28-03-07

Patricia legt haar eieren rond de klok

Wat een gehannes en gekakel over de afschaffing van een klok die verder tikt. Zoveel lege praatjes om wat zendtijd op te vullen. Bijna was Ceyssens van het politieke strijdtoneel verwijderd, maar lap, haar wekker loopt plots af. Patricia werd in Leu-ven weggestemd, vernederd haast. Alleen Rik Daems in Herent viel nog een Waalse misstap ;-) lager in de liberale regionen. Kakelblauw en bont waren ze geslagen. Nonkel Tobback had in jaren niet zo goed geboerd. Het VLD-antiquariaat werd als Openstaand verklaard. In de rode stad én achternering van meneer Louis de Tweede liepen ze blauwtjes op: door de bodem van de mand en op hun blote gat gevallen.

 

Kan de schaamte van de blauwe meubelen nog gered? Komt de verlossing uit de koker van een slangenman gekropen? Quickie kreeg zijn Kafka-expo als cadeau, een poppenkast met dode wet-ten die post datum worden weggeharkt. Na het oud-historisch sterven nog een mediatieke grap erna, een achteraf-begrafenis. Vincent Q werd twintig kilo dikker, zijn nek zwelt van indigestie op TV-Te-Veel, hij lijkt zo opgeblazen als de kikvors Guy Verhofstadt (zwaar poserend naast Al Gore, hun balans weegt dubbel door op het klimaat).

 

De blauwe winkel krakeleert in al zijn spleten. De premier verspeelde zich als hoeder van zijn broe-der Chevalier, ‘party’ Pierre werd Afrikaans ver-sast. Voor Verwilghen geldt de ophokplicht, een witte ridder rept zich naar de nooduitgang, een verhoopte ‘gate for internationals’. Echter, ‘home alone’ in Knokke Zoute wenkt hem. Zwenking naar het Zwin en afgang. Hoeveel tricolore sjerpen hangen wiebelend in de analoge wilgen, voor elk wat wils: een uitkijkpostje of een afgedankt mandaat? Het kouwelijk blauw fabriekje wankelt, dreigt failliet te gaan. Sterckx en Somers krijgen kletsen, zien om beurten buien dretsen langs hun slappe oren. En maar spartelen, bange onver-kozen mannen. Externe Karel redt nog snel en schaars reclame, maar vliegt helaas te vaak van huis. Hij verliest de kijk op zijn interne keuken. Waar blijft het opgeschoond gerief?.

Ceyssens dan maar opgevist, het politieke licht-gewicht, het kippetje dat niet meer aan kon pikken, zich reeds had neer- en leeggelegd. Iemand vond de prikklok opnieuw uit, gepland voor haar. Om ze later af te schaffen. Want ach en wee die ‘ambetantenarren’, spijtoptanten van het echte werk. Quick had neo-propere manieren aan de oosterbron geleerd, in het slavistische cool van Singapore. De karwats erop, de klok een zwik naar achteren gedraaid. Plotse stop aan onze culturele tijdsprogressie. Het horloge speelt harmonica, electronica van ons tamme kloten. Opmarcheren in de grote geldprocessie. Toe maar, kameraden van het burgerkapitaal. Uw manifesten zijn voorspelbaar: onderwerpen in mineur. De nederlaag kent geen genade noch grandeur.

Archaïsch klokkenwerk, kirde Patricia folkloris-tisch. Slecht theater, mama Ceyssens. De prikklok is een post-modern icoon, symbool van schoon verworven rechten op het werk. Onze tijd tikt naarstig verder door ons loon. Slaat de klepel over, recupereren wij met mate. Inhaleren heet dat gretig. Beledig onze fiere ambtenaren ‘onder ede’ liever niet meer. Halt aan uw gelal, in casu liberale frazen over loyauteit met bazen-sinter-klazen, wij  stemmen voor gezelligheid. Geef ons een wakkere wekker op kantoor. Wij aanhoren node bek- en belleketrek, uw klef gerinkel, gij wilt het zaad uit onze bakskes pikken. Sorry, wij door-zien uw vals verkiezingsspel. Voorzie u van een ander thema, moeder kloekje. En zo niet, kook dan voortaan thuis uw kakelei. Uw politieke tijd is doorgeprikt. 

22:11 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (19) | Tags: louis tobback, leuven, patricia ceyssens |  Facebook |

25-03-07

ingevulde vacature, niet meer lullen

Alea iacta est, de teerling is geworpen, als een eikel uiteengespetterd. Spatten van de grond tot tegen het plafond. Ik heb een tijdje reddeloos rond-gedobberd, de blitze belletrienen in een fletse over-weging afgeketst. En verder nergens uitgepakt. Daar is vanzelf niks mis mee. Een theatrale miss(er) kan bij uitzondering foutloos schrijven, een des-ondanks misbaksel vermag charmant te zijn, in ex-tremis radeloos pikant. Maar ik was op jacht naar extra-kwaliteit, ik wou weer meer: een lieve diep-gelaagde, heel gewaagde klassedame. Want geef maar toe, een beetje blogger kan niet zonder in-morele toeverlaat, een warme volbloed als feed-back-madam. Ziedaar, de kaders dienen aange-maakt, het netweb verder doorvertakt, het rand-werk opgesmukt, de teksten uitgetikt op ritmes van een regelmaat, d.i. mijn zacht dictaat. Voor en na dient soms intens vergaderd en getafeld. Het oog wil ook wat strelen, strakke vormen zijn vaak im-portanter dan de klakkeloze inhoud. Het gaat om brokken erotiek in tekstberekening, om ellebogen-woorden met een opgeporde knipoog.

De sensuele sekssensoren van een vranke web-ster-secretaresse (zal ik maar zeggen) zijn de doorvoelhorens van mijn eigen bloed- en voedings-bodem. Filosofische onzin of gefabuleerde quote, ik versta dit immers voor geen halve centimeter. Om-daarom gerieft een feminiene wederhelft, voor ex-pliciete interpretatie naar mezelf. Ze zal mij hees de hete kernen van onze wijsheid onderfluisteren. Lees en luister goed: quod erat demonstrandum in ‘t la-tijns. Wat demonstratief vertoond moet worden in de liefde. Ofte ‘nolens volens’, in mijn volks geaarde taal: als het u niet aanstaat, leg dan rap uw harde kop ernaast. Op het kapblok is het bang en akelig wachten. Vandaar de keuze voor de eieren uit het eigen nest, wie thuis de lusten lenigt, lacht ver-wend best langer.

Ik breng fragiel begrip op voor de feiten dat mijn meisje meisje blijven wil. En nog meer bescheiden, zoals ik. Wij afficheren daarom onze foto’s als een vorm van camouflage. Ik lijk altijd ouder, zij steeds héél veel jonger. In de onderlinge tussenfase krui-sen onze wegen zich, fladderen wij behendig rond ons lijf en leden als een spelend stel. Ranke balle-rina betovert blonde ballroom-danser. Was dat laatste maar ten dele waar. Ik ben een hark met dwarsgeplooid karakter. Zij is de mooiere inborst van ons paar. Een boezem goed gevuld gevoel, voilà dasda. U kan haar jong bewonderen annex in de randerige faze, ter linkerkant een kindje lief verlegen. Zoals u ziet, de pure onschuld is een schoon geduld. Retro is de oude mode van het kwetsbaar koesteren. Nostalgie posteert zich ogenschijnlijk klein, het portret van melancholisch meiskezijn. Bij deze, zij is mijn. Zo staat hier lief en nijg geschreven. Ik ben even in dit leven uitgehijgd.

 

22:15 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: eikel, sekssensoren, webster |  Facebook |

23-03-07

of ik soms het nieuws al wist van roger

Roger Van Molenbergh is vorige week gestorven. Mijn vrouw vertelde het me gisteren. Ik moest even slikken. Roger, jongen toch. En Frieda blijft nu achter met Birgit en Ilsemieke, hun hond heette Barry geloof ik. Ze woonden op de grote steenweg, naast het huis van “Bij de Legumen Boer”. Ik zag Roger dikwijls bezig in zijn tuin, een krom-gebogen man van goed veertig, te vroeg oud geworden. Roger was mankeliek geboren, met een klak, een zwarte baret in de winter. En schuw, hij had er zelf geen woorden voor. Het heel jaar door kon hij graven in zijn hof. Wie een graf delft voor een ander, zei de boer zijn groenten-vrouw. Zij maakte haar zinnen meestal niet af. Roger lag haar niet, een hettenfretter vond ze hem. Ik heb daar niks op geantwoord. Tussen mij en de boerin is dat ook nooit meer goed gekomen. Ik heb eens een bussel witloof naar mijn kop gekregen. Vuil janet, riep ze toen. De boer is ’s avonds nog komen bellen, met een zak patatten, een kilo of twee, gratis. Ik moest de lege zak wel terugbezorgen. Moet ik trouwens nog doen. En om te zeggen dat ik Rosa dat niet kwalijk mocht nemen. Zij leed aan haar koep-letten (couplettes) of zoiets, volgens tinternet van zijn schoonzoon. 'Tourette' verbeterde ik in gedachten. Maar Roger kreeg ik niet uit mijn kop. Jaren hebben we samen naar Brussel gespoord, geen woord gewisseld. De ene verlegen blik was de andere waard. Een goeiendag dat wel, een grijns, een opgestoken hand. Maar eer ik iets kon haperen, had hij zijn apparaat al op zijn oren. Onder zijn klak hingen altijd die draden van zijn muziek. Roger was een stille rocker, een stiekeme folkie, een chansonard somtijds. Op zijn dooskes las ik in de vlucht bijvoorbeeld Will Oldham aka Bonnie Prince Billy. Zoiets vergeet een mens niet vlug. Daar wordt ge door getekend. Johnny Cash nam hem in het voorjaar 2000 nog op met  “I see a Darkness”. Het was in de periode dat de treinen dagen-lang gestaakt hebben. Ik reed met de lijnbus naar Brussel. Roger stond ook iedere ochtend in dat tochthok, een beetje in mekaar geschrompeld. Wij namen de “16”, om half zeven als ik me dat goed herinner. En hoesten dat die jongen altijd deed. Toen vermoedde ik al dat hij iets op zijn longen had. Maar ik heb het nooit echt geweten. Veel spreken deden we niet, dat heb ik reeds geschreven. Maar kanker was het zeker, volgens mijn vrouw. Zes maanden is hij ziek geweest. Heeft hij veel afgezien, ze zijn het ons niet komen vertellen. Ze leefden liever op hun eigen. Wie gaat hem missen? Vrouw en kinderen, zijn hond mis-schien. Morgen ga ik die zak eens terugbrengen, een klapke doen met Isidoor, de boer. Want Rosa, die is on-dertussen ook al maanden uitgezongen. Als hun graven konden praten, zou alles uitgesproken zijn. Waarna sa-men amen.

19:59 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: buurman, graven, patatten |  Facebook |

of ik dat nieuws al vernomen had van roger

Roger Van Molenbergh is vorige week gestorven. Mijn vrouw vertelde het me gisteren. Ik moest even slikken. Roger, jongen toch. En Frieda blijft nu achter met Birgit en Ilsemieke, hun hond heette Barry geloof ik. Ze woonden op de grote steenweg, naast het huis van “Bij de Legumen Boer”. Ik zag Roger dikwijls bezig in zijn tuin, een kromgebogen man van goed veertig, te vroeg oud geworden. Roger was mankeliek geboren, met een klak, een zwarte baret in de winter. En schuw, hij had er zelf geen woorden voor. Het heel jaar door kon hij graven in zijn hof. Wie een graf delft voor een ander, zei de boer zijn groentenvrouw. Zij maakte haar zinnen meestal niet af. Roger lag haar niet, een hettenfretter vond ze hem. Ik heb daar niks op geantwoord. Tussen mij en de boerin is dat ook nooit meer goed gekomen. Ik heb eens een bussel witloof naar mijn kop gekregen. Vuil janet, riep ze toen. De boer is ’s avonds nog komen bellen, met een zak patatten, een kilo of twee, gratis. Ik moest de lege zak wel terugbezorgen. Moet ik trouwens nog doen. En om te zeggen dat ik Rosa dat niet kwalijk mocht nemen. Zij leed aan haar koepletten (couplettes) of zoiets, volgens tinternet van zijn schoonzoon. Tourette verbeterde ik in gedachten. Maar Roger kreeg ik niet uit mijn kop. Jaren hebben we samen naar Brussel gespoord, geen woord gewisseld. De ene verlegen blik was de andere waard. Een goeiendag dat wel, een grijns, een opgestoken hand. Maar eer ik iets kon haperen, had hij zijn apparaat al op zijn oren. Onder zijn klak hingen altijd die draden van zijn muziek. Roger was een stille rocker, een stiekeme folkie, een chansonard somtijds. Op zijn dooskes las ik in de vlucht bijvoorbeeld Will Oldham aka Bonnie Prince Billy. Zoiets vergeet een mens niet vlug. Daar wordt ge door getekend. Johny Cash nam hem in het voorjaar 2000 nog op met  “I see a Darknes”. Het was in de periode dat de treinen dagenlang gestaakt hebben. Ik reed met de lijnbus naar Brussel. Roger stond ook iedere ochtend in dat tochthok, een beetje in mekaar geschrompeld. Wij namen de “16”, om half zeven als ik me dat goed herinner. En hoesten dat die jongen altijd deed. Toen vermoedde ik al dat hij iets op zijn longen had. Maar ik heb het nooit echt geweten. Veel spreken deden we niet, dat heb ik reeds geschreven. Maar kanker was het zeker, volgens mijn vrouw. Zes maanden is hij ziek geweest. Heeft hij veel afgezien, ze zijn het ons niet komen vertellen. Ze leefden liever op hun eigen. Wie gaat hem missen? Vrouw en kinderen, zijn hond misschien. Morgen ga ik die zak eens terugbrengen, een klapke doen met Karel, de boer. Want Rosa, die is ondertussen ook al maanden uitgezongen. Als hun graven konden praten, zou alles uitgesproken zijn. Waarna amen.

 

19:28 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

21-03-07

koning klant, het spiegeltje aan de wand

Ik heb de laatste dagen wat last van de opwarming van de aarde. Mijn klimaat verandert constant. Tot gisteren die hoge opstoot. Een plotse piek, na een dalletje in het weekend. Dat valt niet mee, zei ik te-gen de dokteres. Ge moet u beter verzorgen, meneer Vanco, was haar remedie. Dat ik meer uit de wind moest zitten, een zonnebril dragen tegen de prikkels in mijn ogen. Jamaar Jacqueline, repliceerde ik, wie gaat dat betalen? Grapje, ik tutoyeer haar graag. Dan schudt ze met haar gat van ’t lachen. Een bezig besje, dat is ze wel. Ik smelt van pure alliteratie als ik haar zie bougeren. Vroeger danste ze in de fanfare, als tambour-majorette, daarna nog sporadisch bougie(wougie), tenslotte toch maar arts geworden, op aanraden van haar vader, een vermaard psychiater (dag Dolf J). Maar zenuwachtig is ze gebleven, daar zijn geen woorden voor. Alhoewel, eens buiten op haar dorpel, bij het dartel wegsmakken, lijkt ze op-gekrikt. Tot binnenkort, kirt ze. En zucht opgelucht.


Zo gezegd, zo gegaan. Ik ’s anderendaags naar Justine, voor een grote zonnebril. Een Wayfarer van de firma Ray-Ban, zoals Jacqueline mij had voorgeschreven. Een retro ziekenfondsmodel, met ingebouwde uitklapspiegels. Inclusief bedacht op tranenvers verdriet, met bijgeleverde waterdragers. Justine had mij zien komen. Ze rook naar een liter eau de cologne, het had weer iets mogen kosten precies. Zet u Nero, zei ze, pardon Marlon, gij maakt mij altijd zo nerveus. Ze legt een strip van Jommeke weg, verschikt haar string en strijkt de plooien glad. Haar terlenca rok, een laag uitgevallen topje, is van Prada, maar we komen rap ter zake. Ja, ze wist van mijn probleem. Nonkel Dolf had haar gebeld. Typisch de vader van zijn dochter dokter. Voor uw privacy moet ge bij die mensen niet gaan. Maar bezorgd zijn ze wel, dat moet ik toegeven. Justine kiepert me daar een palet reclame in mijn schoot. Ze nestelt zich erbij. Daar had ik niet van terug. Ze port me aan, voor het geld moest ik het niet laten. Ik ben de klant van haar procenten. En dat ik content mocht zijn met haar advies. Want Vittorio droeg het origineel model, gelijk Bob Dylan in ’67, op de cover van Rolling Stone. Ja hallo zeg, Vittorio van mijn kloten, uw lelijke vent uit Rome. Maar altijd elegant en flamboyant, plaagt Justine mij, met een uithaal van haar elleboog. Wat een stoot! Haar Romeinse Romeo komt tegen Pasen overgevogeld, eieren leggen onder haar hete billen. Dan sluit de brillenwinkel zeven dagen. Behalve de eerste etage, daar is het lekker klepelen, rinkelt klokkenspel. Enfin, ik heb dat oogkarkas gekocht, tegen de periodieke prikkeling. Nog een schanda-leuze poster meegekregen van D & G, gratis...: Justine ligt kronkelend op de grond, vijf Vittorio’s staan zwetend rond haar lijf, stijf van verwijfdheid. De lucht lijkt opeens ijler vanachter mijn Wayfarer, Justine lost op in wolken Ray-Ban.

 

Het nieuw bedrijf is ingezet, ik draag voortaan een retro-actieve bril als masker. Wie mij in de ogen kijken wil, ziet slechts reflexies van zichzelf. Met dank aan alle meisjes van de amorele welzijnszorg, de verre dichteressen en de onbestaande minna-ressen. Dag beeldige Helga, schone Olga, prinses Etcetera.

10:55 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (6) | Tags: bon dylan, ray-ban, rolling stone |  Facebook |

18-03-07

vers verdriet verandert vaders ziekte

Het is zaterdag, lamentabele dag. De doelloosheid zoekt zich een weg, de leegte heeft zich in de straten van mijn stad genesteld. Een moedeloze soort. Niet verveling stoort. Geen wrevel op mijn geweten, geen gedachten, geen vergeten. Gewoon het niets, het grote niets dat schrik aanjaagt. Dat nieuwe angsten wekt. Ik verdenk mezelf, de zon-daar daags voor zondag. Eer het morgen wordt, moet ik mijn boete doen. Ik heb iets aangericht,
ik ben de dader van een plicht die ik verzaakte. Vader, waarom dool ik, waarop hoop ik? Vergiffenis is een groot gemis, het hoogst onmogelijke. Ben ik die éne ongelovige?

Ik bel mijn vader en vertel hem het oude nieuws dat ik verzwegen had. Vanwege zijn gebreken, ziektes, ander leed, zijn geest die niet veel weer-stand biedt. In een afgeleefd verleden was hij de grotere held van generaties. Hij kende alle evan-gelies, kon ons bespreken en bekeren zonder za-gen, zonder preekmoraal. Een ware biechtvader, dat was onze pa. Hét schone wonder dat hij van-daag aanwezig is, paraat en helder. Ik vertel hem dus. Geen uitstel meer, aandachtig luistert hij. Ik verraad mij aarzelend, hij geeft de voorzet mee. Kleine woorden van de grote wijze man. Het lang verhaal van uitgelegde liefde. Stilte valt verwacht, geplengd verdriet, een stem die lippen plet. En niemand die mij ziet. Mijn vader hoort mij, voelt zich aangesproken in zijn laatste rol. De toeverlaat van vroeger, onbezonnen van gezond verstand. Hij herleeft zich in dit heden van zijn zonen en zijn dochters: losgeslagen, vrijgevochten. Levenslopen en hun trieste tol. De pijnen en de wrijving. Glans en afgang. Onkans tot de opgang. In een mogelijk geval.

 

Een schouderklop. De oude troost. De inspraak van de nieuwe moed. Een warme klank, zijn dankbaar-heid ondanks. Toch lachen van mizerie, doorgaan met geloven langs dit miezerig mankeren, het afzien van geen verder leven. Tijd brengt raad, een vader bij de haard. Nog een goedendag beloofd aan wie afwezig is. Hij misspreekt zich zeker niet, dit is ge-meend. Ik geef dit teken in de teksten door. Daar-voor dient geloof in woorden. Trouw en vol ontzag bega ik zijn gehoorzaamheid. Een ouderskind blijft steeds een kind. Geborgenheid klinkt klef, is ner-gens laf. Een ouderwets gebod voor wie bemint.
Ik ben wel eens mezelve niet.

 

De tijd zal komen dat ik aan de graven sta. Mijn hart bereidt zich op een kerkhof voor. Daar ligt de dood niet terminaal. Warm straalt overleving in de geest. Het leven is finaal niet liefdeloos geweest.

14:25 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (5) | Tags: vader, verdriet, ziekte |  Facebook |

15-03-07

met warmte: wham bam, thank you ma'am

Ze is vuur en vlam voor mij misschien. Een warme tante, vat vol vrouw en vonken. Ze fladdert met haar gat rond, mondig mooi een uurlang praat-theater, opgetooid met salvo’s lachsecondes. Laaiend giert ze om het leven, probeert ze liefdes met verdriet te wissen, weent ze stil lawaai haar huis uit, weg ermee. Ze schatert na de flaters, van de mannen die hun handen kwamen warmen, maar verbrande vingers kregen. Ze laat ze onverlegen liggen, slapper  opstaan, smeken. Herbeginnen en hervallen.

Wat ze doorbepalend nog is: voortgeplante Olense, lente uit de kempenschoot. Een wandelmadeliefma-dam. Een amazone met verhoogd gerief. Ze heeft zich zwierig doorgedanst tot volbloed Brabantse. Ze verloor en vond haar suikerwegen in het Hage-land. Daar stopt ze plots. Ze prakkizeert en draait haar schone krollenkop. Ze vraagt me iets: of ik haar lelijk vind. Wablief?

 

Dit is een mokerslagenvraag. Ik poker mijn gezicht en pieker niet: gij zijt begot een moordwijf. Dit is een zweepslag van een antwoord. Waar blijf ik met mijn woordverhaal, het kan verkeren en mankeren. Toegegeven, dit is dik d’ erover, te brutaal klink ik. Maar wat bezielt haar billenwinkel, ze stagneert. Haar vlaag van zelfbevraging is een kering rond mijn pot. Haar ondertekst een vleesgeworden vrees.

 

Olga loopt de vaagte in, vergist zich even, is ver-mist. Ik zeg maar niks meer, inhaleer wat adem-stilte. Schrijf en veeg mijn tekens in de lucht, de vruchteloze klaarte (denk ik helder). Zij herpakt zich, breekt het clair-obscur. Herkent symbolen, leest iconen van gezondheid af, herstelt zich van impasse. Mooi zoals zij kantelt, op kompaskoers raakt. Haar roes ontwaakt. De wolk ontstaat, de lijfgeworden gratie, de genade die haar leden lekker maakt. Haar volle maten opgenaaid. Ik herhaal haar eigen taal. Vind het script weer uit, wat eerst ge-schreven stond.

 

Olga gaat haar weg, het pad dat wegen kruist van kapers, jonge jagers (the heart is a lonely hunter). Olga loopt niet mee als eega. Eerder malse macha, niemands makke gade.
Olga is de luister in het duister, fluistert lichtjes in het donker. Een verzuchting, inzacht baken. Wie-gend bekken, deining door de weke bodem. Olga schudt het kussen, trekt het laken op. Het doek valt vlug.
Komt zij nog terug naar op of is het spelend af???

21:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: hageland, helga, olen, olga |  Facebook |

12-03-07

in de gunst van schone kunst gevallen

Bij Rijckmans bvba, Brusselsestraat 44, 3000 Leuven, open van 9 tot 18 uur, zaterdag tot 17 uur, heb ik de deuren platgelopen de laatste tijd. Madame Lucrèce en meneer Jacques verkochten hun zaak uit. Madame is 76, heeft ze nog allemaal op een rij, meneer flurkt tegen de 80, maar lust er nog wel pap van. Haha.
Meneer, zeg maar Jacko, zegt hij tegen mij, meneer is een collectionneur van de schilderkunst uit de eerste helft van vorige eeuw. Veel blote vrouwen, ook bijna aangeklede. Landschappen met dames die baden of hun badpak aan- of uittrekken, soms is het moeilijk uit te maken. Wij wagen graag een gokje, Jacko gaat voor naakt, niet te abstract als het kan, da’ s duidelijk. Wij, kameraden zal ik maar zeggen, zijn minnaars van de zuivere lijn, de pure vorm. Enkel pro forma, verklaart Jacko, kunst om de kunst. Wat een gunst dat hij terwijlt schoon billen mag analyseren of borsten quadrilleren. Dat woord ken ik ook niet. Ik spreek hem niet graag tegen en madame is mij koket genegen. Een beetje mijn type, die Lucrèce, bescheiden, vrij intellectu-eel en frivool als een ouw viool. Dat laatste komt uit de mond van Jacko, wat dacht u. Dandyesk bestiert hij zijn winkel, duidt de dingen op hun prijskaart, legt de linken met artistiek palet. Hij smeerde mij wat aan. Drie Picasso’s, een Gustave Desmet (1863-1947), een Rik Wouters (1882-1916) en een stapel dode Warhol. Mijn pronkstuk is Rooie Nel van Rik Wouters, een schilder die verliefd was op zijn model, daarom schilderde hij altijd zijn vrouw. Ons veel te vroeg ontvallen, zegt Jacko, hij heeft Rik niet meer gekend, maar wél Nel. Dan knip-oogt hij, zijn oogskes blinken. Lucrèce betrouwt dat spel niet en geeft hoog op over Andy Walhol. Den albino, lacht Jacko, en ook nog voor de venten. Hola, jongen, roept madame, en wat deed hij dan met Nico? In zo’ n discussie, daar kom ik liever niet tussen. Welk belang heeft het vanuit historisch perspectief dat Warhol 'femme fatale' Nico bij Lou Reed in bed stopte en dan door het sleutelgat keek of ze wel met hun handen boven de lakens sliepen. Ik mag mij daar niet te veel mee moeien, daar gaan huishoudens aan kapot. Enfin, mijn collectie van de Rijckmansen hangt tegen de muur. Dat mag iets kosten, ik spaar toch uit op kaders. Gewoon met punaises vastgeprikt. Omdat ik dertig (30) werken aankocht, kreeg ik het allerlaatste gratis. Een ma-donna met grote, blote borsten. Schoon gerief, merci Jacko. Omgerekend kwam dat op nog geen drie (3) euro per poster. Tel uit je winst, artiest.

22:08 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (7) | Tags: warhol, picasso, rooie nel |  Facebook |

10-03-07

de dood is in de mode: allerlaatste trend

In de marloneske werkelijkheid wordt alles mogelijk. Een meisje komt uit een mobiele telefoon gevallen, sureëel de dans ontsprongen van de domme dood. De zelfmoord van een ander. Dat vertelt ze mij, zo zacht dat ik een traan hoor vallen. Van een hart dat kabbelt. Het verhaal dat wankelend in het water springt. Ze valt te pletter, hersenmensen zwemmen verder.

 

Lang betracht zijn haar gedichten, bange kabels ondergronds die boven aarde kraken, opgetrokken worden. Uit de diepte en het donker. Zij spreekt de woorden door een stroom van lege gaten. Breekt door storm in holle vaten. Vader, moeder, waarom leven wij: geven wij om liefde, om een antwoord, om een vragend teken aan het einde van de zin. Verzin ons witbrood, goden van het ongeloof. Of van het voortbestaan desnoods. Bid ons hier door-heen, verdorie. Geef een hemels teken, wijs de
weg uit een danteske, deze hel.

 

Haar gedichten liggen door te weken. In een lade die ze leeg geschreven heeft. Haar naam is Helga, zonder weerga. Denk ik zomaar, waarom weerloos, fata amorgana. Ogen zwart, een stap onzwaar, haar waarheid gilt. De blankheid uitgedicht, de zorgen omgespit. Een vriend stapt naast haar op, verlaat haar plots. Dan spat iemand open. Harts-vriendin ontsnapt zich uit het leven. Wie hield wie nog tegen, wie bleef op de been: geeneen, ten langen leste. Van lieverlede niet meer lachen.

 

Traag leest hij gedachten door, denkt zich op de wegen naar het zuiden, zoals eerder. Het is morgen vorig jaar een eeuw geleden. Wat was haar laatste schreeuw, heeft zij een kreet gebeden, om de hete pijn gekrijst, de smart in vlammen uitgesmakt, haar waanzin aangeblust, haar huis ontbrand, heeft zij gelegen en geleden in de laatste kramp, zoals zij gans haar leven deed: verloren vamp, vergeten vraagteken. Het ritueel postuum haar deel, de wit-te asse té verstrooid verstrooid. Een opspel van een windstoot. Zij rilt en rolt nog door de dwarre-ling omhoog, in kringen weggestoten, opwaarts als een schim. Een lichtsliert die zich helder lezen liet: de dood is in de mode, allerlaatste trend, bemin mij en mijn laatste zin, gij opgeblonde sterveling.

 

Een nieuw kind is geboren, ochtendgloren, avond-koren op Vivaldi. Arcade Fire, Neon Bible. De goden van het ongezond verstand, een opera met rock’ n roll. Have fun, een handvol lol. Ik ga gelaten sla-pen. Zij zegt nog twee gedichten op, verplichte kost, verlicht verdriet. Wat ik niet mis, dat raakt me niet. Niet meer. Morgen komt de liefde weer, het vers verdriet. Wie weet dat liever niet mis-schien, of lees hier: wees afwezig, wie niet weg is, is gezien. De vorm is vaster dan de zinnen. Kort word ik van stof. Stil sta ik ergens niemand in de weg, formuleer ik verder. Leven om de leegte te stileren. Opgedicht aanwezig. Maar geen oplichter.

20:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (5) | Tags: helga, marlonesk, dantesk |  Facebook |

07-03-07

gluren bij de evennaaste en de buren

Het is een feit, veel mensen staan op springen. Springtime. Niet voor mij. Ik hou het bij een oprisping. Beschouw me als vergisssing hier. Van mezelf, dat ik er ben. Maar dit gezegd, geschreven zijnde gaat het leven verder. Ook voor Helga, weet u wel. Ze speelde in mijn vorig item sociologe. Ik kom haar wellicht nog eens tegen, in de lente, als de tijd verspringt. Niet dringen, jongens, venten.
Ik ben een man en weet van wanten. Woorden zijn voor niks te koop, een praatje voor de vage hoop. Zoals met buurman, hij bewoont me boven. In zijn huisje op mijn dak. Zijn permanente penthouse, met geen pen te perforeren. Ondoorgrondelijk. Dodelijk somber. Kanker in zijn hart, zegt buurvrouw Lea. Zo bezing ik haar, verzin haar man als Leo. En ik ben Theo, lachen wij. Wij dementeren ons graag af. Verstrakken als de bovenman ons afblaft. Met zijn ijsblik. Een koele rimpelzak. De dwarsknik in het stapgevoel. Samen in de lift staat voor verkillen.
Hij schraapt zich wat, ik gaap hem aan, verstar. Hij zuigt de lucht uit trage kokers. Liftgekooid kuch ik me weg. Malaise plakt als mayonnaise, een vondst waarvoor ik de wenkbrauw frons. Maar op of neer, de hapering hangt me in de kleren. De conversatie zegt hem niks. Bromberen, dat verkiest hij. Koud weerklinkt zijn leven, winter kan niks leren, keren. Vaarwel Emiel, mijmer ik, het is hard te sterven als ons Helga met de lente komt. Of Olga met de lange benen, krolse tenen. Zoals Justine en ik, beminnen in scenario’s van de Sade. Dag malcontente Tessa van de Weekend Knack, erotiek is in de herenmode. Sorry tante. Ik bedenk maar wat, van mensen en de dingen die voorbijgaan.

 

Vrolijk ik mezelf niet op: verantwoordelijk bén ik. Dat is de boodschap. Dan pak ik de moraal in eigen handen, schrijf ik mijn moreel naar vrijgevochten. Een uitweg uit een vast gegeven, geef ik het leed uit handen. Libertijnen aller lande, zet hem lieder-lijk stijf op. Een dwarsnoot op uw fluit. Trek een kloot af van de dagelijkse zonde. Daag het leven uit. Zoals Justine, ik heb haar hoger aangehaald. Zij woont koketjes om de hoek, in de brillenwinkel voor de nette mensen. Dure merken, zelfs monturen ex-centriek als zerken, ik weet niet beter, zijnde een plebejer. Maar wel proper op mezelf. Een proletariër met schone handen en een Ray-Ban voor de ogen. Als Justine me ziet, dan kijk ik terug. Ze wuift me uit als ik haar blik met bril verschuif. Een erecode tussen onbekenden, vrienden werden we vanzelf. Schaduwen die zich in de luwte leggen, iets her-kennen. De eerste warmte doet haar werk. Morgen bloeien bloemen. In de open wonde. Wondere we-reld van de uitgeschreven liefde. Een ruiker voor een uitvaart. Sterft de buurman zich een weg.

22:17 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (5) | Tags: tessa vermeiren, weekend knack |  Facebook |

04-03-07

voor tobback, zonder zotskap op de kop

Beste Louis, vader van Leuven, gij hebt al vaak geklaagd over het Ernest Claes-gehalte van uw stad (deels dankbaar ook de onze). Awel, ’t is nog zoveel erger dan ge denkt. Want ik heb gisteren empirisch werk verricht in uw dorpse kern. Een dorpke, dat is het inderdaad, somtijds gezellig, maar even dikwijls ergerlijk en van de kneut, zeg maar achterlijk en teut. Leuven heeft iets in de foute genen, zit structureel verkleefd met leukernij. Ik spreek in casu over de stoeterij van vieren-twintig uur geleden. Het was carnaval en dat we hét geweten hebben, scha en schande was ons deel. Zie de boerinnekeks de rokskes zwaaien, ik vat het metaforisch samen. Overgoten met jenever en halve liters bier. Plezier vanuit de hangbuik en de gele onderbroek, handenvol confetti om alles toe te dekken: de brei van dijenkletserij. Ik heb ze sprakeloos geteld, de zatte opstoot van fanfares achter trage tractors en kramikkige karren, de boerennarren met hun zwalpmadammen, taferelen op de wankelvoet, de kantelhiel van hier tot ginder, de blinkgezichten uit het schilderwerk van Ensor, vanuit Oostende in een ver verleden, helaas achterhaald. Dit mobiel gerokken Bokrijk, een bucolische gedrochten-optocht, was ‘van arren moede' troef (Nesten Claes, Zichem, 1937), om mee te huilen met de wolven in het Meerdaalbos, uw eigen achtertuin, Louis. Waar waart gij? Ik verwachtte u daar in geen wegen of geen velden te bekennen. Van schaamte om de platheid, de pletrol laag vertoond allooi. Beste burgervader, mag deze vettig opgekletste pret voortaan niet ontra-den worden, verankerd in de stadsban? Of anders moeten er ludieke denkers aan het werk, op zijn minst de klucht van Aalst (hun vlagen van satire) achterna. Het carnavaleske van Venetië zien en sterven is een artistieke brug te ver voor Leuven, voor de verklede seks van Sao Paolo mankeren wij de erotieke feeling. Dat besloot ook een toeris-tische sociologe die benieuwd van dienst was ter plezante plekke. Haar naam is Helga Cé, ik vermeld haar graag ter staving van mijn impulsief ervaren. Want wie ben ik om volks vermaak vrijblijvend af te kraken? Helga is empathischer, ze kadert alles in een context. Morgen is ze te bewonderen op de kermismolens van het exotische Appelterre. En ik ga werken, voetjes op de grond. Het is vasten.

 

19:40 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (16) | Tags: leuven, carnaval, louis tobback |  Facebook |

02-03-07

de witte man sprak met zijn wijze baard

Een tussendoortje, op TV. Meester Piet verscheen vandaag nog eens. Gisteren was het monkel Jef, hij verzon een mythologische explicatie voor de gezins-tragiek in Nijvel. Het ging om een wanhoopsdaad, besloot hij zijn betoog, gewichtig. Niemand had iets anders verwacht. Ook zonder oude Griekse omwegen. Vermassen is een afgezaagde tak met vaste camera op zijn winterblaren. Piet Van Eeckhaut acteerde niet, hij uitte slechts zijn onmacht, zoals bescheiden bur-gers doen bij overmacht. Hoe lang nog en Jef Moraal verkoopt zijn kop, slaat een politieke slag? De gel ligt recent hilarisch in zijn haar, de piekjes waren gisteren plat gewaaid van overacting. Ach, geef ons die wijze baard, die hopeloze advocaat, hij gaf iets integer toe, met machteloze handen, argeloze ogen, smeekstem van medeleven. Dat die moeder niet te redden was, hij vond geen argumenten voor de afvalberg mizerie. Onverdedigbaar, wegens met niets verenigbaar. Erg.

Een psychiater in een krant wist dat dergelijke daden onvoorspelbaar zijn… Ik ben een leek, wat zich aan mij in tekens toont, tracht ik te voorkomen. Een soort vooraf-gelijk. Achteraf staat vaak voor praatjes. De mama leed aan zware depressies, dat was meer dan duidelijk, zei de overtuigde commentator, hij speelde drie seconden stilte met zijn blik. Het was een misdrijf, dat stond buiten kijf, sloot hij het onderwerp plots af. Een troost voor ons, de kinderen waren onverdacht.


Daarna werd er doorgezwenkt naar borsten. Toon ze dames, en een onbeschaamde provinciale kop gaat uit zijn kleren. Actie voor het kankerfonds, maar met een ranzig randje. Preventie opgevrolijkt met een knipoog en een lach. Gesjoemel met gezondheid en drie media-tantes in hun hemd gezet. Voor het goede doel, okee, maar liever zonder hun bekende smoel. De dubbele bodem van een blote boezem. Respect voor elke individuele vrouw, ik ben ze allen trouw. Maar geen actrices die gaan strippen voor het televisie-cabaret. Beelden van geëtaleerde pret.

 

De kloven worden dieper, tussen ieder drama en lawines kolder. De opgeleukte samenleving weet geen plaats meer met het leed. Wat met het lijden
in de nieuwe tijden? Stop het doorverwijzen naar acteurs en stripteaseuses. Laten we stiltes houden
in onszelf, een mea culpa slaan, het testbeeld aan.

00:41 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (6) | Tags: borsten, striptease, piet van eeckhaut |  Facebook |