28-04-07

landing aan de overkant, op hartenland

Haar haar is mooier dan het ooit geweest is. Dat stel ik bij het afscheid vast op Zaventem. Een na-zaat, onze zoon genaamd, verlaat ons voor een afvaart naar Australië, een maand lang het leven en zichzelf verkennen. Een geliefde wacht hem op in meer of minder mate. Hij weet het ook niet van zichzelve. Ze zijn beiden jong en schoon volwassen om verdriet en wederzien te plaatsen. Het vliegtuig trekt zich zwaar op gang, de zon lacht helder toe, een jongen met een missie wuift nog aan een raam, dat denken wij zomaar. Aan de overkant wacht een meisje met een hart, van verlangen ongekend. Wie verlangt naar wat nog, ze gaan het onbepaald ver-lengde wederzijds bespreken. Wereldspraak als te-ken aan de wand, een tegenpool te ver, wie reist zichzelf een etmaal achterna? De zielenzoekers, vermoeden wij, de zachtverzorgers van het hart, de onvermoeide liefdespachters. Valt het tegen, volgt het mea culpa, vice versa, het leven moet
op mankepoten verder, even maar, hun vrede is te sterk. Wij kennen onze kinderen innerlijk, ze vallen morgen zonder klachten, staan lachend recht van-daag.

 

Dat vertellen wij wat aangeslagen, aan onszelf.
In achteloze camouflage. Zij strijkt nog eens door haar haar. Tranen vechten zich een weg naar binnen, rollen zonder sporen na te laten, flitsen schichtig om de bocht. Weemoed op de tocht.
Een jongen gaat zijn wereld opengooien, op de hoge vlucht naar mogelijk vaarwel, tot wederziens wie weet? Wij weten even niets meer, wij zijn geen voorbeeld voor een ander, niemand gaat dezelfde weg. Respect voor wie het eigen pad ontgint. Het loopt voorlopig nog verloren in de lucht, in de wol-ken van de kommer op zijn vlucht.
Wij trekken trager huiswaarts, laten tekens van bezorgdheid na. Ook wij zijn kinderen van dezelfde zorgen, niets laat mensen onbewogen in spelonken van gehechtheid. Knopen in een hart ontwarren zich, of niet volledig. Soms overleeft het eelt op ingeslagen wonden, waar wij mee woekeren moe-ten. De perfectie is niet van dit tranendal.
Ik streel haar haar, vertel wat onzin, zij vertaalt mij moeiteloos simultaan. Aangedaan en stil. Wij spe-culeren zonder grote woorden, berekenen inwendig onze wegen, tellen onze tijd in kleine zinnen, geen einde aan dit onbekend verhaal. Verder vliegt de reis op roes van liefdeskoorts. Op verzoek en on-geboekt.
Nog één keer slapen en een jongen landt op tegen-vlakte, op wenken van affectie die voor het leven gelden, in wetten anders dan voor stricte liefde. Wat heten woorden waar wij arm naar tasten, een kapstok voor een kaal en naakt gevoel? Wij wen-telen woelig verder, ieder op zijn andere kant, botsen zacht en onverwacht. Het overwicht van evenwicht herstelt zich iedere dag, voor wie zich openstelt. Een hart ontvlamt, sticht brandt, dooft zonder woorden, laait weer op, draait in een kolk en gaat tekeer of onder. De wolken van de liefde mo-gen grommen, doorgaan met een harde grief. Wij zijn en blijven dieven van betreurd verdriet, er is nog kans op redding van de zelfbevlekte smet.
Een eufemisme, efemeer. De snel verwekte euforie.
Het vliegtuig strijkt in vrede neer, sereen is deze wereld. In een wens verklaard. De mensen missen en vergissen zich gelukkig.

23:36 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: australie, hartenland, tranendal |  Facebook |

25-04-07

heden stort een mening neer, te pletter

Ik heb meermaals last van meningen. Die meningen baren mij zorgen. Waarom kan ik vandaag die krak-kemikkige Jeroen Brouwers in De Morgen niet nege-ren? Brouwers wordt geconfronteerd met zijn eer-tijds protest tegen minister Bert toen die weigerde om Koning Albert de Prijs der Nederlandse Letteren aan Gerard Reve te laten uitreiken. Wegens de vriend van Gerard een viespeuk of zoiets, het ver-haal is afgezaagd. Anciaux bestond het nog om Reve als auteur van De Nachten te verslijten. De Avonden zijn ondertussen ten alle tijde over Gerard neergedaald. Ook het gerecht heeft recht gespro-ken. Geen rechtvaardigheid is geschied. Het braak-sel uit de ouwelijke mond van Brouwers: “Ach, dat Reve-gedoe is alweer zes jaar geleden. Kijk, min-ister Anciaux heeft zich zeer lovend over mijn oeuvre uitgelaten. Anciaux is een belezen man. Ik zal hem hartelijk de hand schudden”... Mijn haar komt recht, slecht voor mijn hart. Brouwers is een mouwveger, een tribuneschrijver, een broekschijter (excusez-moi le mot). Koning Albert zal in zijn nop-jes zijn met Brouwers, blaffend hondje dat niet bijt, uit konings handje koekjes eet, een open doekje krijgt. En knikt en kwijlt. De Koning is een adorabel man, aimabel met de nitwits van het literaire land, het interesseert hem geen éne moer, noppes. Maar ik word hondsmoe van dit beschrijfgedoe. Waarom ben ik heden ongelukkig?

Omdat de wereld naar de kloten gaat. Dat zei Ber-nard Dewulf gisteren in Leuven. Tobback verschoot zienderogen en had zeven replieken tegelijkertijd in zijn wiek geschoten, in casu het culturele Stuk ge-bracht. Bernard is dichterman, zachtaardig, aftas-ter van de mensen en de dingen. Onze burgervader is een doener, een erudiete druktemaker. Hij citeer-de vanuit de middeleeuwen tot op heden, pletwals-te over dertig man publiek, de vrouwen waren in de meerderheid qua boezems. Ach, daar zat ik met mijn éne vrouw en al mijn vragen, met open ogen en gesloten mond te staren naar de modererende Annelies, kind van een bekende keten op TV. Ik had een mening, heb ze ingeslokken. Als de helden spreken, triomferen, daarna bescheiden zwijgen, dan moet ik mij verwijderen. Nochtans de zotte kermis aan de statie zat mij dwars. Het majesta-telijke treinenplein was al een etmaal ingenomen door een smurrie van studenten, helse speeltuin voor bejaarde pubers, dronken koppen, botsautokes met kinderkraam voor meerderjarigen. De aanleiding was mij en stillere aanwezigen een raadsel, wie vraagt de mening van een meerderheid die zwijgt?

Zeg uw gedacht, roept Thomas alle infantielen toe. De Soete doet het vast en goed op StuBru. Voor een alternatief publiek, de vroegere doelgroep van radio Donna en familie. Gisteren hield hij een scato-logische conferentie: zeg me uw gedachten over kakgedrag, hilarisch vettig uitgelegd. Het huppel-kutje dat hem assisteerde kreeg de volle lading shit, de presentator plooide in een deuk. Wat zijn we leuk. We kunnen keinijg Eddy Wally bellen, dat probeerde Peter ‘vlotjes’ Van De Veire. Wally was bezet, had Deksels en Oom Nelis aan de lijn. De slappe brei, gelei van makkelijk gelijk. Wie doet ons wat, wij zijn de mannen van de explosieve mijnen. In een kooi ten toon gespreid op het theaterplein van Leuven. Tot grote eer en glorie van de luister-cijfers. Ik slik mijn mening in, ik ben een éénling. Ik zou geduldig en veelvuldig willen zijn, bevlogen als een dichter. Zoals Louis Tobback dat zei, hij keek bedeesd en eerlijk naar Dewulf. Duette van zuivere zielen. Zonder zonde in het onrecht, zonderling in niets. Hoe grote mensen kinderlijk en kwetsbaar kunnen zijn. Een bange duif schrikt op, ik zie ze vliegen. Op de vlucht, de lucht hangt laag, bedrukt. De vragen strijken neer bij vlagen. Het antwoord schrijft zich verder. Stort zich soms te pletter in ravages en blamage
.

16:59 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: bernard dewulf, keizer louis, koning albert |  Facebook |

21-04-07

op mijn sloffen door de stad geslenterd

Voor de kraam van hotdogs, hamburgers, escar-gots, pensen, braad- en curryworsten staat een ranke nimf te zingen. René Vannerum van de ge-lijknamige kraam, dranken eveneens verkrijgbaar, kijkt geamuseeerd en vettig toe. Zijn pannen pruttelen op het vuur. Dat zal zijn marchandise geen slecht doen, seks verkoopt niet slechter denkt hij. Ik sta esthetisch te genieten. Ik hoor Ricky Lee Jones, Joni Mitchell, Melissa Allen, of vergis ik mij, dat kan. Ik vraag haar aan wie zij de songs ontleent. Zij bekijkt me verschrikt alsof ik een kikker ben met een spraakgebrek. René legt zijn hangpens op de toog, kwaakt dat ik haar niet moet ambeteren. Hij wil geen ambras voor zijn commerce. Annemieke, zo heet ze, zegt dat ze de liedjes na-zingt van een cassette, gekregen van haar mama. Mama speelt soms mee, niet vandaag, ze verblijft tot begin mei in Marseille bij Minette, haar nieuwe minnares. Terwijl doet Annemie (20) de markten. Ze verdient wat drinkgeld en mijn aandacht, de staan-plaats is gratis. Baas Vannerum maant haar aan om verder te kwelen, minder smurrie kind. Weg loebas.

Ik deponeer wat grabbeleuro’s in haar bakje, zij be-dankt hartverscheurend stil met Victoria Williams: World without Tears (live). Ik vind niks uit, luister na op YouTube.
Mijn slenterweg leidt naar het stadhuis, Tobback poseert op de pui met twaalf Japanners. Hij steekt er kop en nek boven uit. De Japanners zijn niet bang. De politie houdt een oogje in het zwerk, geen werk als de patron zelf de paljas uithangt. Grapje Louis, ik weet dat gij meeleest. Leuven blogt zich solo suf.

 

Moment voor Illy-koffie (primeur van blogreclame) op het terras van de Foyer, café voor Mietjes en Marjetten. Ik konkelfoes wat met de moeder van Bruno. Zij vraagt naar Elletje, zegt dat mijn flanken ongedekt zijn. Ik stel haar gerust, ontkracht een roddel en vertel wat achterklap. Dat lucht ons lekker op. Zij lacht zich af, begaat daarna een klaagzang over van haar man. Goed dat zij Bruno nog heeft, troost ik. Haar antwoord plaats ik niet, dat geeft geen pas.

Met korte beentjes komt er iemand driftig aange-stapt. Precies geen Japanner, pertang van klein postuur, maar een streepjesmond, geen spleten in het oog.

 

Tijd om een eindje om te lopen, ik zet een holletje op een vaartje in. Aan het stalletje van zotte Vic-tor senior hou ik halt. Victor junior zit dik zat achter de platenbak. Voor zeven euro koop ik Ontmaskerd! Geleende Vastenavond Meziek 1946-1964. Tweeën-twintig nummerkes carnavalplezier. Bij thuiskomst ter mansarde zet ik er meteen de beuk in. Hoedje op, toeteren maar. Elletje bellen. Tot aan de de aha-erlebnis, op het ouwelijke hoesje lees ik na liedje 22 (‘De saxofoon van Ome Toon’ door Sjakie Schram): “Van ‘Annemieke’ is geen geluidsopname gevonden”. Ik wankel, de mansarde kantelt. Elletje vertellen.

22:22 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: annemieke, elletje, lowieke |  Facebook |

18-04-07

Freddy met holle klepel, hulk van Humo

Freddy De Kerpel, die met zijn klepel uit de titel, is mister Humo van de week. Boosaardig hangt zijn tronie over de cover gedrapeerd, onder zijn norse kop twee mega spiegeleieren: zijn vententetten, en daaronder uitgezakte wasbordlaagjes: zijn rimpel-buik. Onbereikbaar naast hem, elegant op een bed-je ledikant, ligt prinses Marie-Christine van België. Ik heb haar onvrijwillige minnaar nog gekend, maar dat is voor een alternatieve aflevering. Zonder fa-beltjeskrant, een belofte van rode oortjes en roze balleten. Niks vettig, wel pikant en prettig.


Spijtig dat ik verder over De Kerpel moet schrijven, een broos geboren boksmens. Ik mag hem anders wel. Hij is bijna zo oud als Iggy Pop (60-plus), lijkt even onfris en afgetakeld. Nochtans zijn het zelf-verklaarde permanente jongens. Schaamteloos na-drukkelijk, puur op forcing, à bloc (meesmuilt Michel Wielerwuyts). Hun naturel is al decennia wegge-smolten. Klokkenspel van seniorpubers. Toch vind ik Freddy een sympathico. Jean-Marie Maf ervaar ik minder smakelijk, Dekermer Yves een valserik. Maar Freddy is integer zichzelve, consequent en eerlijk, een simpele strever. Verstandelijk gelimiteerd, maar dat is geen schande. Hij doet niemand kwaad, want zegt hij zelf in Humo: criminelen hun plek is in de bak, dat zal ze leren! Afstraffen wil hij hen, met de karwats, niemand bekeren. Daar valt een eindje over weg te debatteren, maar ik verlang niet naar ideeën van Rozee De Vlaeminck, anderhalve broer Clouseau of Windbol Opbrouck. Lieveke Blinkaard neemt een fotoreeks van hun gedachten, Grinnick Balthazar lacht al zijn tanden bloot, zijn kop knik-kert van correct gelijk.
Ik dram maar gratis door. Een opinie kost geen geld, de menigte verveelt zich en vertelt de lege praatjes voort. Zoals gesprekken met De Kerpel, goeikope kost, hij vogelt er met de korte lont op los, strompelt van genot in dames met een strakke kont. Penetreert door smal verstand. Adoreert zich zonder knipoog af.


Wat heb ik met die hopeloos verjongde ouweren, een verdacht vetrouwen? Maar dan zit ik fout. Een poging tot verklaring. Freddy meent dat hij echt zijn lichaam is. Goed mis. Ik zeg dat hij een geest is, niet verwarren met een spook, verschoning. Ik schakel hoger. Mensen hebben slechts een lichaam, maar zijn eerder arme zielen. Wat heet hier arm? Arm wil zeggen dat wij deeltjes zijn van het geheel, dat wij geestelijk participeren aan een universum. Dat wij voor eens en altijd blijvers zijn, continuë universelen. Ik tolereer geen tegenspraak van Ed-ward Planckaert in deze redenering. In de verdere ruimte woont geen lacherig fantoom. In ons ultiem-ste wezen loopt geen platgetreden babbelpad, staat geen schaterende camera. Heerst anti-tele-cratische democratie.

Ik wil het eenvoudig houden, pauwenkleur beken-nen, ik trap ook in de val van ijdelheid. Het tijdelijk gewin van schoonheid, een esthetisch groot gelijk. Daarom vind ik opgeschoonde Freddy spontaan ‘sympa quoi’. Maar helaas is het verhaal onaf, het verval slaat toe, klopt façades hard knock out, desnoods in laatste rondes. Beter bewust zijn van de gong, de bing bang van de bel, het aardse einde van het spel. Elke toekomst belooft fysieke doem. Freddy zal stilaan de nattigheid van lichaamsroem ervaren. De branie van zijn spieren zal finaal be-zwijken onder zijn te kleine brein. Zijn hersenpan gaat echter verder spinsels breien, zelfs verstand van baby’s vangt signalen uit een hemelspansel. Eeuwige sneeuw valt als een dekbed neer op onze wegen, de grote sprei van zieleheil, de troost van koesterende nageboorte. Constante sterren worden wij. Of Fredje De Kerpel dit uitgestelde stardom kan bevatten?

Straks komt hij mogelijk op mijn bakkes kloppen, verlies ik mijn gezicht misschien. Dan moet ik mijn eigen woordenwolken hier herlezen. Er voor altijd (go!) tegenop boksen en geloven maar: in de heilige geest, het nabestaan. Tot in de verste eeuwigheid geniet ik blij van mijn aanwezigheid. Jonge god... of goed zot?

21:10 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: freddy de kerpel, iggy pop, jonge goden |  Facebook |

15-04-07

in de naam van vader, amen zegt mijn adem

Ter ere van jonkvrouw Els Van Eeckhaut, dochter van haar vader dacht ik

 

Beste Els, ik was deze week van mijn melk gekookt, in mijn volle wiek geschoten, op mijn hart en piet getrapt. Ik heb je koele kelk geledigd, ben zeven-maal ter vroege kerk geweest en heb gebed ge-pleegd. Zelfs tranen weggeveegd. Bij dode diva Ida Gerhardt nagelezen: zeven malen om de aarde te gaan, als het zou moeten op handen en voeten, om die éne te ontmoeten… In toegevoegde mate volgde Judith Herzberg na, dichterlijk judaïsch: lieg alsjeblief niet tegen me, niet over iets groots, niet over iets anders, liever hoor ik het vernietigendste dan dat je liegt, want dat is nog vernietigender. Dag Els, versta je dat gebroken woorden mensen kraken, ach.

 

Ik zat apathisch thuis, in opgelegde therapie, met schijfjes jazz-muziek van lady Amy Winehouse, permanent lamlendig, landerig, doorzopen en ba-lorig, larmoyant. Raak- en afsnijvlakken van karak-ters, blokijs op de kop, een open wonde in de hand, een mes doorkerft de tekst. Onprettig vettig uit de buik geschetst, de weke plekken van de onderhuid. Winehouse overleeft dit niet, zij zingt zich verder, dieper in ellende. Rot op vader, jankt ze, ik heb je ballen niet. Klaagzang van een dronken tiener, bijna dertig jaar. We komen altijd later thuis, de ochtend heeft een kater.

 

Els, jij acteerde als de Rosa Luxemburg der blogs, zo dacht ik bij benadering. Vergissing tegen onze menselijkheid. Ik haalde ergens nergens adem meer, waarom: wat heb ik aan je roos blazoen misdaan? Wie heeft de oorlogswereld losgeketend, dit rond-borstige bedrog? Blog in, blog uit, opgetaterd van flapuit, theaterspel, de klokken van het rode pasen hebben niet geluid. Gehuild bij mij. Geen tirlantijnen, zelfs geen schijntirade. Gewoon het einde, zwanen-zang. Van jou voor mij.

 

Ik vroeg je mening zomaar, Els, een vrank gedacht. Geen aandacht, meesteres, nog meisje tevens, de-ze fase mag stilaan voorbijgaan. Jij vertikte het, je mokte om een visie op mijn vaste prik, een klok die verder tikte. In hoeverre ben ik banaal en triviaal, ik stel het vragend vast. Zoiets als plebejer eerste klas, de onmacht van mijn proletarisch domschap. Je had me afgeblokt, dat had je. In de laffe schan-de. Verlinkt, verminkt. Geen levensteken meer. Een hauw, een knauw, verzwegen en verbeten. Er was iets in jou dat niet was afgerond, geen mondvol af-gelikt. Geflikt werd ik.

 

Ook Tonton Didi, mijn derde anker links, is opge-stapt uit de familie, opgelost, verdwenen, wegge-lopen om te wenen. Wie weet heden wàt nog, liefste assertieve tante? Hallo Els, dat was jouw elegante faam, je aanzien en je naam, door ons aan jou geschonken. In bewondering schoon en trouw. Alles rijmt op rouw en rauw. Ik help je onderzoeken desondanks, in verse zondvloed, van Parijs tot Leu-ven, over Gent naar Londen, elke leugen op het zwalpend pad dat Nonkeltje verslond. Is hij verlost verloren?
Ik ben troosteloos, voorgoed doorgrond, geboren als onnozelaar. Volwassen in de zonde grootge-bracht. Nochtans aarzelend, de pas van een kar-kas, voor niemand nog houvast. In niets doortas-tend, per seconde ongezonder. Afgetakeld en ge-tekend. Wat misdeed ik, zeg eens maske advocaat?

14:40 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: els van eeckhaut, didi de paris |  Facebook |

09-04-07

fluthormonen van folklore in de stad

Zaterdagmorgen was er hommeles in onze vrolijke wijkwinkel voor verse voeding, dranken en een snel gerekte babbel met dikke Freddy, de bierge-buikte uitbater. Terwijl ik rondwaarde bij de kant- en klaarmaaltijden, zonder enige haast, geen spatje onraad tussen de rekken, ontplofte plots hysterie aan de riante pizzabak. Een Afrikaanse madam smeet wild en explosief met Margeritha’s, Mozarella’s en Leggera’s min 50 % vet. Freddy stond aangeslagen  achter zijn kassa, lijkbleek als een dronken standbeeld. Ik kreeg de volle lading van de klodders koolhydraten. De kartonnen do-zen en bevroren deksels vlogen rond mijn nek en oren.

Dit was duidelijk geen geval van racisme, ook een paar Oostblokkers werden bekogeld. Plus één Azi-aat, de genaamde Yong (31) uit de Tiensestraat,
ik wil niemand discrimineren. Om kort komaf te maken met een woest verhaal: de ruig gehuigde Ossi’s, een humeurig soort zigeuners, hebben de (opzichtelijk) Congolese gesjeesde op haar plaats gezet, dat wil zeggen: buiten naast het huisvuil dat Freddy reeds had klaar staan voor de ophaling van maandag. Per vergissing, want de ophaling was pas dinsdag wegens feestelijke paasmaandag. Maar Freddy is een zelfverklaarde agnosticus en dus is het ook zijn fout niet dat die Congolese daar niet per kerende werd afgevoerd. Ik heb zelf de ambu-lance moeten bellen. Die vrouw had mogelijks een allergie voor pasta en daar bestaan prikspuitjes voor, zei de bijrijder van de ziekenwagen, Jos Van Renterghem uit Rillaar (Aarschot). Ik kreeg zijn naamkaartje dat met de thuiscomputer was aange-maakt, zijn vrouw werd vermeld als Smekens Gusta. De dag was dus goed begonnen, half gewonnen zei ik bij mezelf. Freddy heeft nog een fles Godelieve afgetrokken voor die Roma’s, ik kreeg een tros van twee bananen gratis. De beschadigde pizza’s waren voor Yong (31). Freddy noemt hem jongske, om te lachen hoor. Toch steeds leuk dat zulke multicul-turele evenementen ons leven even entertainen.

Na de middag was er andere heisa, met name het Internationaal Folklore Festival. Opperburger Lowie durft dat oud gedoe nog steeds niet torpederen. Wij zagen delegaties van de Karpaten, Moldavië, Oost- en West-Slavonië, Schot- en Let- en Lap-land. Er werd wat afgezwanst, gehost, gekletst, gezwetst, gedanst. Niet af te ketsen met mijn grijns, mijn pletwals van chagrijn. Variaties op de afgezaagde middeleeuwse thema’s: wambuiskielen, heksenhoedjes, grapjes met een baard, kuitknie-broeken, vlaggenvodden, vendels met een zwaai-knecht aan, ratelende karrenwielen, ossenwagens op de dool, doldronken idioten met een plooirok over blote konten, borstenzwoelige stonden, goeie-kope hoerigheid alom.
Tot middernacht en later kon men zwalpen. Cultuur wordt zuur betaald zolang men uit de boeren- en burleske bron blijft puren. De gruwel van het platte carnaval was nog niet verteerd en hop het was alweer de beurt aan verse marginalen. Leuven ligt een tijdperk uit de weg van Avignon en Kassel, festivals van kunst, moderne documenta. En dan moet het triviale jaar nog starten. We hebben het plezante Hapje Tapje (keukerig & kneuterig) terug te goed, de stoeterij met kolder van de Mannen van het Jaar, één maand kermis met zat bier, ple-zier met pensen, brij van mensen, dijenkletserij op paardenbillen bij de Jaarmarkt.
Fellini weet niet wat hij heeft gemist. Leuven schenkt scenario’s met decor voor intellectuele mankepoot met bochels van gedrocht. Zeg niet dat ik parmantig ben. Niet mijn pretentie telt. Ik beoog hier slechts een schoon imago, breng een fors plei-dooi voor frisse looks, een hoognodig hippe stad.

 

Er klonk gelukkig nog wat troost van nonsens-zangers daags voor Pasen. Het trio ENKK speelt sinds enkele weken lukraak door de winkelstraten. Mooi aangeklonken is hun prikkelend meezingnum-mer “Queste Quanta Costa”. Drie frisse weirdo’s doen hun dwarse vrolijk ding, wars van platte toegiftpolitiek. Met een knipoog naar de smartlap en een klak voor schaars gewin. Zij zagen blije haltpassanten, kinderlijke knikgezichten, twinkel-ogend pretpubliek. Er is dus hoop op nieuw geluid. Het voorhistorisch luik van uitgemolken flutfolklore mag vlug de hoge bomen in. Geef ons die nieuwe riedel, een zwengel ENKK als betere soort. Merci.

 

Ter staving van mijn stelling dat ik nergens zotte zwans verkoop, zie ook google: muziekgroep ENKK. Hopelijk leest Leuven Blogt eens mee, mochten zij zelf geen vage fantasie of halve leugen zijn, oké?

20:47 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: enkk, blogt leuven, flutfolklore |  Facebook |

06-04-07

vertelling van ons Elletje & de elfjes

Maar Kobeke toch, ochottekes jongen. Ik schoot wakker, wat was er met ons Kobeke? Ik kende geen Kobeke. Het was een droomimpressie. Kondigen Kobekes soms depressies aan? Snel de radio aangedraaid, voor de ambiance en de ratio in mijn kop. Het was klokke zeven, tijd voor het gesproken dagblad. Calamiteiten hier en banali-teiten daar, meestal omgekeerd, inclusief de kan-kerreclame: laat uw borsten zien, alstublieft, schoon gerief. Daarna de gekloonde Clouseau’s met een castratenlied, scherp en diep doorleefd gespeeld. Twee onnozel Kobekes voor de prijs van één slokje kokhalsen. Ik flashte bijna back naar een Vlaamse bonte avond. Flipperdeflap, voorts en over. Vervolgens hol ik door naar buiten voor een potje zuurstof. Bots ik op kokette dame Nel en haar ballerina-dochter Merlina. Komt dat tegen. Wij lachen wederzijds verlegen, jawadde, dat zijn ferm galetten, die mogen begore bekeken worden. Gelukkig had ik mijn nieuwe pilotenbril op. Mijn ogen zijn periodiek ongezond en sensueel erg kwetsbaar. Zoals mijn gans gestel. Dat gammelt en dat rammelt de laatste tijd. Weer veel te veel Captain Beefheart gegeten zeker, suggereert een collega van la Elle, de zogenaamde rocker Odilon. Modieuze bedweter. Hij houdt een oogske op het vrouwke Nel, bewaakt Merlina-maske. Die malle maskerade. Want hij frivoleert soms met ons ei-gen Elletje. Ik zeg niet meer, ook niet minder, n' est-ce pas nietwaar? Tijd om door te schakelen.

Hoewist, vraagt Aziz, den Turk. Awel, gelijk als het weer, riposteer ik. Dat woord kent hij toch niet. Dat gaat zijn fez (pet) te boven. Hij kijkt droef en betoeterd. Straks kom ik eten, schal ik uit de verte. Daar kikkert hij meteen van op. Hij maakt dolle sprongetjes en kwaakt me al zijn gangen na. Ik bel Elletje direct en vertel haar mijn wedervaren. Aziz is een Tunesiër, verbetert ze meteen. Ze aanvaardt mijn invitatie. Gratis gaat de zon voor niks op. Dat is zomaar intertekst.

Aziz is in grote doen. Hij spreekt zijn beste Belgiz, serveert ons plechtig schotelhoofd- en nabezorg-gerechten. Wij eten vanuit zijn Tunesischen Tel-joor, zo heet zijn exotische eettent, een ruime afspanning aan de Puithoek. Kabel bespeelt er de kook- en muziekplaten. Zij spreken dat uit als Kabèl, zoals wij, maar schrijven gewoon kabel. Kabèl (oké, leest beter) heeft de laatste ceedee van CocoRosie in ‘t oosters huis gehaald: The Adventures from Gosthorse and Stillborn. Gekke americana-sisters, één-ijlige elfjes, zij kwelen gemixte opera op flardjes acid-folk. Hokken op een Fransozische mansarde, delen de sponde met wat zonde. De zusjes Stella en Bianca Casady (kakèlt Kabèl) doen hèt (jawel!) met mekaar. Allee, ‘t is te zeggen dat ze dat insinueren, het tegendeeel nergens genereren.
En nu gij, verzet Aziz verbaasd zijn fez, hij krabt zich onder zijn klak. Het kan maar deugd doen, knipoog ik naar ons Elletje. Zij luistert niet, fluis-tert iets in Kabèl zijn oor. Afgesproken zegt ze achteraf. Aziz moet vijf kaartjes arrangeren. Wij gaan woensdag ter plekke. De CocoRosie’tjes komen naar Brussel. Maar vijf is toch vier plus één. Just, zegt ze, Odilon gaat ook graag mee. Gatverdekke, ik betaal weer het gelach! Zal ik somber Kobeke laten komen? Terug naar af.

                   

22:07 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: captain beefheart, cocorosie |  Facebook |

04-04-07

testament of statement, lees mij maar

Voor de nieuwe onbeminde, bijna onbekend gebleven

 

Een man heeft zich te veel verveeld, wilde steeds uit spelen gaan. Flaneerde in de wind, heeft op geen weer gelet. De regen deerde niet. Hij liep de straten af, veel wegen heen en weer. Dat leidde naar bijna nergens, wist hij jaren van zijn leven later. De ba-lans sprak taterend van een perte totale, theater van de schaamte, scha en schande, opgebrand van overdreven toerental. Zo staarde elke buitenkant zich blind, passanten paradeerden langs zijn trage raam. Verveeld negeerde hij de dealers van zijn uitverteld verhaal. Ontweek hij bendes laffe trafi-kanten. Deed een stap of twee opzij, op tijd ont-snapt, de weke burgerman ontvlucht. Opgelucht.
De mare zegt dat hij verdoken zit. Zijn waarheid wil dat hij ontloken is. De geboorte van een dwaas. Beloken Pasen. Voor elk wat wils. Bedien u maar.


Hij is een jongen zoals elke man geweest is, soms in dromenland gestrand. Vergeten dat hij dingen hàd te weten. Zo sprak het goed geweten van het volks verstand. Te laat verstaan. Met zovelen zijn ze vaak te veel geweest, hij meestal alleen. Wat geeft het als het hen geneert? Dat derangeert toch niet. Niet hem. Bedenkt hij zich. Nochtans de angst ontbrandt, hij is bezorgd en bang. Ervaart de spijt om lijden dat hij anderen deed. Wat geweest, is geweest. Na ie-dere misstap brak een ander feest de vredesban.
Leer hem nergens middelmatigheid, hij kent geen maat, mankeert gezapigheid, geen gevoel voor on-bevlogenheid.

De nacht kwam met een boodschap, straling van een ster, signalen van de melkweg: leg neer de laatste lafheid, stap in vrijheid op haar af, bevrijding van de band die leegte binden wil. Hij zat bezweet op bed, ontdaan van branie, van restanten lef. Moest hij moorden met drie woorden: het is over. Nogmaals.


"Meisje met het grote hart, ik groet je uit het duis-ter. Ik heb me in mijn donker kot verstopt. Spoor me nooit meer op, ik ben het uitgelegd verlies, een los verloren speld die in jouw zwoelte smelt. Geprikt heb ik mezelf, je hooiberg omgewoeld, er was geen stoeien aan. Betrap me nergens meer, ik ben je lie-veling geeneens geweest, dat heb ik niet verdiend. Ik had voor jouw verliefdheid geen talent. Ik ben het wankele en het manke. Onevenwicht dat voor de regels van de hemel zwicht, omgekeerde plicht”.

 

Ik ben de man die aan mijn wal komt aangespoeld, op spartelend gevoel. Een vlotte zwemmer ben ik niet in anderen geweest. Ik viel stom verwonderd
in het warme water van veranderende tantes. Red mezelf bij deze, mijn gedegen lijfsbehoud. Onge-schonden word ik voortaan ouder. Geen excuses kunnen geldig zijn voor elke wonde. Ik teer op mijn verleden, onvolwassen zonder enige rede. Ik noteer verbijstering en pijn. Het spijt me, lieve onbeminde, bijna onbekend gebleven.

10:43 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: statement, testament, onbemind |  Facebook |

01-04-07

wijkagenten zijn soms zeikagenten

Gisterenavond moest ik naar een verjaardags-feestje. Tante nonneke werd honderd. Soeur Poitrine (52, Francine in ’t echte leven) had me gevraagd om gospel te komen zingen tijdens de avond-vespers. Ik had thuis een nummertje van Lee Hazelwood gerepeteerd. Gratis danspasjes erbij. Strakke broek gestreken, stepschoentjes opgeblonken, brylcreem in mijn haar, geen gel, da’s een kleine nuance voor de kloostermeiskes. Enfin, om door een ringetje te halen, aan een paternoster te rijgen, zo stijf van frivole devotie stond ik. Ik galmde vol monastieke glamour van de trappen af. Op naar het psalmenland. Maar potverkoffie, watskebeurt? Mijn Corsa was ge-stolen. Het betreft (betrof) een knalrode wagen van de firma Opel, uit de alom gegeerde Swing-serie, bijna tweehonderd duizend kilometer op de dolle teller. De nummerplaat is (was) CUP???, het chassisnummer ontsnapt(e) mij eveneens. Nergens een remspoor, enkel opgedroogde olie, een afdruk als een visitekaartje: hulp, karkas verkracht en weggesleept. Corsa was voorzien van een StuBru-sticker, ondanks Thomas De Soete en zijn vettige pretpraatjes. Maar dat is een afwijking. Ter zake, het klooster diende ver-wittigd. Francine haar gsm bleek bezet. Naar tan-te nonneke zelf gebeld. Ze ging de sjampetter mailen, Firmin, haar eerste en haar laatste min-naar. Hij is dan nog met Odile getrouwd, Olie-slaeghers, mensen met een slechte reputatie, werkvolk nietwaar. Wij van onze kant, de clan Vanco, wij zijn van een ander soort. Katholieke middenstand en meer. Ons vader is nog kleer-maker geweest, klandizie zat, ook dronken men-sen, zoals de veldwachter, Firmin. Dat legde ze me in één adem uit, en ze moest nog honderd kaarskes uitblazen, daarna de vogeltjesdans en jodelen tijdens mijn gogospel. Maar dat feesje ging dus niet door. Ik heb haar veel leed be-rokkend. Met dank aan mijn vrienden, de politie. Mijn rode Corsa bleek bij navraag niet gestolen, maar weggetakeld, een geval van overmacht uit pure gemakzucht. Omdat de liberale buren, verre familie van die van Olieslaeghers, opeens wouden verhuizen. Onafhankelijk van mij, ten officieuze titel. Dat formuleert mijn wijkagent mij heel be-deesd, hij had me dagenlang gezocht, niet willen vinden. Zich van geen gevaar bewust was mijn Corsa blijven druppelen op zijn vaste plek: voor de vitrine van ons Justine haar etalage, pal onder haar balkon (zie eerdere verhalen, hier nog lees-baar). Stukske wijkagent, haalde ik fulminerend uit, dit is de facto diefstal menne man. Ik refe-reerde naar onze jongste kennismaking, hoe ik hem de weg in het bedrijf had leren kennen. Hij keek mij aan zoals de domste van de klas. Verstand op nul: maak plaats voor Inspecteurke Onbenul. Auto’s in de weg, dan maar laten sle-pen. Olé! Ik zou het Comitéke Pé kunnen ver-wittigen, ze schijnen mij daar te kennen weet ik uit hun eigen bron. Dag madame Bellissima, ça va?  Maar ik wil ons tante nonneke dat niet aandoen. Het mens leeft in een achterhaald verleden, heeft verkeerde ideeën, zit soms bij wijlen Firmin in dromenzonde op de schoot. Firmin, ochgottekes, een foute wijkagent avant la lettre. Zijn nageslacht zwaait met matrak en willekeur. Mijn Corsa heb ik ondertussen terug.  De schade valt nog mee: de vette vingersporen van een oom agent. Tonton Stupide, herdenk ik hem. 't Stil verdriet van de politie. Gelukkig geen familielid.

 

12:59 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: swing, tante nonneke, wijk agent |  Facebook |