27-02-07

de evangelies volgens kip en haan

 

Het is bijna volle maan, zegt Kip. Ja, knikt Haan, hij leest een boek: Wijsheden uit India, inclusief voor Dieren. Wat is inclusief, vraagt Haan. Kip denkt na en kakelt: dat wij dieren ook een lichaam hebben, zoals de televisiemensen van hiernaast. Haan krabt zich in zijn kam en kraait: in ons wonen wonder-schone geesten. Dan belachen Kip en Haan zich, pikken nog een graantje mee. Kip leest op de achterflap van Haan zijn boek dat vrijheid niet gelijk staat aan een vrijgeleide (krijgen), zij peinst erover na. Dan wekt zij Haan die was ingeslapen op pagina acht. Uw vrijheid is louter een geestes-houding, tokkelt zij tegen zijn hanenoor, mét een lel. Daar heeft Haan nog niet van terug, geen los-bandigheid overweegt hij ontevreden. Hij zet zijn bril weer op en leest verblind door woordsanskriet. Kom dat zien, Kip, de wereld op zijn kop geschre-ven, zo geleerd. Ja, smaalt Kip, stom kieken dat ge zijt, haantje-achterlijk-de-voorste, ge houdt uw bijbel ondersteboven. Beschaamd schraapt haan zijn adamsappel en repliceert: weet dat zuiver leven authentieke kunst is. Scharrelkippen en geen frigovoedsel, legt Haan de link. Wat met mijn ani-male libido, mijn aimabele haantjesattitude, mijn kiek-appeal, verzucht hij en verzinkt met andere (zijn eigen) woorden in een simpele zelfbevraging. Kip bekt hem af, verstokt zich naar het ophokrek, verzet twee opstappoten. Mokt pro forma verder.

 

Daarna is het tijd voor avondslokjes. Kip brengt kom en kannetje, Haan slobbert van het lauwe water. Dat verfrist zijn kop. Toch begrijpt hij niet waarom oneindigheid van de ziel elke ethiek ver-heiligt. Kip propt de waarheid op, legt een ei als metafoor. Breek deze schaal, Haan, en het erf-zondig kuiken zal ons bekruipen. Zij geniet ge-wichtig van haar onderteksten. We kunnen geen eieren bakken zonder barsten in de verpakking, verklaart zij. Haan schudt zijn schriele hoofd, hij raakt niet verder dan het heden, hier en nu. Dan ben je er, troost Kip, in alle eeuwigheid. Vertrouw op jouw jezelf, Haan. Zij schenkt hem water bij, kronkelt rond en pronkt. Toont haar kale kippen-kont. Haan is weer ingedut, Kip kan het schudden voor vanavond. Ze krabt zich onder de pluimen en voelt daar extase, zuiver en volmaakt, ze sluit de luiken. De ziel is in ieder van ons, pinkt zij in de spiegel. Zij ziet er jonger uit dan Haan wel denkt. Haan slaapt op zijn stok, zich niet bewust dat hij zijn geest vertolkt. Een slokop is het, mijn onweer-staanbaar beest, hijgt Kip nog na, dan zwijgt ze. Ze beklimt het rek van Dierennet, schrijft de dag met kiekenogen voort. Op haar kippenblog. Daar is plaats voor idealen, naast gekras van hanenpoten.

 

21:09 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: kip, haan, evangelie |  Facebook |

25-02-07

waarom limburgers marokkanen zijn

Mijn titel is gepikt. Hij komt uit Pauli’s Pen: Walter Pauli, allesschrijver van De Morgen. Ook Limburger, wat dacht u wel, een echte, doorgezakt naar Leuven. We zien hem graag bezig, lezen hem gretig. Zoals eergisteren over het heimatgevoel, de sociale sa-menhang onder zijn volk, de Limburgers te lande. Pauli is een makkelijk man, hij maakt werelden toe-gankelijk, een open opstelboek, ook voor de leek verteerbaar. Soms duikt hij op bij Aktua-TV, duidt er tevree de dingen. Hij springt met politieke polstok over sprokkels sport naar licht gebakken varia. Hij kadert alles in een opstapcontext, zijn eigenste inzichtelijk dada.

 

Sater Meulenaere van Knack mag hem vaak te kakken zetten, Walter lacht daar mee. In zijn warrige baard. Goedmoedig, hij schrijft zich over nonsens heen. Ironie is niet zijn burgerding. Het sérieux dat hij hanteert is aandoenlijk, eerlijk en gedreven. Pauli is geen pispaal, wie hem kwaad bestraalt, die schiet tekort. Toch is vader Walter kwetsbaar. Ik zag hem van de week nog bezig in onze stad. Met de kindjes, schoon bezorgd. Een kleiner tweetal, dacht ik. Papa haalde ze tussen twee artikels op. Hij sprak zijn ondertitels bij de reële strip, in het stadse leven neergeschetst. De man bestaat dus echt, vertolkt geen lege rol, is zoveel geloofwaardiger dan een televisievader. Zie De Kavijaks, waar de clan Decleir zich wegacteert. Naar de cover van een promoblad, pronkend in de Humo met een kletsreclame. Om maar te zeggen: wie zich cultureel correct bevlekt, die scoort in open doelen. Een smoel die meestal briesen gaat heet grote kunst. Ondanks de kramp in kinderen, want een man stampt naar zijn kroost. Een zuiver boek wordt vuil mismeesterd. Applaus op alle massabanken. Pa Vantorre zaliger, propere schrijver, godvert smoorverdovend in zijn zeemansgraf.

 

Terug naar het initiële en het pure, wij komen thuis
bij brokjes Pauli, in Limburg en in Leuven. Hier is het goed vertoeven, wij verstaan de taal. Walter spreekt en kweekt cohesie. Trekt zijn teksten op als ladders van gezond verstand. Wij veranderen graag in zijn gedacht, niets klinkt te hoog gegrepen. Pauli is een nobele socio, een verbindend krantenmiddel, niks geen blinde intellecto, een klare tekstsoldaat, paraat voor elk verhaal. Hij valt ons overal te lezen, bij de brandhaard, op het naakte strand, op kale vlaktes: Walter legt het leven uit, dat wordt fantastisch over-duidelijk.

 

Waarom Limburgers Marokkanen zijn, ik heb het eer-gisteren geleerd. Het viel langregelig te lezen uit de pen van Pauli, in slierten simpel uitverteld. Waarom die kopopstoot van Limburgtrots was voorgevallen, het stoomstroopbatiment (smaak dat orakelwoord) als eerste monument was ingestemd: Walter wist het weer vanzelf, als eerste beter dan de rest. Pauli is de woordenpraatpastoor, een epistolische reporter.
Ik verslind zijn mega-proza, adoreer de priester van de limbotaal.

16:52 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: walter pauli, limburg, marokko |  Facebook |

waarom limburgers marokkanen zijn

 

Mijn titel is gepikt. Hij komt uit Pauli’s Pen: Walter Pauli, allesschrijver van De Morgen. Ook Limburger, wat dacht u wel, een echte, doorgezakt naar Leuven. We zien hem graag bezig, lezen hem gretig. Zoals eergisteren over het heimatgevoel, de sociale Satersa-menhang onder zijn volk, de Limburgers te lande. Pauli is een makkelijk man, hij maakt werelden toe-gankelijk, een open opstelboek, ook voor de leek verteerbaar. Soms duikt hij op bij Aktua-TV, duidt er tevree de dingen. Hij springt met politieke polstok over sprokkels sport naar lichtbakens varia. Hij kadert alles in een opstapcontext, zijn eigenste inzichtelijk dada.

 

Sater Meulenaere van Knack mag hem vaak te kakken zetten, Walter lacht daar mee. In zijn warrige baard. Goedmoedig, hij schrijft zich over nonsens heen. Ironie is zijn burgerding niet. Het sérieux dat hij hanteert is aandoenlijk, eerlijk en gedreven. Pauli is geen pispaal, wie hem kwaad bestraalt, die schiet tekort. Toch is vader Walter kwetsbaar. Ik zag hem van de week nog bezig in onze stad. Met de kindjes, schoon bezorgd. Een kleiner tweetal, dacht ik. Papa haalde ze tussen twee artikels op. Hij sprak zijn ondertitels bij de strip, in het stadse leven neergeschetst. De man bestaat dus echt, vertolkt geen lege rol, is zoveel geloofwaardiger dan een televisievader.
Zie De Kavijaks, waar de clan Decleir zich weg_acteert. Naar de cover van een promoblad, pronkend in de Humo met een kletsreclame. Om maar te zeggen: wie zich cultureel correct bevlekt, die scoort in open doelen. Een smoel die meestal briesen gaat heet grote kunst. Ondanks de kramp in kinderen, want een man stampt naar zijn kroost. Een zuiver boek wordt vuil mismeesterd. Applaus op alle massabanken. Pa Vantorre zaliger, propere schrijver, godvert oorverdovend in zijn zeemansgraf.

 

Terug naar het initiële pure, wij komen thuis bij brokjes Pauli, in Limburg en in Leuven. Hier is het goed vertoeven, wij verstaan de taal. Walter spreekt en kweekt cohesie. Trekt zijn teksten op als ladders van gezond verstand. Wij veranderen graag in zijn gedacht, niets klinkt te hoog gegrepen. Pauli is een nobele socio, een verbindend krantenmiddel, niks geen blinde intellecto, een klare tekstsoldaat, paraat voor elk verhaal. Hij valt ons overal te lezen, bij de brandhaard, op het naakte strand, op kale vlaktes: Walter legt het leven uit, dat wordt fantastisch overduidelijk.

 

Waarom Limburgers Marokkanen zijn, ik heb het gisteren geleerd. Het viel langregelig te lezen uit de pen van Pauli, in slierten simpel uitverteld. Waarom die kopopstoot van Limburgtrots was voorgevallen, het stoomstroopbatiment (smaak dat woord) als eerste monument was ingestemd: Walter wist het weer vanzelf, als eerste beter dan de rest. Pauli is de woordenpraatpastoor, een epistolische reporter. Ik verslind zijn mega-proza, adoreer de priester van de limbo-taal.

16:27 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

 

Waarom Limburgers Marokanen zijn (en Pauli perspastoor)

 

Mijn titel is gepikt. Hij komt uit Pauli’s Pen: Walter Pauli, allesschrijver van De Morgen. Ook Limburger, wat dacht u wel, een echte, doorgezakt naar Leuven. We zien hem graag bezig, lezen hem gretig. Zoals gisteren over het heimatgevoel, de sociale samenhang onder zijn volk, de Limburgers te lande. Pauli is een makkelijk man, hij maakt werelden toegankelijk, een open opstelboek, ook voor de leek verteerbaar. Soms duikt hij op bij  Aktua-TV, duidt er tevree de dingen. Hij springt met politieke polstok over sprokkels sport naar de lichtbak varia. Hij kadert alles in een opstapcontext, zijn eigenste inzichtelijk dada.

 

Sater Meulenaere van Knack mag hem vaak te kakken zetten, Walter lacht daar mee. In zijn warrige baard. Goedmoedig, hij schrijft zich over nonsens heen. Ironie is zijn burgerding niet. Het sérieux dat hij hanteert is aandoenlijk, eerlijk en gedreven. Pauli is geen pispaal, wie hem kwaad bestraalt, die schiet tekort. Toch is vader Walter kwetsbaar. Ik zag hem eergisteren bezig in onze stad. Met de kindjes, schoon bezorgd. Een kleiner tweetal, dacht ik. Papa haalde ze tussen twee artikels op. Hij sprak zijn ondertitels bij de strip, in het stadse leven neergeschetst. De man bestaat dus echt, vertolkt geen lege rol, is zoveel geloofwaardiger dan een televisievader. Zie De Kavijaks, waar de clan Decleir zich wegacteert. Naar de cover van een promoblad, pronkend in de Humo met een kletsreclame. Om maar te zeggen: wie zich cultureel correct verraadt, die scoort in open doelen. Een smoel die meestal briesen gaat heet grote kunst. Ondanks de kramp in kinderen, want een man stampt naar zijn kroost. Een zuiver boek wordt vuil mismeesterd. Applaus op alle massabanken. Pa Jozef Vantorre zaliger,  propere schrijver, godvert oorverdovend in zijn zeemansgraf.

 

Terug naar het initiële pure, wij komen thuis bij brokjes Pauli, in Limburg en in Leuven. Hier is het goed vertoeven, wij verstaan de taal. Walter spreekt en kweekt cohesie. Trekt zijn teksten op als ladders van gezond verstand. Wij veranderen graag in zijn gedacht, niets klinkt te hoog gegrepen. Pauli is een nobele socio, een verbindend krantenmiddel, niks geen blinde intellecto, een klare tekstsoldaat, paraat voor elk verhaal. Hij valt ons overal te lezen, bij de brandhaard, op het naakte strand, op kale vlaktes: Walter legt het leven uit, dat wordt fantastisch overduidelijk.

 

Waarom Limburgers Marokkanen zijn, ik heb het gisteren geleerd. Het viel langregelig te lezen uit de pen van Pauli, in slierten simpel uitgelegd. Waarom die kopopstoot van Limburgtrots was voorgevallen, het stoomstroopbatiment (smaak dat woord) als eerste monument was ingestemd: Walter wist het weer vanzelf, als eerste beter dan de rest. Pauli is de woordenpraatpastoor, een epistolische reporter. Ik verslind zijn mega-proza, adoreer de priester van de limbo-taal.

 

 

 

13:34 Gepost door Marlon in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

21-02-07

het maske was gaan wandelen, maar

Gisterenavond stapte ik met lichte pas naar buiten, ik dacht dat de lente ergens was. De dag had zon gebracht, gezonde zorgen. Dat geeft wandelbenen. Een mens wil zich dan vertreden zoals dat in op-somboeken soms geschreven staat. Mijn opgefokte tred werd afgekegeld door een kromme somberman. Hij zocht de stoepen langs, zag in mij zijn anker, een vrolijk reddingsplan. Ik lachte inderdaad van overacting, dat geeft mensen valse hoop. Een aardje als een ander. In de terugslag voorwaarts, smak met salto in de eigen val. We zijn niet wat we vaak vertolken. Onze rol bedot de sobere en de simpele.

 

Hebt gij geen ouw madam gezien, die met haar hondje van half acht. Lees de weerklank van wat aanspraak op een buurman: ik klink hem dapper goed gezind. Waarom mag dat hier niet kunnen, toch. Ik verstond hem aan een ogenblik. Vrouwke was op avondtrottinage met de poedel. Plots ver-mist. Ik had weet van haar geplogenheden. Een besje grijs tevree. Maar met klein afwezigheid, ook op wandelwegen. Geen schande of blammage. Ik verwacht een dwaalstreek en verschoonbaarheid.

 

Dus duik ik in het nieuw scenario, een lentevent wordt avondridder. Stort ik mij het donker in, doorkruis het park, de steeg. Ondervraag de hon-den en hun leiband. Dribbel dames met een pruik, kam struiken uit, hark het gras uit ieders neus. Maar zijn madam blijft ongezien. Ook onbesproken door bekenden. Ik ken nochtans haar trippelroute, in geen jaren week ze van haar vaste pad. Bijna tachtig lentes en een minnaar, kom er maar eens achter. Dacht ik me af.  Wat zou ze zich generen, om een pissekakske niks verlegen. 't Hondje moet behoeftes doen.

 

Dan ontwaar ik witte stippen langs de dreef, een krulspeldkapsel en de kwispelaanhang. Moeder vor-dert grijs en trekt een poedel mee, een sleeptouw-span. Ademloos staat vader naast mij, aankomst uit de leegte. Hij was me achterna geschoven, op zijn aansteeksloffen. Hij pakt mijn arm en blaast zich op een hoopje: woordjes moed. Ja, beaam ik (held in aanmaak), dat is moederke, gekrompen van vertraging, hart op wederkomst. Maar maske toch, waar waart gij, stamelt hij. Zij lacht verlegen, ach. 
Het is beter dat ik heen kan gaan. Schoon hoe ze nog bedanken. Och here toch. Een maske en een gast van tegen tachtig aan, prachtig zoals zij zich missen. Zoals bejaarden sporen op de wegen laten. Kruimels om steeds weer te keren.
 

21:55 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (7) | Tags: maskes, gasten, pissekakske |  Facebook |

18-02-07

Gladys knight and the Pips, for the lady

Het klein geluk kost anderhalve euro. Het is veertig jaren oud, bestaat uit de compilatie Gladys Knight and the Pips. Een plaatje dat op de rommelmarkt verscholen stak. Ik ben de overgelukkige ontdekker van Broken Promises, zestig minuten zwarte zwoelte, opgewarmde gospel en fragiele brokjes closerige harmony. Vettig overdekt met een zwellende wall of sound, een preparaat van Phil Spector, verdenk ik. Spector zit heden in de nor, losse handjes gehad en een schietgeweer. De liefde was hem naar het hoofd gestegen. Kortsluiting en plotse koorts, gekte in zijn geluidsbrein, een eer-tijds handelsmerk, beluister Operator. Onenigheid met een vrouw, You broke your promise, wie deed wat, iemand kan het niet meer navertellen. Ik mij-mer verder langs de standjes, twijfel bij een gesti-leerde madonna in plaqué, drie schamele euro’s, kettinkje inbegrepen. Mijn dag kan niet meer stuk. Morning, noon and night, Gladys exciteert het koortje Pips, drie volbloed negers, witte smoking, strikjeshitsig op de schoenenstep. Dan is het tijd voor koffie, een kleintje op het plein, café Foyer. Wie koketteert daar aan het raam, blond en vaag bekend: een vrouw met frons en vragend teken. Zij mixt de blik van steels naar gretig, niet te oud voor speels, discreet nieuwsgierig. Guess who klinkt uit de sixties overjaars te ver, zij is zoveel jonger, gok ik. Wij mimeren en acteren verder. Ik ben vrij zeker, wij zijn wederzijdse vreemden aan A love like mine. Ik stap maar op, parkeer plots aan haar tafel bij de uitgang: hey, ben jij Greet? Ja, en jij bent M van L. Jawel, da’s lang geleden zeg. Gij ziet er goed uit, spreek ik niet uit, verlegen. Zij doet een snelle uitleg. Spijtig, we moeten beiden verder. De dag houdt ons niet op, het gevaar loert om een wan-delhoek. What will become of me. Onhandigheid is mijn aangename troef. Ik verspreek me nog twee keer. How do you say goodbye. En de groetjes thuis, aan dinges uwe man. Ik kan hem onmogelijk nog noemen, alvast een vent van zaken in de wereld, gemeten aan zijn hartenvrouw. I really did’nt mean it. Of meen ik deze onzin wel, elke patser steekt mij in zijn zak. Een verhaal om straks mee uit te pakken. L. komt langs, wordt het wel of niet One more lonely night, Gladys hapert, tremelo in de soulstem. Ik zet er nu de pas in, groet meer-maals iedere ouw madam, kijk mij toch, successen-venter bij de rimpelrockers, Come and see about me, ik ben een blonde pipo, een stadscowboy. Maar mijn geluk houdt dubbel aan, Italiaanse bot-ten, uit de verse outlet, aan de geprezen helft van halvelingse prijs. I Cant stand by. Ik ben bijna uit-gezongen, maar er wacht nog een climax, de frivole apotheose van de dag. Want, zoals vermeld, zij komt vanavond. I want that kind of love. De plaat komt aan zijn eind, maar liefde speelt een naspel. Dank aan Gladys en de lady.

17:49 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: gladys knight and the pips, phil spector |  Facebook |

15-02-07

Nelia wandelt door mijn wereld

Het zit tussen onze oren. Dat is het probleem, tevens de oplossing. Ze kijkt me ernstig aan, speelt op effect. Ik overdenk haar woorden, wik en weeg, pleeg even overleg. Tien seconden later smelt ze, lacht zich weg. Dat is Nelia, Italiaans en elegant, een flamboyante filosofe. Ze is van categorie zeven zoals dat heet op ons niveau, de laagste kaste. Daar stapt ze met klasse door en over. Mantelpakje, wiebelgat, ge-kletter van de hakjes, tikketak, zwierig kapsel. Een zweem van zwoelte, heel veel belladonna. Deze collega laat opgewonden sporen na, de mannen slikken soms, de vrouwen vertikken zich even vaak.

 

De wereld, dat ben je toch zelf, debiteert ze een volgende keer. Ieder zijn wereld, repliceer ik. Zo is dat, beaamt ze, maar dat er raakvlakken zijn, vandaar gemeenschap. En waar ze dat geleerd heeft, vraag ik, niet te jong om niets te weten. In haar leven, zo vriendelijk simpel is dat. En dat ik in staat ben om alles te aanvaarden, als ik wil ervaren. Ze vertelt van haar mysterie, dat zij een mystieke diva is in het diepste van haar ziel (die ik onder haar boezem vermoed). Zij bepaalt de weg, de waarheid en de tranen die ze niet zal wenen. Tenzij ze tederheid en liefde wil verzamelen, selectief met passie en ver-driet. Ze kiest de lijnen van het leven die een teken geven dat ze eerlijk is. Integer met zichzelf. Het leven is wat wij zelf bepalen, hier ter plaatse. Gisteren is een fictie, morgen een fantasie. Nelia vertelt mij dagelijks verder. Een verplaatsing in mijn zelfbepaling.

 

Wanneer eten wij jam, vraagt Alice. Morgen, antwoordt het sprookje. Komt dan morgen, Alice blij, vandaag verwacht zij jam. Stom kind, spreekt het sprookje, we hadden toch gezegd: morgen. Alice: maar het is morgen. Sprookje (schaterend): het is vandaag, altijd vandaag. (Als Alice jam wil eten, dan heeft ze alleen het heden).

 

Daaraan dacht ik bij de laatste passage van Nelia. Wat we zijn, dat zijn we enkel op ons eigen wils-vermogen, het lot dat we voor onszelf bereiden. Niemand bepaalt het leven van een ander, tenzij met diens gewillige medeweten. Kies je een bestaan, bepaal je wereld zelf. Alles zit verborgen in je kop. Klop erop en haal er adem uit. We zijn zo sterk als onze wakkere dromen. Ideeën bij de schone vleet (vergeleken met de broodjes bij de bakker). Schop jezelf een ego, een geweten dat kan slapen. Sta steeds ongeschonden op. Je wordt elke ochtend weer geboren als jezelf, wees niet meer bang. Vandaag is iedere dag, wij eten confituur met jam. Wij plakken in het hier en nu, wij likken heden onze vingers af. Heerlijk, het smaakt naar meer en lekker Nelia. 

23:13 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: alice in wonderland |  Facebook |

12-02-07

What we talk about when we talk

Een open deur intrappen. U hebt meteen de link. Politiek wringt zich hier binnen. Wrang en met gezang. Open en bloot, de billen van de VLD.
Met Suds & Soda, het verband snapt niemand. Een gordijn valt als gebakken lucht, een dEUS-hit ontploft. Een slangenmens ontpopt zich tot een trendbreuk in het blauw. Beertje Bros & Blos lacht zich de krampen in zijn pootjes. De lege winter verblindt zijn zomer. Bartje zag eens zwanenzangen hangen, verspreekt zich als hij opgewonden wordt. In gespletenheid van tandemstokers en hun denkmachien, een libertante dirigent met plakprofiel in het behang. Kwakjes van de kwakkelman.


Zo bang dat ze waren, die angstliberalen. Van hun eigen opgeblazenheid, van zich te overhaasten, te belazeren met pep en praatjes. Dikke schrik van de gekwiekste havenman Johan, van Yves de pokerdief. Daarom grijnsmadam Anne- Mie Neyts uit de motten-broekkast, een schijnsymbool, belegen school. Naast het overmaatpak voor een wildgebrilde, blinkplekgel achter het oorsmeer van een quasi-Armani. Glijden
op een brij met glitter, op de wijze van De Croocodil, muilen met de pruillip van Verwilghen, hij keek exit, passé blasé. Karel zag het tactisch lijdzaam aan, Mireille bekwijlde zich voornaam.

 

En solidair zijn met de unitairen, het verdacht fair-play van de royalen. Vrienden, brieste Guy, ik wil nog liever president-minister worden. Iedereen content, triestig voor het parlement, dan maar afschaffen permanent.
Een toemaatsel opgewarmde kost voor onze korst klimaat, link naast de schande aan de slappe handel hier te lande. Achter BV-TV-trompetten hand in hand op wandel met de trendy standjes van verdraag-zaamheid. Wat heet ten langen leste afgezaagd? Denktankcel Noël haalt adem en brettellen op.

 

Suds & Soda, geen bezwaren van een gOD (lees dEUS). Smeed dit ijzer als hun zweet nog heet is.
Niet verwarren met de inbraak van het Vlaams Belang. Zij pikten schaamteloos, dixit manager Cé Pierre, het Deus-nummer “What We Talk about (when We Talk about Love)”. Wij lazen hetzelfde citaat van Tom Barman. Hij was dé auteur, liet hij acteren in het huisblad Humo. De erven Raymond Carver nemen meteen een inhaal-advocaat. De titel is gestolen van een eighties-novelle van Amerika’s grootste kortver-halen-schrijver. Dat weet niet alleen den deze, ook den Tommy wist dat. Slim en sluw zoals de slangen.
 

 

22:44 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: raymond carver, johan vande lanotte |  Facebook |

10-02-07

voor Jeanneke van Vosses

Je bent jong en je wil wat, ’t is van dittes en vooral van dattes. Zeventien waren we, de éne al blonder en bleu-er dan de andere. Veel bleekheid en lawijt, sigaretten smoren, loeren naar het bloot geluk. Dat woont in meisjes, zei een eigenwijze. Hij wist alles beter, het lange haar- en baardgelijk. Daarmee waaide onze stof niet op, laat staan een zomerjurk. Een mini-rok zat stukken strakker. Laarzen werden opgespaard voor hete winters. En voor sommige gasten, niet de makke mietjes. Made for walking, zie die grieten. Talking, menne man, een grote bek, dat hadden we. Tot op zekere dag. Zij kwam langs.

 

Dertig jaar en goed gezond, gevuld met veel mals vlees. Een hele brok religie. Want sacraal dat was ze. Vanuit India kwam ze via Kortenaken klappen.  Een volbloedvrouw met Hagelandse roots. Mijn eigen streek van herkomst, regio van het Geteland. Waar armoedigheid gedeide. Maar ontieglijk armer nog, onmenselijker, was Bombay en banlieu, daar getuigde ze van. Alzo sprak Jeannne Devos, devote zuster van genade, schoonste non van schaarste op de aarde. Wij stonden schools en schuw aan onze grond genageld, ons college keek verlegen, alle wegen leidden van de lege speelplaats naar het lijden in het oosten, haar miserieland.
Zuster Jeanne had warme idealen uitgesproken, met haar zacht karakter puberharten vol geraakt. Dit was splinterklare taal, ongematigder dan we hoorden aan de brave koterhaard. Ook de missie-christelijke ‘mother poor’ Theresa kreeg haar lading uit de pan van Jeanne. Ondanks media-moederkes aangekondigde staat van maria-martelarenschap: schaapachtig slaafs gericht naar vroom en rooms, het schroomgezicht in opmaakheiligheid.

 

Niet zo zuster Jeanne Devos, met jaren voorsprong het orakel en het baken van de onderdrukten, de geknechte vrouwen in hun weerloos dienstverband. Arm India was haar roeping, dat vertelde ze ons decennia geleden. De media gaven toen geen zier om haar. Onbekend en toch meteen bemind ter plekke, in de gore slums en bij de rijpe pubers. Ik vertel en schrijf het verder nadat ik haar onlangs heb teruggezien in beeld. Jeanne Devos is heden ‘hot’ en deelt terecht in aandacht en in prijzen.
Het Vaticaan heeft moeten zwichten voor een overdosis zustermoed. Zalig de pragmatica van deze Vlaamse mystica. Ze baande zich een kruis-weg door de hoogste onverschilligheid.
Een verhaal van smarten waarin gratis geld, noch zinloos grof geweld aanwezig waren. Ook de tele-visieketen zweeg verdacht, permanent geruis op schermen van het onrecht.

 

Jeanneke van Vosses, haar koosnaam in onze streek, had ooit een droom. Die droom was een gebed en het gebed werd later wet. De rechten van het uitgebuite huiswerkvolk en de prille seks-slavinnen in India zijn ondertussen juridisch vast-geankerd. Een morele zege vol van medeleven in finale regels. Vooral tot tandenknarsende wrevel van de plaatselijke potentaten. Ondanks irritant misprijzen van de Roomse mijters. Zelfs met late afwezigheid van blitze camera’s.
Correctie, op de prijsuitreiking waren ze allemaal present, het handgeklap klonk vals. Zuster Jeanne heeft haar helse strijd gewonnen, haar hemel op een ruwe aarde afgedwongen. Dat ervaarden wij eertijds reeds in voorpremière, het werd ons in die puberjaren zeventig uitgetekend. Een erotisch kerkicoon in bloemenkleed sprak ons bevlogen toe. Zij dreef op liefde voor haar vriendje Christus, op gesublimeerde driften voor die overleden goeroe, een gewezen hippie. Alsof de seksdemonen van die andere armentrooster, grootpater Damiaan, weer waren opgestaan. De ziel van priester Elvis spookt van Molokai tot Tremelo, passeert in Kortenaken.

 

Het blijft een heilig spel van rock ’n roll, zacht met bonken doorgaan, schoppen tegen starre ordes.
De ikmens, eenzaam met zichzelf, voor niks of niemand bang, bij vlagen religieus of amoureus, is steeds de eerste weggeschimpte, de per definitie afgescheepte. Helaas voor aardse bazen soms een laatste winnaar. 
 

13:17 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: kortenaken, zuster jeanne devos |  Facebook |

04-02-07

zelfkant te land en overzee

Jacqueline Goossens, ik noem haar liever schoon Jaklien, is een wolk van een madam in de bellefleur van haar uitheemse leven. Zoals iedereen weet schrijft zij een weekendcolumn in De Morgen, zoiets als Rudi Moeraert in Het Nieuwsblad, maar dan onfrivoler en op niveau, meestal over New York, het Gent van Amerika.

Jacqueline, ik zou liever Jacky zeggen vanwege haar fanatieke looks, is een volbloed Maldegemse, dat heeft ze mij verklapt. Meer mag ik niet zeggen. Ook het mysterie van haar juweel laat ik hier ver-zwegen. Ze draagt het sieraad iedere week op de pronkfoto, aan de linkerpols, rechts voor de lezer, naast haar overzeese regels. Wie haar wil leren kennen, mag haar mailen, dat verklaart ze in een vaste voetnoot. Niet verschieten als ge zodoende, plots en onverhoeds, op Tom Ronse botst, haar soul- en bodyguard. Tom verslaat voor ons reeds jaar en dag het politieke nieuws vanuit  de States. Ook waakt hij plaatsvervangend over de mailbox van zijn brokje. Noemt hij haar weleens Jacky?

Jacqueline schrijft zonder franje, rechttoe recht-aan, deze week beroerend over een bedelaar in de betere buurten. Zij flaneert er soms langs en wordt dan nagefloten door yankee en alleman. Zij tole-reert de dompelaars, gunt ze het licht onder de koepels van de nieuwe rijken. Nieuw rijk staat niet steeds gelijk aan asociaal. Lees in dit verband ons tante Jacqueline (zij poseert als model Jacky) en
u verneemt het uit haar eerste hand, met kunst-armband...
Ik nam haar tot mij vanuit een broodjeszaak, op mijn schoot de annex van de morgenkrant. Twee tafels verder orakelde knettergekke Eric, de zotste Leuvenaar sinds jaren. Eric predikt op alle hoeken van alle straten in onze stad. Als ik om middernacht nog eens de standen van een hemellichaam nakijk, kleine beer inspecteer, ontdek ik vaak Eric redene-rend op de stoep. In een keizacht gefezelde be-zwering, rechterwijsvinger steeds gestrekt, onder-richt hij een fictief publiek over het laatste oordeel, over een eigen God met fonkelvers gebod dat hij ter plaatse fantaseert. Hij is een man van alle weerseizoenen, altijd zwart verpakt in sjofele overjas, zijn peperzouten baard in volle overwas.

 

Eric zat dus in mijn buurt te smikkelen, hij oreerde ondertussen uit de epistels van Lucas en Johannes, zoals hij zijn sacrale bronnen gul citeerde. Twee minuten later taterde hij in strak parlando door naar apostel Marcus, schakelde staccato over op een archaïsch koeterwaals en besloot plechtig met een brede zegen. Hij bezegelde ons lot, ex cathedra en zonder acteren vantussen het formica-meubilair. De explosie van de waanzin ter aarde als finale straf, de klimaatverzwelging als de hete hel. Heer Eric kroonde zich tot onze heiland en ging met een prefab-God de hort op. Wie hem liefhad, mocht ter plekke mee. Bedenktijd werd ons een wijle gegund. Ik kon vluchten, laf zijn doet geen greintje zeer.

Om maar te zeggen, lieve Jacqueline, ze zijn van alle landen, het zijn de armen van onze geest. Wij zijn aan hen gebonden met ons klein verstand, ons hart dat deeltjes ziel te kort schiet. Zalig zij die gekke Eric, ons respect voor zijn gebed, gedoogd hierbij zijn dwaze medematen. Zij laten ons begaan in onze eigenwaan. Eric is een pathetisch wijze pee, een excentrieke wereldindiaan. Zo zot als elke Amerikaan in het diepst van zijn gedachten. Stom gedacht van mij, dag jolie Jacqueline.

16:45 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (9) | Tags: tom ronse, gekke eric, jacqueline goossens |  Facebook |

01-02-07

cultureluren bij de buren

Ik dacht dat ik immuun was voor dit soort onzin-berichten. Maar als het over cultuur gaat, kan ik steigeren. Dat stelde ik met plotse harteklop vast. Of was het dwaze hartenklop? Rot op, zotte regels van een taal. Bij de vakles blijven, stuk cultuur-mens. Ik moest lezen en herlezen om te geloven. De overlezing lukte niet. Het snertartikel was snel weggesmikkeld. Nee, verbliksemd, rechtvaardigheid geschapen, een kemel rechtgezet. Zat ik dus ver-stard te paard op mijn kameel, dromedaris nog aan toe. Maar ik wou daarover door gaan zeiken. Wie zijn gram zoekt, die vindt overal. Die vindt cultuur terug. Ja hoor, dikke bingo, bij zijn pietje. De topic stak verborgen in een ondervak. Een redacteur had zich nog nageschaamd, zijn huiswerk opgeborgen.
Toch verwarring, moest ik mij verergeren of had ik een slag in huis gehaald? Eerst om warme boodjes bij de bakker, dan kwam ik van geen kale kermis thuis. Zonder polonaise rammelt alles aan mijn lijf.

De zaal lacht zich te pletter, dijen kletsen, pletsen, wat dacht u, dat ik niet kon rijmen, godverdomme, kom er maar eens om. Gij daar, dankbaar politieke lachkomieker, kakelende Hoste, kale overdresste gere-Geert-erbij-erover, slapacterend stresskonijn.
Wat lees ik in de kwaliteitsgazet on line: dat gij neig overweegt om in Nederland op te treden, uit-wedstrijden te spelen, omwille van ons geldvigerend snelwegenvignet. Humor bij de buren uitbesteden. Was me dat verschieten. Van heb ik jou daar nog aan toe. Reutemeteut en reuzeleuk. De Standaard zet een nieuwe, ja hoor, standaard uit. Overhaast en slordig opgelepeld bij de warme middagbrokken, een prakje bangelijk nieuws, heet van de banale persnaald. Geert Hoste, hijzelf, schrijft men verder, heeft kontakt genomen met theaterzalen in, hou u vast, Breda, Tilburg, Maastricht en Rotterdam. Hallo met Hoste, ik kom eraan, ik ben een lopende lachband. Ik struikel en ik val, ik bak grappen met een baard, zoals: Museeuw is dus geen leeuw meer, hij vreet doping voor een paard. Braakbal.

 

Het bericht werd later doorgesjeesd naar de cul-turele substreek, moet kunnen, daar komt minder volk. Maar ondertussen heerst er, zeker weten, deining op een kabinet. Hoe past men heden de agenda’s van de heer Leterme aan? TV-Yves, met permissie, zonder enige visie, is een grijze reisduif, graag gezien, ook grondig uitgelachen als hij daar-mee scoort. Respect, waardering, goed beleid, niets mag ons verwonderen, bewondering voor zijn uitgelaten middelmatigheid. Het lijkt haast onver-schilligheid. Nochtans alomtegenwoordig, present bij Hoste en consoorten, mikpunt in de mist van Vlaanderen, op de schoot bij volkse vrouw en vent. Media-minister-president van onze cabarettentent. Laat ons lachen, bulderen van hier tot Nederland, geen ludieke brug te ver voor monkelmans, hossend achter nonkel Hoste aan. Waarmee een land, lees krant, zijn klei en kolder doorverkoopt. Soldenkoop.

 

20:59 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: hoste, leterme, humor, ludiek |  Facebook |