02-03-06

Guido Gezelle

Het is niet mijn gewoonte om andermans poëtische veren op de eigen hoed te steken.
Ik wil daarmee zeggen dat ik graag de voorrang geef aan de schrijfsels van eigen hand, vaak fragiel en mankeliek, maar toch met eerlijk en ambachtelijk zweet in mekaar geflikt.

Voor één keer wil ik een kleine inbreuk plegen op deze regel en een tekstje de revue laten passeren, waarvoor ik als kleine stamelaar deemoedig het letterhoofd wil buigen.

Het betreft een pareltje van onze “grootste en schoonste dichter aller tijden”, iemand die de Nobelprijs niet kon krijgen omdat zijn taalidioom zo oorspronkelijk was dat het helaas onvertaalbaar is gebleven. Tot zijn grote bewonderaars behoren Hugo Claus en Paul van Ostaijen. Dixit surrealist Gaston Burssens: “Het waren zulke verzen waar van Ostaijen – maar dan echt – van droomde”. Hier komt het kleinood, savoureer het met nipte teugjes:

 

In ’t blauwe van den hemel doekt
een kleene, witte wolke

de zonne mij;

en ’t witte van die wolke en komt
geen vlekkelooze molke,

geen wolle bij;

 

geen witgewasschen wolle, noch

geen snee die, versch gevallen

te gronde ligt;
Zoo wit is, op de boorden van
die witte wolke, ’t brallen
van ’t zonnelicht.

’k En kan ’t niet meer bezien bijkans,
mijne oogen willen dolen;
’t is vermiljoen,
dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
zoo zwart is als de kolen,
en ’t rood is groen…

 

 

19:05 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Commentaren

ja ! mooi, toch doet het me denken aan Gezelle.....

Gepost door: anima-negra | 02-03-06

twinkeling dag anima-maat,

je bent weer bij de pinken, zo is dat inderdaad, een pure Gezelle.

mv.

Gepost door: marlon vanco | 02-03-06

De commentaren zijn gesloten.