van mijn overschot gelijk bevangen. Wat deert de weelde van het glijden en het blije zweten? Ieder volk moest beter weten. Ondank aan de onmacht van de straat. Wij bevrijen vrolijk onze staat. Zalig van genade en genot. Geen regels, geen gebod. De liefde onderdanig.

23:08 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kathedraal, kerk, wonde, zonde |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.