28-01-07

aimabel met Aimée

Ze spreekt alsof ze haar gedachten onderbreekt, ze hapert en ze stamelt soms. Ze denkt afwezig in een context weg van ons. We zitten samen aan een tafel. Wij dat zijn twee handenvol collega’s op een vrijdagavond. Verzameld om te tateren, de werkweek uit ons hoofd te praten.
Ik zit braaf veroordeeld tegenover haar. Ze zwaait me zwartgelokte ademtochten toe, geen spatje taal. Ze zucht soms, lacht inwendig, tekent lucht-patronen. Streelt met grote ogen stiltes door het bistro. Knippert stroken licht van het plafond. Gedichten schrijven bij deze gelegenheid, in haar aanwezigheid. Ik overweeg en overleg, vind geen uitweg voor mezelf.

 

Ik zie ze kijken, ze staart de leegte uit het raam.
Ik trek haar aandacht zonder woorden, gimlach wat, een knipoog, een grimas. Ze lacht verlegen, zegt hallo, ik ben nu éénmaal zo. Dat ze altijd peinst en piekert, mijmert, wikt en weegt, zich overdenkt. Steeds dezelfde vragen stelt, zomaar aan het leven en zichzelf.
Ik moet haar pardonneren. Doe ik ook meteen. Geen moeite is te veel. Een klein verbond van woorden uit verband. Ik kan verzwijgen van de pijn.

 

Ze is een grensgeval. Ze komt uit het oosten aan-gespoord. Haar woonst ligt op wankelpoten in het dietsche driekantland. Als ze traag vertelt, dan zingt ze iets. Ik mag haar wel, ze is een kameraad-madam. Ze is verstandig en verliefd. Ze heeft een vriend gehad, vijf korte jaren lang, een droge stoppel, uit gewenning en verveling. Ik noteer slechts wat ze zegt. Plots komt ze in de stemming. Geraakt ze aan mijn overkant. Die vrijer was een slome, slim maar langzaam. Een paradeerpaard, adonis statig af-en-aan. Met gedraaf, gemekker en geblaat, het einde in een draf. Geen traan gelaten, blikken op oneindig. Kwam dan de witte motorridder aan. Een bliksem trof haar landlijfschap, haar fijn karkas. Maar echte ridders doen slechts zelden (niet voor haar) het harnas af. Dat bekent ze.

 

Houden van de stoer gehelmde, de verre onver-wende hem, dat doet ze verder. En verdromen: zonder kommer achter op een brommer. Wat niet is kan komen. Ze weert sindsdien het aanbod af van iedere minnaarman. Ze flirt zich stil wat op, of dat niet kan, niet mag. Onder haars gelijken, met hen die hier en ginder onze tijd verstrijken, is zij seks-begeerd, oneerbaar opgeprooid, een lustbeminde hinde, mooist begeilde. Maar zij vliegt op eigen vleugels, veilig in haar egokooi. Sleutel op het hart, de hartstocht afgesloten. Meestal mondje dicht, de ziel verzegeld zoals lippen.

Het feestje was na uren afgekletst, veel praatjes voor een uitgemaakte zaak. Wij kropen recht van onze tafelplek. De kakelhaantjes kraaiden naar de jongste kip. Een flitsidee van snelste zonde, met frivool gewicht op dronken trip. Ik heb mijn vleugels breed gespreid, ik werd een blonde ridder.
Ik heb het meisje langs de straten uitgeleid, op een laatste huiswaartstrein gezet. Aimabel zijn en kuis tevree, dat verdient de ware liefde van Aimée. Zij zweeg hier met mij mee.
 

14:42 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: aimee, aimabel, grensgeval |  Facebook |

25-01-07

ter kameren gaan

Ik dacht mijn mal (model, vorm) gevonden te hebben, maar het werd een hol vat vol mismaaksel en manke ontkenning. Bij wijze van eigen blogblamage plaats ik éénmalig een meesterbrokwerk uit de malle zerk van vergeten kerkhofgoden: Leuvenaar Jos de Haes was een ongenadige dichter opgesomberd met het cachet van de mestige jaren zestig. Alle artiesten droegen toen een monsterlijke hoornbril met loodmonturage, een zwartgekrapt kostuum over vetvuilwit hemd en onderknoopte das. Zij rookten grasblauwe Gauloises ongefilterd en dronken bier uit zwengelemmers. Niet de Haes, hij was liever op zichzelf, een éénzaat. Hij zat in het donker te kopspelonken, zo klonk dat bv:

 

Een kus in Ter Kameren

 

Zeg in de splinterende lucht

een wurgzwam heeft haar olm,

oranje eendepoot loop vast

in het bevriezend water,
ik weet niet wat ik

 

Het licht nochtans op schaliën,
abt of abdis dek toe
de daken van Ter Kameren,
nijp alles rond gebroken bot,
hoewel al kon ik

 

En weer ’t gelobde waterhoen
dat stapt met een gekraakte poot
- alle onthalsden en verstikte pories,
in de naam van alle Heren,
stronken u zou ik

Maar lief, de rand vandaag,
koorts aan de dunne wondrand,
zwart en nat aan de rand,
heilige pest der geschiedenis,
naar mijn begrip, ik,

 

Bewegend lipvlees tegen been,
aan alle kanten duwt het,
jouw koude speeksel zuig ik,
als het gaat gisten zal ik,
het kan niet dat ik

00:07 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: jos de haes |  Facebook |

21-01-07

zeemeermin met kreeft

Gisteren zijn we om kreeft geweest. Een menu dat klaar kwam aan een zwart kanaal. The Lobstershop in Brussel, Kaaitheater. Toegegeven, ik had het woord nog nooit geproefd. Het woordenboek verklaart het als een winkel voor de zeekreeft.
De stap van het kanaal naar open zee loopt langs opgefokte stroom, een luchtdrukstoot vanuit de artistieke katapult. Go for the flow, een lijdend ijlmotief. Het opgevoerde stuk geeft klappen van de zweep, slaat mensen hard van mededogen plat.

Needcompany stond op quasi-voltallige planken zoals in de theaterkamer van Isabella’s Room. Minus Viviane Demuynck, la grande dame toert solo met een dode diva. Zij claimt de belijdenis van Claire Goll in haar nagelaten stoeterij: Alles is IJdelheid. Maar ondanks numeriek geschonden bleven ze opgeschoond weldadig geniaal in hun dronken theatrale solitude, met of zonder genererende gekte van en door elkaar. De toneelklascast van meester Jan Lauwers stevent weer waanzinnig voort naar Avignon. Dit is oerdegelijk onbelgisch, megabangelijk begeesterend, meer dan wereldlijk van afgronddiepte in de angst.

The Lobstershop vertelt een onverstaanbaar niet te verklaren verhaal. Mensen worden zot, verliezen kinderen, missen elk een anker, verdrinken om de haverklap. Iedereen schreeuwt afwezig tegen de ander, begeert de ommekeer in losbandigheid, de koppige ondergang in zichzelf, wenend om de hemelse waanzin en de helse onzin. Psychotica en neurotica. Ook erotiek, seks als een verlaat sacraal belijden, het verleden komt elke ochtend opgegeild uit bed, lachend van vernieuwde lust. De incest van het zelfverlangen is een teken aan de schaduwwand, van geen betekenis, zonder zonde of belang. Verhoudingen zijn zoek geraakt, een man bezoekt zijn afgekoelde zielendokteres,
zij wordt zijn opgewarmd orakel, zijn vermeende minnares.

 

Als de handeling te kort schiet, komt de stuip-trekking ter hulp. Als de woorden stokken, bij het falen van de taal, ontstaat er aria en opera, een rock’n roll van slapstick in de smartlap, electro mengt zich door de techno, ieder manco wordt verwrongen en verzongen. Wij zagen dubbel-doorgedwarste personnages uitgeschetst in tegendraads-grotesken buiten heldendom: van androgyn onaards bedroefd (time takes Bowie) over smerig moegebekt demonisch (looks like Jagger) tot ongelikt haarkoppig afgedekt (make me Depp).

Bonsoir et au revoir tristesse. Het podium sneed door randjes leven als een slagersmes, wij kregen afgescherpte rafels mee. Misverstand en ziekte van de ziel, het onvolkomen hopeloos niet te stillen niet te harden niet te dwingen voortbestaan. Als een finaalste dwingeland van ons verinneweerde wezen. Theater reikt een hand, een leidraad om met lijden door en dood te gaan.

 

17:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: depp, bowie, jagger, needcompany |  Facebook |

17-01-07

de belleman vertelt

De man heeft opgebeld. Ik was niet thuis, mijn vrouw nam op. Hij probeerde eerder nog, meer-
en meerdermaals. Hij spreekt steeds door zijn van warmte dichterbij verleden. Ik word verondersteld ietswat te laten weten, tekens van het minste leven mee te geven. In verband met mijn geweten. Nounee, niks geen dramatiek, gewoon maar mede-
menselijkheid. Waarom reageer ik tergend traag, lamlendig, zelfs verlamd, erg misselijk van mezelf, om te zeggen niet dus?

 

De man was een collega zoals héhélaas collega’s onbestaande zijn. Nergens aan te treffen op de werkerswereld, tenzij in zijn bereik van uitgestrekte handen. Maatje veel te groot voor mij. Ik ben een lafbek met mijn mond. Gesloten tanden klappen dichter dicht, lippen zijn verzegeld in het stomste zwijgen. Mijn tong wijkt verder, likt zich verlegen weg, verlegt zich plat te pletter.
Sprakeloos ben ik, ook laf, een ettertje. Een spetter van onvermogen blijf ik in mijn spreken, halstarrig ongebekt, geletterd met het grootste onverstand. Alom breng ik verstarring in het hart en in het harde ongezegde. Zeg het voort, de koren mogen kelen, woorden in de zangtaal kerven voor mijn conversatie in het falen. Inclusief de vieze vice-versa.

 

De man is ziek geweest, zijn vrouw was ziek, zijn dochter ziek. Hij meldt gezondheid aan de anderen, ook aan mijn adres, dat ik het goed mag stellen. Bezorgdheid van een vader die in de binnenkamers van zijn kinderen wil kijken, stil zijn geliefden vindt, daarnaast bekenden, trouwe vrienden. Zelfs de oude werkkring nog verkent. Daarom veelvuldig belt, geduldig bij herhaling, niets klinkt afgezaagd. Die mensen mist die hem ook missen, dat hij dit leze, heden, dat het hier geschreven staat. Aldus.

 

Zo maak ik mij pragmatisch van die dingen zoals schone plichten af. Op een drafje zonder zin met hermetieten tekst en uitleg. De woordenwoekeraar verzoekt aanvaarding voor zijn nagelatenschap, een verloren schaap, de afgeleide weg.
Hij (staat gelijk aan ik) vraagt geen boete voor een openstaande schuld, kletst zich trots doorheen het bos van tekstgeblader, tast doofstom naar lettertaal voor blinde bomen. Blablabla etcetera.

 

De confrontatie komt eraan. Ik bots weer op mezelf, een stalen wand van literaat, steriel getater. Sorry, beste maat. Als ik nog langer wacht, dan sterf ik met de woorden in mijn mond (“bakkes Marlon”), een hoogstens ongezonde binnenkant. De uitgesproken poging is in preparaat, verhaastig stomend komende. Ik bedenk versneld verstaanbaar iets met waarzin in de waanzin. Morgen bel ik wel. Het weer wordt zacht met windkracht wild. De storm is milder via gsm.

22:23 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (5) | Tags: belleman, bakkes, blablabla |  Facebook |

14-01-07

’t is godverdorie waar

God is op skiverlof. Jacques kon niet meer mee, Marleen bleef machteloos achter. Ze gingen gisteren definitief de piste uit, overleden. Een terminale kanker trok de laatste strepen onder hun veel te jonge leven. Een afscheid met een cocktail van morfine, een smerige schok, een snok nog voor de laatste coma opdook. Afzien van vakantie voor de rest van winterdagen, -maanden, enzoverder zonder leven. De ultieme alternatieve uitstap, het vernieuwde jaar schonk hen geen veertien dagen overschot.

 

Mijn schoonbroer deelt het met gesloten ogen mee, kloeke kop in kas, op emo en met een godver- godverdomme. Mijn zus is weerlozer aanwezig, zij draagt zwarte kleren, zo zie ik haar niet graag. Zullen we muziek spelen, dan hoeven we niet te spreken, niemand vindt hier woorden voor het verdubbelde verdriet.
Lee Hazlewood zingt “For every solution there’s a problem”, voor elke dood na uitzichtloze ziekte treft de rouw een rozenkrans van smart, een kraal van tranen, opgekropte snikken, wij verslikken ons in het overgebleven leven. Een gospel-nummer troost ons drie minuten, “Save a place for me”, a capella, een trage zanger wordt gedragen door een koor van zwarte vrouwen, de lijkbaar danst, er valt een knipoog uit de hemel, twee tranen geven warmte.

 

Ik flipper en ik flash back. Kleine zus speelt kirrend in een zandbak, kindertjes Marleen en Jacques bakken taartjes mee, scheppen hoopjes overhoop. Jacques trekt aan de vlechten van mijn zus. Zus wipt protesterend op, vinnig. Jacques verschrikt zich, holt dan olijk weg. Marleen, op korte bange beentjes, huppelt achterna. Grote broer kijkt toe, herstelt de vrede. Teder fresco uit de tijd, een kindertafereel.
Zoveel zandbakken later, een lading leven rijker, blijven zij mekaar ontmoeten, soms ontroeren, kleine droefheid wissen met gedeelde vreugde. Meestal is het feest, af en toe een dipje, het tipje van de sluier ontsluiten zij onder vrienden. Marleen werd stiller mama, broeder Jacques een gulzige genieter, daarom werd hij priester, dorpspastoor. Geslaagde kolder in zijn leven, maar met een zuiver hart voor mensen, religieuze slapstick voor zijn naaste, spijkers aan zijn doodskist voor het bisdom. Wij maakten al zijn escapades met de dames mee, vooral met die turbulente laatste. Zij volgde hem door pure passie, als een dolle furie, tot voor de poorten van de dood.

Marleen, de immer stille, vertrok als eerste, misschien verlegen. Zij was reeds een engel toen kameraadje Jacques kwam aangestormd, een kwajongen die de wolken kolken deed. God verschrok zich in zijn wodka op de after-party. Jacques nam meteen de orchestratie  over: stiekeme après-ski ter hemel werd een helse orgie. Vader God werd liederlijk, tenslotte ladderzat, Marleen bleef bij haar angelieke positieven en beschermde Jacques voor zijn eerste kater buiten aarde. Jaja, ’t is godverdorie waar, God bestaat, dat willen wij geloven: bij de gratie van zijn engelen die schone mensen in het leven zijn geweest.

 

Heden is het zondag zonder onze vrienden, gisteren waren ze bij ons in hun laatste lijden. Beide zijn gelouterd, het blijven dezelfde tijden, onze trouw leeft verder. (Rebels for ever). 

 

16:41 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: engelen, jacques, marleen |  Facebook |

11-01-07

maskesmachien Katrien


Ze is kort van stuk, maar daarom wil ze dat nog niet gezegd hebben. Deed ik wel, en ik had het meteen geweten. Jongens toch, toen was het kot te klein. Ze brieste me af, stampvoette door mijn vloer. Hoho Katrien, zei ik, je haar zit in de war, je tanden haperen, je klappert wild en weg. De woede vond geen woorden, een verse wonde zat er aan te komen. We hebben het buiten adem bijgelegd, herzegeld wat geschonden werd, heruitgevonden ons verbond.
(De wind is reeds een eeuw gaan liggen, het blijft een zachte winter, wij verwachten eerder sneeuw dan storm, komt er vorst, dan volgt er dooi: we vallen altijd in een plooi).


Ik ben nog nieuw in de onderneming, zij speelt een hoofdrol in het enige bedrijf, zoals zij haar eigen entourage neemt. Ik mag zedig naast haar zitten, zwijgen als het mij niet past, ijverig verderpezen vooral. Ik ken mijn plaats wel, stand en rangen raken kant noch wal. Zij is het meisje met ervaring, bijeengeperst in een rank getailleerde meter zestig, vijfenveertig kilo kort talent. Zij is vrank gebekt, alert en bij mijn pinken als ik scheve schaatsen rij of naast mijn schoenen loop. Dat gebeurt allengs toevalliger, zelden nog. Maar zij verliest meer vat op de reeds minder nieuwe man, de haar eerder toeverweesde. Het moederkloekinstinct van haast volwassen kind wordt aangetast. Zij wil knibbelen, doorgaan met om het minste vitten. Ik speel het vrijere spel, plaag haar ook graag. Dat zij zeer koket ‘in pocket’ is, nog knapper dan haar opgelijst portret. Zij steigert, weigert aandacht, vraagt om averechtse complimenten. Soms krijst zij met vertoon van eigenste venijn, ik begrijp het als een omgekeerd gekraai, een onmacht om de draai te vinden met een man die haar vader niet kan zijn.


Geen nood Katrien, je bent al helegaar bijkans een poppenmoeke, geen onnozel kinderkopke, ik een mannenjong, een ongevaarlijk dansend prethoofd: “Anny, I’m not your daddy…”.
Ik savoureer je silhouet, gestileerd onstil. Geoefend in een moeë ogenblik geniet ik van je geprofileerde mooie-meisje-zijn, je bent een puppet met een string.
Je harde kontje is doorpronkt met doorkijkkoordjes.
Je kan dus rustig doorgaan met behagen, ik heb geen ogen op mijn gat. Kriebelen en wiebelen, dat alles waggelen mag.
Ondanks het verse weerbericht ("één vogel geeft geen lente") verliest hier niemand zijn gezicht.
 

 

 

17:25 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: puppet, string, koket, kontje |  Facebook |

07-01-07

den dikke Freddy

Zaterdag, late namidag. De regen heeft me fel doordruild, ik heb het leven uitgesteld, niet bewogen. Maar er moet brood en boter op de plank. Ik doe mijn spoedcommissies in de mega-winkel om de hoek. De voedselpoëzie ligt clean-plastiek verpakt in afgemeten bakken, rijen rekken. Ik rep me, graai lukraak wat lekkers, vergeet het lijstje in mijn hoofd. Ik heb wel wat anders aan mijn kop dan cola light, een pakje koffie, choco, poeder voor de witte was. Geen pizza meer, verdorie. Buiten giet het, bijna sluitingstijd. Wie gunt me uitstel van commotie? Onnozele nep-nervositeit.
De schaduw overvalt, bevangt me, daalt in groot volume neer. Of hij me helpen kan en hoe gaat het kameraad, ziet gij dat zitten voor het weekend, dat is nogal een mottig weertje zeg. Hier is Freddy, dikkerd van bestaan en baas in deze zaak. Hij buldert ovenverse anecdotes, de appelsienen staan in stuntreclame, sardienen krijg ik van hem gegund in supplementen. Freddy is altijd goed geluimd, in zijn gratis elementen van goedzakkigheid, een gulle jongen van de lach, de vette knipoog en de zware  kolder. Hij gaat vanavond op zijn potten. Ik ken dat staminee in Glabbeek toch. Bij Vital en Amelie, dat staat daar al van in de jaren zestig. Toen dronk de puistenpuber literspinten bier, overdrijft hij mij. Gelogen is het niet, Freddy is integer, eerlijk als een teddybeer. Ik moet hem in zijn magere jaren goed gekend hebben. Daar is hij zeker van. Wij zijn streekgenoten, generatiematen. Hij overpraat me met zijn platste taal. Sappig menne man. De andere winkelklanten maken bochtjes om de taterbaas, maar hij groet ze moeiteloos, gesticuleert zich virtuoos door blikken van curieus belang. Hij creëert gezelligheid, legt pakjes sfeer in lege karren, breekt de stilte met zijn kilo’s doorgang. Dikke Freddy speelt zichzelve meesterlijk, acteert geen centimeter. Hij escorteert me met zijn simultane ondertitels naar de toog, uitbundigt daar nog weekendwensen voor de laatste uitpakmensen, rekent met me af. Ik sta verlaten van zijn nagalm in de avondregen. De laatste onraad, ik kijk schichtig om, Freddy zwaait de deuren dicht. Zijn snor lacht zich te pletter. Deksels gekke man. Zot zijn doet geen zeer. Alles kits met hem, hij heeft geen greintje pijn. Ik verlang al vaag naar maandag. Ik wil die goedzak nuchter terugzien.

 

 

15:57 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (4) | Tags: sardienen, witte was, appelsienen |  Facebook |