05-02-08

geen titel om nog stiller te bemiddelen

De strijd is hevig over, alle woorden opgeschoten, afgeschreven voor de vrede. Ik ga op een kale zolder wonen, ver van al het schroot op blote bodem. In het stro verpozen, cola met een rietje en de poëzie als wolkjes weed. Geen lijntje hete coke voor mij of koket rijmen met wat klotenlijm. De pot op met het opbod. Opgerot. Ik wil het hopeloze hooi bezien. De onmacht van de oogst: gezakt. Het zaad van taal staat schraal te kijk. Ik raap mijn levend lijk op en ik zwijg voortaan.

20:20 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: zaad, oogst, hooi, stro |  Facebook |

03-02-08

in opgedragen ondank @meneer Peeraer

Muf en dof en duf. Dat dacht ik van gedichtendag in Leuven. Zelfs geen vleugje karamellenpoëzie. Kannunik Jef Deleu kwam uitgestreken prijken in zijn strakste grijspak. Serieuseren dat die kwispel deed, och here. Bruine das en drab en kwab verveelden ons vanop zijn kansel. Wat een man met streken: om zijn grote fotozoon daar aan te prijzen. Lodewijk leek net zijn vader, partner in de promopraatjes voor hun samenwerking aan de kassa. Droge foto’s zonder dames die bekoorden, enkel keien en wat kiezels van West-Vlaanderen. Griezels aan de taalgrens van ge-dichten die verdorren bij de aanblik, elke steen blinkt leeg naast verzen die de schimmels verder tillen. In mijn wanhoop dacht ik aan haar snee&billen, schreef ik regels voor mijn lieveling. Ik vond mijn gading niet in deze kerk van ernst en afgestofte ergernis. Ik miste iets: substanties van mijn lief, van leed en ritme dat een tekst doet beven van verdriet. Ontregeling moet wezen, bijna zijn of worden, korsten kunst voor gans het volk, een worst muziek die ergens kriebelt waar geen Hester Knibbe kan aan knabbelen. Deze schnab-belaarster praatte als een ekstermens, was helegans van perkament voorlezend tot wij geeuwden, kraaide door karton en leeg krakeel. Deleu vond haar geknipt, ze zaten knie aan knie, wat kneuterig. Hij sneerde eerder smerig naar wat slamt en rockt in verzen, naar wat rapt op straat en staminee. Een keuze voor een opzeg in de kring sinjeuren, niemand draagt een string, gedachten lopen in de pas, gedragen zich doodkeurig in gedichten. Treuren nog. Waar moet het heen met taal als tateren over hoofden wordt ervaren als onvatbaar schoon geschreven? Het mysterie als cliché. De hoogmis van de hoogmoed, poëzie voor heer met hoed en bourgeoisie die stijf komt lachen. Kijk, daar zat Sabine naast Eliane, ik ken hun venten, beter nog hun blote gat. Het doet me niks meer... poëzie zit dieper dan de schmink op hun gezicht. En wat te denken van Kathleen, het meisje van teevee dat in de micro beet? Zij grapte met Tobback die kraste dat hij minder graag gedichten las in bad. Een koude douche stond hem beter dan citeren zonder gêne. Hij verknalde Annie M.G. Schmidt. De redding kwam weer van een dwarse man. Een hoogbegaafde zonderling, een zelfverklaarde zondaar in de taal, te weten... Nolens Leonard. Esthetisch monotoon verscheen hij in zijn sonorie, een klaaglied op muziek gezet, een ritme uit zijn ziel geperst. Sabine ging van haar melk en Eliane liep over in haar kelk. Gerechtigheid was nog geschied in dit kwartier mortiergeschut (naar rust en terugtrekking). De ruk van volk en bur-gers weg. Een snok geluk. De ene Leo is gelukkig niet de andere (spreek ik tot een baardmijnheer Peeraer).  Ik geef geen regels gratis door naar holle bollenwinkel Pé en aanverwanten, inclusief de hapjes en de dranken op mijn kosten. Nee, een dichter moet niet smossen, maar verplichter schoppen. Dit gezegd geschreven zijnd: mijn blogbedrijf is graag een blok, geen grabbelton. Ik tokkel joggend door het bos van onverschilligheid, versnel zodra ik wil en stop bij elke gril. Zo simpel is dat als ik vraag het nergens aan (...)

16:19 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (8) | Tags: bard en baard, leo peeraer, uitgeverij p |  Facebook |

30-01-08

lucky black and white in fuck and fight

Ze had hem gisteren hard geslagen. Doorgebeten en gekrabd. Ook nog gestampt, vraag ik. Hij knikt be-dachtzaam van benaderend (euh) jawel. Zijn brave kop is opgezwollen, open wonden aan zijn handen. Wat een krolse kat vermaken kan. Ik sta met klap-gebaren naast hem, molenwiek. Dit is voor één keer niet de opgefokte schuld van politiekers. Noch van extreem-rechts of extra-arm der wet. Geen chef-champetter of parket werd ingelicht. Zijn donker vel werd niet gered. Ik klop hem (zachtjes) op de borst, zijn hart gaat goedig bonken. Stoten adem volgen opgeblonken tranen. Zwart zijn is geen zever in het land van blank verloren maagden. Zoals zijn vader (zaliger) Prince Ach-bwah voorspelde in het verre Ghana. Hij, de kleine achterprins, gesetteld in het Hageland (hun fruit, hun wijn, zijn wijf) kreeg onmin, daarna bonje met zijn dame. Een pandoering op de Grote Markt van Tobbackstad. Ik stond er in de aan-vang bij, maar dacht al rap: dit zijn mijn zaken niet. Mijn schaapjes heb ik op het droge in mijn achterzak gestoken, geld en telefoon, een nummer dat ik terug mag bellen, maar niet geldig voor geweld en averij.

Het zij zo. Hij kreeg motten van zijn zotte trien. Ze had weer goed gepimpeld en de vlinders in haar drift de vrije loop gegeven. Nog gesmoord en als de dood voor tegenspraak. Wat doet een neger daaraan? Twisten samenvegen, witras verder slepen bij het dwarsgekamde haar. Hij kreeg als dank veel beten en meer schoppen op zijn schenen. En een tekst met tering, zeker weten. Hij heeft die nacht geen bil of been van haar bezeten. Daags voordien nog zeven keer. Dat bralde zij doorheen het dans-café. Twee blonde grieten (lady's!), vrouwen vol onvolks gerief, bekeken ons verlegen. Komt dat heden ergens tegen. Ik heb alles weggelachen, achtergronden doodge-zwegen, ons geëxcuseerd voor expliciete seks bij eerste kennismaking. Aangenaam, mijn naam is buur-man van de tatertante die een zwarte prins versierde. Hem met zwier haast vierendeelde, dwaas haar zatte haat (?) botvierde. Op zijn botten snokte. Snikte dat hij stikken kon. En niks dan nikker met een repete-rend pikkie was. De achterklap uit bed gelald. Hij krabde aangeslagen in zijn kroeskop, pakte haar en plakken bloed. Hij likte al zijn vingers af. Wat simpel dat een woord de soorten wit in zwart verminkt.
 

We zijn een etmaal later, zij heeft friet gebakken. Hij ligt pijnlijk lang en lui met heel zijn blutsenlijf op haar fauteuil. Ik ruik het stoofvlees. Iets ontdooit... een dooier voor de mayonnaise. Hij maakt een grap :-). Wij lachen ons een barst. Hij vraagt mij welke dag het is. Ik zeg hem werkendag. Hij gaapt en rekt zich. Kirt eens, tast naar zijn klabas. Hij pakt een vuile ther-mos, speelt hem door naar haar, langs mij. Ik ben hun doorgeefluik. Zij spoelt de restjes uit. De drab rolt van de trap, dat is een Afrikaanse metafoor. Ik krijg een gele puntzak vol geluk. Nog aan de hete kant. Ik blaas wat af en draai me zedig etend om. Erg lekker en ook vettig zonder plekken. Hij ontvangt zijn plunje en haar glunders. Kleedt zich voor het ganse eten uit. Ik demareer, want eer de staafjes koud zijn, is zij gul-zig opgenaaid. Het zwart spuit witte draad in haar.

15:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: fuck, fight, black, white, prince |  Facebook |

26-01-08

het paard parkeert zijn laatste fiets

Een cowboy is verzopen in zijn kamer. Naast zijn pillendoos. Hij zocht zijn zonnebril. Het leven scheen te hevig door het raam. Hij kon niet slapen, nooit meer slapen naast zijn film en faam. Zijn vrienden zochten zijn vriendin. Een witte schaduw kwam te laat, hij was al schim. De hitte was te hard voor zijn bestaan. Zijn naam verbrandde zich de vingers. Hete handen in zijn haar. Heath Ledger is legende reeds. De dood kwam op zijn paard geklommen, schopte na en schokte hem. Een smak op aarde. En voorgoed gedaan. De waan werd waas. De mist beschikte over man en roes. Hij was de nacht nog naakt en moedig ingegaan. Gedachten aan zijn sister Sue en daddy Dick, you name it. Who the fuck was mom, hij praatte in zijn slaap die niet meer slapen kon. Een jongen dooldde rond, zijn ster lag motherfuckend op de zatte grond. Een bodem pillen, stoned. De nacht stond stil. De maan hing in de luster van Kentucky aan het laag plafond. Hij dronk wat water. (Heath was nooit een slokop). Godverdomme wat een bende, niks dan ma-juscule smurrie, chemisch spul dat giftig stonk. Een pil die zelf een pil inslikt, die verder genereert tot nog een pil, een wentelmolen in het venster van een hoofd dat gensters denkt, dat slingert tot de hinder nog een zuchtje wind geworden is. De lucht die ledig blinkt. Iets rinkelt in de winkel van de naaste farma-cie, een specimen begeeft. Een mens is slechts ma-terie die weerstreeft. Of brother Ledger ook Tom Boonen heeft gekend, het is een hypothese. Niks lachwekkend aan. Een link naar opgang in het zadel van een iron horse. Een veloman op cocaïne, zegt de veelbesproken pers tot elke klepperpet die in de straat te kletsen en te gapen staat. Het is de over-daad die schaadt, de mediatieke ziekte van de mid-delmaat. Met koren in de oren van hun kop, de coke versmoort onnozelaars. Heath Ledger was vedette en Tom Boonen scoort een strook ellende. Prettig voor de mensen die graag mensen zijn. Gewoon doen is geen gekte, maar gebrek aan empathie van gans hun hersenstelsel. Sterven is de glans op groot talent.

Heath Ledger had zijn lijf ontbloot, zijn ziel lag blank op bed, zijn ogen braken traag de laatste pil. Tom Boonen haalt zijn schouders op, hij wint zijn wedstrijd tegen volk en vee. Hij zweeft tevreden op zijn velo, demareert de wereld uit zijn wiel. Hij neemt de ziel van mister Heath mee op zijn stuur. Een duo glamour met een gouden buis, een kruis op elke knie, een billenwip, een dronken sprint. Een pil lost op in coke.  

Kom jongens, rol maar, dit bestaan is brol. Banaal als de banaan die opsteekt in de onderbroek van een komiek: Urbanus is de held van rechts geweld, de glitterboys (niet Kris en Koentje) dragen ballen en hun fallus links. Een fiere sliert die opspringt, die zich in de afzink niet bedenkt. Ze zwenken tot de finish klinkt.

Applaus voor alle doden die hun paard parkeerden op het schoon verhoog. En in hun slipstream nog een ode aan de schaars getelde zonen, elke vent die wordt gekrenkt.

21:37 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tom boonen, heath ledger, coke, pillendoos |  Facebook |

22-01-08

zij behaagt een jongen, raakt een man

Ik laat het weer begaan. Wat geeft het dat het klet-tert dat het regent, zij is bij hem. Vice-versa is hij er-gens vaag in haar aanwezig. Ik heb het raden naar verhalen van een date. Ze spraken af omstreeks half negen. Bij haar thuis, gezellig. Hun verwendag bij de haard, de vonken geven gensters. Hij gebaart, mas-seert en streelt. Hij steelt haar met zijn jongensogen, al haar lippen wijken vol, zij valt voor hem. Om niet te spreken dat zij aan mij denkt. Zij laat mij deze avond teleregistreren. Inbegrepen al de buitenlucht, het afstandsweer, de opgeblazen wind, de afgedropen regen. Niks dan nattigheid, de narigheid voor mij. En toch. De film van wat zich afspeelt. Al hun tederheid. Verlegen handen en geen enkel leeg gebaar ontbloot. Hij is een minnaar met het hoofd vol vlinderzorgen. Hij komt neergestreken op de honing van haar lichaam. Hij loopt pas ontloken, aarzelt dartel, jong volwassen, minzaam alles op de tast. Hij ademt niet of nauwelijks als hij gans de vrouw raakt in haar vezels. Ik ervaar het wezen van haar ziel, de stapelvaart plezier voor haar. Ik tel hun lichtminuten minitieus, ik wentel stille uren verder, geen seconde zonder glans, het dans-scenario dat rokt en rolt. Dat naakt aan zonde zoge-zegd. De macht van mijn fantasme ondertitelt. Ik ver-zin het script met ronding tot de krolse volzin die haar optilt, haar omringt met vingers van een detective die het slot doet smelten, wondes detecteert. Ik ben een definitie van de liefde, een spion die in zijn hart de diefstal tolereert. Wie geeft er anders om haar lot?

Hij kon de kleinzoon van haar nonkel zijn. Ik noem hem niet bij naam, hij is een tropisch lichaam in zijn zwoele opklim tot een man. Hij woelt in haar. Zij laat begaan, ik ben een buitenstaander, starend naar mijn navel, met de hare in gedachten. Het wordt nacht en hij blijft slapen. Ik sta dapper aan mijn raam, ik tel de sterren. Godverdekke, wat een aantal, ik word gek van al dat pinken, ik krijg tranen van de vlekken die de hemel maakt. Er is geen kant of raakvlak aan de schepper van dit kladwerk, dit lijkt zatte kerstmis op de maan. Een lunatiek geval. Hij kan niet slapen, kust haar rug, zij zucht. Ze komen nader in elkaar. Hun bed haalt verse adem, ik hoor plots zijn naam, zij stamelt hem in alle talen. Hij wordt rustig, plukt de vrucht. Perfect, denk ik. Zo heb ik haar beschreven, leg ik me verloren neer. De eer is voor een winterdromer die de zomer honoreert. Zij moet zich niet generen. Zij mag doen met al haar lange ladybenen, liggen met haar opwipbillen. Wat voorspelbaar, heb ik steeds gezegd. Gefantaseerd, zegt zij. Geweldig is haar gladheid, el-ke opstoot van haar ranke lijf. Ik vertel de slanke jon-gen morgen het restant. Ik ben een man, een klein verstand. Ik zie haar graag, hij houdt van haar. Zij blijft bestaan in tussenstand. Tot ons fictief gerief.

18:47 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regen, sterren, weer, wind |  Facebook |

18-01-08

na de werkdag vangt haar vrijdag aan

Ze ligt met hem in bed misschien. Het is tenslotte vrij-dag. Deze avond is kletsnat. Het leven zit gezellig on-der dak. De nieuwe liefde wringt zich binnen. Wie de onderbroek niet past, die trekt het laken aan. Gezeg-des uit zijn zwarte mompelbek. Hij praat een heavy Afro-Vlaams, een taal met hete tong. Zijn longen pom-pen warme adem in haar nek. Hij is een troebel water uit de seksrimboe. Zijn manieren missen westers rit-me. Zij verwent hem daarom zomaar. Hij is zwaar ge-schapen in zijn hoofd, zijn woorden dansen op een koord die rekbaar is. Hij spant zijn tekst, hij perst de waarheid naar believen. Van gebed in evenaar: naar haar smalste straat gespeerd, het steegje dat soms om een sopje vraagt. Een vinger aan een knopje en wat schiet hij graag. Ik hoor weer hese kreten en ge-fluister kruipen langs de gevel, mijn balkon is onder-hevig aan hun multiculturele storm: een glas water rammelt op de grond. Het dampt nog zwaarder na.

Hij lult zich in de lift omhoog tot aan de lippen van haar living die het evenwicht verliest. Zij beeft, een greep, ze heeft hem bij zijn schoon gerief. Het groot genot verkent haar afdaalgrot met durex extra large. Zij bidt en smeekt alsof zij Jezus Christus in het zwart verkracht. Zij likt zich gretig aan de opfokhitte van de plakplastiek. Ze slikt gesmolten hosties. Hete melk kolkt uit de koker. Heer, laat deze kelk de bodem van haar mond verkennen. Morgen komt de honger weer en schenkt zij sap uit verse wondes. Leer mij haar niet verder kennen, ik geloof het wonder van haar lichaam als een jonge zondaar. Wat een bandeloze bende (zeg maar schare lezers). Schaars zijn uw ge-beden tot de hemel van ons averechts geweten. Wij jongleren op de heuvels van de heupen, geven vleu-gels aan de gleuven. Reutemeteut van klanken en van flanken die flamberen en flankeren. Wat een zat-te weelde om een randvrouw te waarderen in haar spel met zwarte beren. Haar citaat in rassentaal, een redenering die haar benen als een vranke mening openlegt. De honing voor de negers, aan hun degens rijgt zij gijl en stroop. Een boxerknoop springt los, een kroeskop zwoelt en ploegt zich door haar dal, zij zinkt steeds dieper. Climax voor de val. Madam van onbe-vlekte ziel, zij is een kind met sex-appeal. Haar moe-der is zichzelf nochtans vermist, haar vader was een witte Afrikaan, hij deed de mis bij haar geboorte. Zien en horen gingen aan haar lijf op school verloren. Zij had enkel sprieten om verdriet te lijden. Zogezegde pijn zoals zij steeds vermeden heeft. Zij werd een wetens-willens-wijf dat welig minnaars wekt. Met hels verlies in verre exotiek: haar hemel van gespeelde erotiek op deze kleine aarde. Blijheid zat in donkere billen, aanverwante kronkels in de dijen. Opgevrijde flower voor de intro van black power. Wat een vrouw.

23:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: durex, extra large, vrijdag, werkdag |  Facebook |

13-01-08

wuiven naar het huis dat thuis vertrekt

Zelden, nee nooit (zeg ik), zulke stomme zaterdag-avond ondergaan. De dood was neergestreken in de wereldstraat. Ik hield mijn panoramaraam gesloten, maar de weemoed waaide wintertranen binnen-waarts. Op windkracht melo forte. Wat een week gedoe, de werkelijkheid leek sterk op wreedheid, om een mens te breken met de wetten van ellende. @God almachtig, liggend in een wolkenpak: doe niet zo kinderachtig heer-weetal, laat ons dit negeren please. Ga door met scheppen man, je bent een vet-zak, wees rechtvaardig en rechtschapen, raak niet aan de kinderen. Ik verbind me tot geen knieval, maar wil knikken als een schaap dat graag geslacht wordt. Om de stal te redden van de ondergang, de stad te stillen in de sidderatie en de streek gelijk te geven in zijn strijd om nivellering. Niks van, want ik zeg maar wat. Ik wil behagen, raak me aarde, draag me door dit tranendal, ik tolereer voor één keer het gerold cliché. Ik wil nog wilder worden, zotter tot de volle vrede. En dan feesten geven, liefde is een prijsbeest.

Wat geweest is, is geweest. Het huis loopt leeg, een regel om te registreren. Geen vergissing, want we wisten alles reeds van gisteren. Toch zo triestig dat het miezert, kriebelt in de uitgewoonde ziel, een kamer zonder bed, het schoon behang hangt af, de kast heeft barsten in zijn bast. De taal parkeert zich in een spiegelbeeld, een metrum dat geen meter op-schiet, zelfs geen open spleet voorspelt, laat staan een spectrum wentelt, wiekt op perspectief. De tekst verwerkt dit niet. Zo simpel kan een afscheid niet te vatten zijn, een heenreis onvermijdbaar in te tikken, een vertrek te hopeloos verstoord met ander woor-den. Alles wringt, het is een gissen naar gemis. Het spoor loopt dood in ons, trekt verder leven in de verse liefde en zo zijn we terug beland bij hoop. Een kind is vader van de wens, wij zijn volwassen mensen quasi en aanvaarden. Zij wordt weer een meisje en een mama blijft ze kortgerokt. Ik heb geen ogen op mijn gat, mijn kop wil ook wat kijken. Waar is nog de tijd dat alles in verwekking was, er zat nog rek op ongekende seks en erotiek lag als een kronkellijf met warme dijen in ons bed. We stonden monter op met rock’n roll, het knakte als geroosterd brood. Oké, soms niet, so what. Vandaag is morgen het verleden, ik verkondig onbekommerd het vergeten en vergeven. Laat de zonen en de dochters, afgerond met twee, het weten van de vrede. Dat het geen cliché is, maar een zaak van goed geweten. En wij leefden zoveel langer opgevreeën met de open kansen van de jon-ge leegte. Een gezin beschikt, gewogen en gewikt. Wij schikken ons en schoppen alle remmen los, de stoppen vlammen door. Het tweede ja-woord aan me-neer pastoor. Och here, leid ons in bekoring, godver-dorie. Tijd voor wittebrood verstrooid op hemelbed.

11:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rock n roll, vrede, cliche, pastoor |  Facebook |

09-01-08

aan de borst gepramd van tante phara

Ik heb een blik gekocht voor dertig euro. Een on-schuldblik gedragen door een teddybeer. Voor de zorg om borsten en hun kankerfonds. Het huis van Strelli lokte mij, ik viel voor beertjesogen en zijn chi-que sjaal. Thérèse en Jacky boden mij hun lichaam aan met wisselgeld en handgebaren en au revoir Marlon. Daar dacht ik gisterenavond aan bij Phara op de sofa in het nieuwe VRT-decor. Hoe ze poezelig deed met Koen Clouseau. Ach die Dakar gaat niet door, wat erg voor Afrika. In Kenia gaan ze plat, Darfur ontbeert het brood van spelen met motoren. Een orkaan van dwaze stilte raast doorheen het con-tinent. 'Das eel erg' vond onze opgekamde Wauters, terwijl hij pinkte met een wenkbrauw, elke mondhoek optrok naar een camera-stand. Zoals afgesproken met Van Gils, het sportaanhangsel dat in alle talen zweeg. Het ging niet over sport, maar over aanhang bij het volk dat alles slikt. Maar zich verslikt in schoon-heid. Phara kreeg een krolse beurt en sneerde naar madonna Freya, zwijgend aan de zijlijn met twee frêle lintjes over blote schouders. Waar en hoe zij had ge-faald, vroeg Phara met gespeelde twinkel, linkheid zat er achter. Zij verzocht aan Freya om in haar boezem goed te zoeken en te voelen wat zich daar bevond. Geen borst gezond verstand, zag je onze tante vlam-men. Volle, domme prammen wou zij spijkeren, vlees dat voor begeerte staat, voor zonde en voor onzin in de politiek. Want Freya is begeerd van stijl, ze zweert bij elegantie en kan praten zonder watertanden: flink en slim ter zake, ongenaakbaar links en hip, ook be-mind ter rechterzijde bij de spleetjesliberalen. Dat kan Phara nergens plaatsen, zij is empathisch klein ge-schapen, als een havik ongenaakbaar op de media-hand gedragen. Heel haar halve borsten stonden weken in de boekskes, blonken in de glossy maga-zines. Wat een moeder lijden kan die pijnen etaleert. Welk een trauma dat die dame cultiveert. Dat kankert onderhuids, dat spuit haar gal en gif naar goede in-borst van de mensen die haar niet verwensen. Freya onderging en overklaste iedereen. De wereld zij ge-prezen voor de zwijgers. Zoals Staf Van Boeckel jaren deed als opa-pappie van Bart Peeters. In een repor-tage over leed en leven in Verloren Land: het heette Breendonk, daarna Buchenwald. Een folterkamer elke nacht, de dagen stokstijf in de cel, een dodenmars, een terugkeer met de tanden stukgebeten op de zweren en de gesels van de zwepen. Heel zijn vel met lichaam was geweld en hel, gekerfd met littekens. De pappie kneep zijn ogen dicht bij vrouw en kinder-onderhoud, hij heeft geen kick gegeven achteraf. Zijn geest hield aan zijn lippen stil, hij wou niet weten dat hij leed. Bart Peeters was een aangeslagen knaap, hij rapporteerde op tv geen medelijden, maar verbijste-ring om zoveel lijden annex zwijgen. Het was chique van pappie, wou hij kwijt. Het understatement van de eeuw in onze beeldcultuur. En om bescheiden van te leren: treurnis is een keuze, blijheid staat gelijk aan vrijheid. Staf Van Boeckel trok nog 52 keer op bede-vaart naar Lourdes. Een onvermoeide begeleider voor gehandicapten. Altijd goed gezind. Hij stak de handen uit de mouwen, maar die bleven sober afgerold. Zijn oude wonden deden nooit de ronde van zijn polsen naar de de pers. Noblesse en klasse, geen getetter.

20:39 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (3) | Tags: held, staf van boeckel, weerstand |  Facebook |

06-01-08

sexual healing is helemaal marvin gaye

De dokter wou opereren. Niks daarvan, ik kan stop-pen van mijn eigen. Mijn hoofd opstoten en mijn borst ontbloten. Alle cinema overboord. Zonder snijmes of scalpel. Ik leg vanzelf dat laatste ei. Een kip wordt haan en tokt voortaan de vuilbak uit het raam. De woordenwas vliegt buiten. Veel gekakel en dan zo-maar amen. Zonder boe of ba en geen gedoe. Ik zet het dwaas gehakketak te kakken. Om te zeggen dat ik uitgetaterd ben, mijn mentale taal tot niets in staat, niet meer. Ogeblazen, lieveling. Dat fleemde ik aan de moordverpleegster van die dokter (Norbert, den Ber-re, zij heette ferm Gisèle (37), woont heden nog te-vreden in een loft op nummer negen, bus veertien komt er zo voorbij. Haar vader tokkelt in de lokale fanfare, tuba denk ik dat ze zei, ze monkelt wat. Ze dacht zoals haar pa (lachend), als hij opstapt met de Mannen van het Jaar 1948. Zot Andréke (53) draagt de vlag, schots en scheef, een klakske en een stomp-ke sigaret, voor één keer zonder afgewassen cow-boybroek en indianensloefen, in een namaakpak met veel geraamte aan zijn rimpelvel. De pinten heeft hij in gedachten, hij geneest zijn mankementen zonder intellectueel getrompeteer. Jongleert nog niet bedron-ken met zijn stok, marcheert voorop. Haar vader volgt op ritmepas, dat was facteur Arthur (60), een brug te vroeg op rust. Ik dwaal steeds af en associeer in vrije val mijn losgeslagen zinnen. Kus mijn klompen, kloten-boel. Een handicap klapt op mijn binnenklep, mijn hart geeft soms geen zier om pret, verzet zich en geneest in bed. Ik zinder van de wereld, onbemind mijn geest.

Zij komt haar afspraak na. Wij drinken koffie, slurpen geens van beide, durven niet. Ik veeg de randjes weg, de bruingelikte sporen op de witte tas, haar lippenstift mag blijven zitten. Spatje spuug lost op, ik blaas wat af, een vals orkest. Retteketet en klet mar-jet. Marvin Gaye zingt in zijn clip dat zij genezen kun-nen, in hun doorkijkschort met thermometer, hoge hakjes onder opstapbenen, seksueel geheeld en al (hebt ge hem?) Het is me wat, Gisèle, ik mag je toch vertellen dat ik de ziekte van een nonkel heb. Mijn kop staat zot en tobt. Ook als ik met een nagel aan mijn gat krab. Zij begrijpt dat, strakke kont en straf verstand. Ze speelt petanque met dokter Berre, na de uren, in het afgestofte zand van de geburen (nummer tien, geen loft, maar wel met schonen hof). Norbert (bijna 30) weet alles van de harten en passages. Hij pakt de laatste bus naar Brussel, hoe toevallig als hij naast een Rus zit, is dat lekker voor mijn rekmetriek. Ik ben geen grapjas, meer een grapjurk van het flurk-theater. Lurken maar, Gisèle. Het lukt ons zeker als wij doorgaan met gesprek, een therapie met koffie-bekers van gemorst karton. Mijn pa speelt bombardon in ons jargon. Ik ben een afgewezen apotheker en mijn (dode) broer was immoteker. Hypotheek op mijn geweten. Rekelmans, Gisèle, dat ben ik. Denk ik he-kel. Een rebel met zonder reden twee keer niks te melden, wat geweldig, toch een held in bed. Een kilo pillen velt me niet. Je redt me voor geen centimeter, engel van de oplap. Stoplap-praatjes. Ook je tiptop-tepels kunnen niets bewegen. Ik dacht het tegendeel te genereren, vanop je rug bekeken. Weer neem ik de benen, in gebreke (meent zij). Bidden helpt niet meer, ik mediteer een split en spat geveld (gevat?) in vlek-ken tekst. Een kwak met drab, een draakgedicht. Ik licht het deksel op en spring vanbinnen, zink en zing niet meer. Mijn bek gaat dicht. Vaarwel Gisèle, groet-jes uit de hel. (De brand kwam in het land daarna en duurde dagen, opgestapeld als de as van jaren. Tot de hemel plots gebaarde van genade. Ik genas etc.).

11:50 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sexual healing, marvin gaye, midnight love, 1982 |  Facebook |

02-01-08

beste wensen voor de rare mensenaarde

2008. De eerste nacht raakt huilend stuk. Verse kop compleet kapot. Geen druppel drank gesmost. Onge-luk gehad bij incident. Verkeerd gezicht gezet, mijn mond stond scheef, ik weet het niet. Maar ik misdeed. Het dikke leed ontstond. De ochtend dronk en ik bleef helder in mijn hoofd. Geloof me iedereen. Mijn hart gewond, nog onderhevig steeds op dreef. De repen en de rafels zijn aanwezig. Hete strepen aangenaam, ik leef zomaar. Verschoning dat ik beef. Beschroomd.

Een dame en een tafel later. Ik word opgeschonken, roomsoep uit een diepe winterkom. Haar handen scheppen warmte met een halve lepel in mijn mond. Ik hou dit zwijgend vol. Ik krijg mijn deel, zij streelt haar poes, ze spint een andere taal. Ik tel de drup-pels, lepels zuurstof. Slik mijn adem in. Het regent in mijn eten, klodders nat op nat gekletst. Ook dat nog. Zakdoek leggen, betten. Klein verlet doet pijn. De droogte zit me in de keel te hoog. Ik hijg nog door.

Ik veeg de vegen weg, het is geen zicht. Haar kat zit lachend op mijn schoot. Zij slaapt of doet alsof, ik zie haar slip, een witte bil beweegt. Ik spreek niet meer, ik knipoog naar het stomme beest. Ze likt de resten room, haar snor gaat trillen van genot. Ik pak haar mager vel, vertel haar niks, ze schrikt van mijn ge-zicht. Ik ben de blanke man die bleek hangt in de living, die verblind is door de mist van kerstmis: piek die prikt. Wadist, ze kwispelt met haar staart. Dadist.

Ik mis haar even hevig, lees ik in gedachten op de teletekst die speelt. De kat springt op haar blote be-nen, tikt een poot, en wandelt door. Besluipt haar zo-gezegde dromen, kruipt zich vast en zuigt. Of doet precies alsof (zoals zij eerder deed), ze krabt een borst, dan alle twee, ze springt wat heen en weer, ze veert. Ik kijk tevreden op, zij leeft. Wij zijn een trio in beweging, inclusief een beest. Ik streel en ik verveel, ik zet de televisie af en aan. Het testbeeld zit me na.

Zij gaat te water in haar bad. De naakte kat zit naast mij in de kamer. Wachten maar (zegt vader). Avond valt, de nacht staat klaar. Ik praat wat in mezelf. Het dier verstaat opeens mijn taal en stapt een teken verder, volgt het pad langs waar de kleren liggen: uitgelegd. Ik tel een trui, een kous, een tepelhouder en een huilbui vol met water dat het koude jaar ver-klaart. Ik ben de dader, geen verrader. Laat me maar voortaan. De aarde is een raar bestaan. Ik ga zodra.

22:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: poes, roomsoep, spinnen |  Facebook |

30-12-07

wie de bel luidt met geweld, die huilt

Om vier uur werd ik uit mijn bed gebeld. Een scherpe ochtend in de late nacht. Een eenzaam hart was stie-pelzat of had weer aan wat poeders met een pil ge-zeten. Ik verschoof en snoof de slaap weg door mijn vage kop. Ik had dat drukkend mens bijna de aan-dacht afgerukt, een huid voluit malheur gescholden. Klop erop, ik plet haar doordringvingers op de inkom-deur. Een slopersdreun die vanuit de hall omhoog ge-spoten kwam. Ik pakte hard de parlofoon en smakte al een antwoord op een vraag die lager in etages zat.

Het was Madame von Porsche in kerstpakket. Haar verrassingslichaam was het aanbod voor mijn pyama. Een dwaasheid want ik draag geen nachtkleed op de maat van mietjesminnaars in debiele cinema’s. Wat weet zij veel met haar theater en haar aanverwante tralala. Haar stem klonk lalbestendig, steeds een da-me in de marge, overdag een mooie feeks, bij nacht een ordinaire del. Zij wou mij onderhouden, haar Armani-jeans ontvouwen en een gooi doen naar de nukken van geluk. Zich bloot ontplooien in de slip-stream, zonder strik of string. Een Gucci-bril ver-schikken bij het navertellen van de jeuk aan haar sjartellen. Einde van voorspelling. Wou ze neuken, leuk voor haar. Ik schrik van niets of niemand meer, een vrouw kan aan mijn lakens raken, maar ik blijf mijn klamme dekens trouw. Er was geen houden aan de nachtbel en de lachebek. Haar bekken rekte zich, haar blikken zaten in de lift. Een schel gejengel van een jingle die bestemming mist. Ik klopte driemaal af, zij beukte door. Mijn deur begaf geen kier. Ik gaf geen zier om haar, ik werd niet opgefokt. Ik vloekte fuck you godverdoeme, zatte upper-trut, gij totenbel.

Wat een dronken deerne smeken kan. Haar man lag ver van huis in bed, hij snurkte als een lul. Ik was een thuisverpleger buiten dienst, een oudgediende in de liefde. Ik liet (zoiets als) erotiek zijn gangen gaan op straat. Daar stond zij even later na te snikken (zag ik als een hoge dief op mijn balkon). Haar fonkelborsten schokten in haar kerstjas en haar schoenen stampten chique een tegel uit de stoep. Zonde van dat lijf dat om genoegen vroeg. De zwoelte had genoeg fatsoen.

Ik ben geen gigolo, de klad zit in de job, mijn kop is jaren stuk, failliet van lang verdriet. Zo heb ik toch iets bijgeleerd, ik ben de slimste van de passieklas. Ik red me praktisch wel. Ambras weegt zoveel zwaarder dan een opgevogeld zwaard: dat ik heden uit de schede van de dame met de lange tenen laat. Haar wagen was verlegen voor haar onbereden lichaam dat kwam neergezegen. De Porsche gaf geen gensters, vonkte niet, hij stonk naar langzaam gas. Hij protesteerde tegen plotse kilte, bood zijn weerstand tegen al wat vast gevroren was. De motor leek acuut gebroken. Aan het stuur twee handen vol met opgeklopte dia-manten, stenen van de leegte die de nacht inreden.

Wist ik beter, veelvraat van gedeeld verleden. Ach, ik mag haar ondanks alles wel. Ze is een duurzaam sterfgeval. Een afgestane erfenis. Ellendig duur. Ze richt ravages aan, ze is een bende op zichzelf, een rotverwende die zich tot mij keert. Ik wend mij sneller af, ik wentel verder, want wie ben ik anders dan een sneeuwman die geen smeltpunt kent. Ik word zoveel vetter in mijn winterpels. Nog eeuwen stil tevree te gaan. Wat sneu voor haar, ik adem opgelucht. Zo lui en laf, huilt zij. Adieu gedaan, gelukkig jaar Aimée.

19:33 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: porsche, aimee, armani, gucci |  Facebook |

27-12-07

de langste slaap is niet de laatste daad

Je lag te slapen, diep bewogen, met je handen die je vingers telden. Alsof een uur van sterven nader was gekomen en jij, secuur als steeds, de zekerheid ver-kende van iets mee te nemen. Om te kunnen spreken in je onrust die geduld en kommer was: om ons te laten lezen met een laatste teken, als je ogen zouden breken, ons te prevelen dat het goed geweest was, niet genoeg voor ons. Je was een wonder van bele-ving in de stonde die ons zegde: stom dat dit kan stoppen, zomaar zonder kloppen niet meer willen storen, maar met witte schroom verlegen rond het bleke hoofd de as verleggen van een lijf dat niet kan blijven. Maar van ziel beklijft, de nacht doorklieft, wij dromen deze liefde niet. Een winterstroom gaat mal-ser liggen in de open zee, een warme golf begeeft. Nog even jaagt de wind het water op, weerstreeft. 

Wij zwegen en wij keken. En we vroegen om verge-ving. Geen beweging gaf je, slechts wat stilte in je hart bewoog en kroop misschien nog tien seconden voort. Het laatste leven sloot zich in de achterkamer van je ogen. Mededogen was het eerste woord waar wij aan dachten. Onze dank aan jou, wat flauw van ons. Wat zegt een nagelaten mens? Hij wenst zichzelf het beste verder. Zonder hem ontbrandt de hel. Hoe kan dat nu en wordt het later alsmaar triester, droe-ver dan daarstraks, de nacht nog naakter dan de kou vanavond? Alle kilte zakt, een kist wacht op een graf. Dit is om te lachen. Ongenadig overhoop, een krop, een knoop, een hopeloos gesmoorde grap, de on-macht van de woorden. Mag ik harder praten, vader, wie brengt morgen raad? Mijn stem raakt klem in vers verleden, ik beween mezelf rebels. Ik wil niet van jouw sterven weten. Hemel, werk dit tegen. Help die god een hand om te vergeten. Deze man blijft onze held. Om niet te rijmen met een tegenwoordig over-lijden. Ijlte overal, zijn blik die brak. Ook tranen die zichzelf vertaalden, die wat stamelden op een wang.

Wij stonden en wij hoorden reeds je korte adem die vertrok. Een hart dat knakte en in tweeën brak, een deel om weg te geven, om mee door te gaan: om ons te laten leven. En een ander deel om in te wonen met je ziel die over ons de wake hield. Je was een vake inval voor verdriet, voor laffe ziekte die ons griefde na de liefdes. En voor nieuwe grillen waar je ons niet zwaar aan tilde. Je was een man die wilde dat de zomer altijd mode werd. Zo wenkt dit witte bed, je knikt inwendig met je blik. We bidden niet, dat helpt.

Je ziet ons binnenin. Je waakt zoals een vader die zijn dode kind verlaat, hij verdwijnt en zoekt zichzelf voor-taan. Hij raapt de hemel samen op de aarde. Opdat geen dag bezwijken zal nadat een lichaam zakte in de nacht. Je houdt jezelve recht, je bent een engel die kan fietsen, die nog fitter is dan dood versnellen kan. Geweldig schone man, je rent voorbij het einde en je blijft een wijle in het grensgebied. Je rekt de eeuwig-heid, je bent een randgeval dat alle angsten over-leeft. Je sterft niet in gedachten, niet bij deze. Gene is geweest, geeneen beweert het tegendeel. Een ster-ke geest keert altijd weer. Tot ziens meneer André.

11:35 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wederkeer, overleden, andre dc |  Facebook |

24-12-07

de trein verloor de sporen van zijn brein

De trein der traagheid had vertraging. Toe maar zaag-mans, noem je onvermelde bronnen. Pleonasmes van jewelste. Tot zoverre mijn voorspelbaarheid. Rails en wissels liggen van gesakker lang niet wakker. Een ge-leefd kwartier is dode stof, geen materie in het licht van eeuwigheid. Ik werd er nogal simpel filosofisch van in Brussel-Zuid. Plots geschiedt een stroom ge-rechtigheid, de trein reed plechtig voor. Onverstoor-baar, tragisch in de daver van slow motion. Een ge-voel voor drama draagt zo’n mastodont onwillig mee. Er kleeft vaak overmoed en macho-onvermogen aan, ook fallistiek en valse penetratiekracht. Zelfs bloed met spatten van het pletwalsrad. Ik denk wat af als reismens die zich staat te tergen, ik ben een helse pendelaar, een blote nerf. We zitten ondertussen onder dak te knussen, knikkebollend tot in Brussel-Noord. Waar het volgend onheil wordt verkondigd. Motor af omwille van een dropping uit de hemel. Een mix van twintig engelen moet aan boord gehesen, inclusief de elfjes onder hen, dat is niet niks. Ze zitten op een wolk die in de file van de nevels hangt. Zoveel zenuwstelsels later komt het volkje aangeslobberd, scouts en punks waarvan de meesten net nog nuch-ter zijn. De vader door mijn aders is vlug opgelicht.

De sliert wagons laat stoom af, zet zich in een ruk op weg naar rust en leve Leuven. Het glaciale huis ver-wacht ons aan zijn waterhaven. Want er staat een kerststal met lawaai in vuur en vlam. Plots verslikt de voortgang zich. De trein raakt blijkbaar van het goeie spoor. Het ijzerwerk staat stil. Iets krijst. Het donker schrikt van onze blik en loeit. Wat stom, een weiland tussen Haren en de overkant, het oosten is een on-bereikbaar eiland. Hondervijftig wijzen worden gij-zelaars, wij zijn verpakt met onze ijle pakjes, opge-sloten reizigers, zonder geil en schuw van onschuld. (Hoor geweeklaag in ons koor). Wij zijn leeg en twee uur onderweg, de kilometers plakken als een slak die achteruit kruipt. Een verbleekte hoofdklak komt ons smeken om te bidden voor een aflaat, hij belooft ons kering naar de oorsprong. Leuven is een ophaalbrug te ver, ons huis is plots geen bed waar Stella slaapt: een warme plek voor buurman Jaak. Dag kameraad, genaak haar flanken en je hangt. Hier komt heisa, bijna opstand van. De punkers kerven dronken rellen in de zetels, zitten stoned naast dode scouts, zo lijkt het toch, de meesten overleven op een masker van verbetenheid. Twee zatte maskes amuseren zich een beet, ze memoreren welig aan Aurore uit Welkenraedt en hete Amélie uit Luik, ze spelen languit met hun medematen. Zij tevreden, wij verbijten leed en leden.

Drie uur later na het startschot staan wij aan de meet gebold, dit was een salto achterwaarts, de nacht komt niet meer bij van onzin en van onmacht. Ik ver-zin een taxi, met mijn ondank aan de hoofdklak. Dit is overdaad, de poorten blijven dicht, de trein wordt niet ontsloten. Godverdorie, tiert het stilstaand volk, wij willen adem halen, drank en vreten slikken. Vogelen met een pik en vissen vangen, prakken brood verme-nigvuldigen in de schoot voor opkomst van het nage-slacht. Iemand moet de vroegmis dienen. Wierook smeren, wraak en vrede genereren. Bidden om een trein te deblokkeren. In het railend heden. Heer, ver-geef ons deze ketter, wij gaan radeloos te keer. Wij breken ketens, een alarm ketst af op mijn geweten, ik raak klakmans in zijn eer. Dit is een overval, wij kra-ken hier een nooduitgang. Wij ontberen elke eerbied, hebben lak aan regels en verzegeling. Wij zijn met hondervijftig net geen dode zielen, wij gaan scoren. Vijf uur in de ochtend, vijf uur onderweg en vijf uur sterven. Geen excuses, ook geen ruzies meer. Ge-woon het recht in eigen hart, de handen vol geschen-ken verse vrijheid. Wij zijn mensen die vannacht op beesten lijken, dieren die veredeld strijden om ge-lijkheid. Wij zijn een leger dat op vensters van de vrede klopt, wij geven gas aan onze genen, wij zijn gensters van beweging. Brussel mag dit godverdekke weten, inclusief de heren van de termen in het mini-sterie. Onze kloten waren stijf bevroren van ellende in het sporen. We waren rapper met een boot bewogen achteraf. Snel op vaart naar Stella en de weke kerst-stal in zijn wiek gepakt, een harde piek gespaard en hanig opgezet. Hadden we eerder dit verdriet gewe-ten, dan hadden we kladden, handen vol verlangen meegenomen. Daarna balen, hopen, halmen stro ont-stoken. En dat glazen huis doen smoren en doorbran-den. Van de liefde om weer thuis te komen. Zalig toch.

12:03 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (1) | Tags: engelen, elfjes, glazen huis |  Facebook |

20-12-07

voor kerst op tafel in een stripverhaal

Flo had ons beloofd om straks te strippen. We kennen haar meedogenloos frivool, als schuwe bolster, blon-de pit. Op kracht van zachte kern, een kermgeval. En Do zat hitsig op de wip. Het was weer partytime van-daag. Het werk werd aan de kant gezet. De meisjes vlamden door, ze lonkten met een geile giechel en ze blonken spiegeltjes aan de wand. Een flits, een split, een salto in het voorspel. Wie kan wat voorspellen? Flo maakt graag een geintje in haar korte rok. Ze lijkt een topje in haar nopjes. Wat la Do doet, is verbaal een snok, een emoreel verhaal voor al wie naar haar loezen piept. Ze ziet de steelse blikken naar haar tepels (aan haar ronde pegels) en ze klept ze handig weg. Wie met haar kletsen wil, die klepelt, maar niet op haar boezem of haar billen. Zo niet dolle Flo, ze showt ons opgetogen het verlengde van haar vranke benen. Waar koopt die haar kleren, vraagt de direc-teur, een ouwe kerel van haast vier en vijftig. Spijt verkleurt zijn stem, hij lijdt aan hinderlijke rem op zijn geheugen. Lijkt een kind zoals hij Do begeert. En Flo negeert. Wat losse flodders ledigt, zijn prostaat is lenig voor de jaren. Geef hem heden veel geneugte, deernes. Excuseer mij dat ik heenga, niet uit schaam-te om het misbaar dat op tafels dansen zal. De rokken en de afval krijgen al mijn bijval. Maar ik zak eens door naar down to earth, het wasvat hapert in mijn flat. Ik heb met ome Harry afgesproken. Hij is de kant- en klare sleutelaar, de man met tandenstokers in zijn opgerookte vingers. Hij laat mijn zieke wasmachien een smartlap zingen. Wishfull thinking. Nonkel Rik laat op zich wachten. In gedachten zie ik boter smelten op ons Flo, ze ligt verborgen afgestript en kronkelt door naar Do. De party escaleert in feest van bange gang-en. Gangsters zijn collega’s overal. Ik repareer een spoelknop in de verte, zit hier zwoel te zwieren. Voel mijn knoken en mijn spieren van mizerie dat ik zonder zwengel viel. Ellende in het kruis, mijn kruid verschiet zich niet. Ik wik en weeg de hete graden tussen dertig-veertig, zet op vette zestig. Klop eens op de wakke zeepbak, schop het zaad eruit. Hun buik gaat huilen van verlangen, ik besluit dat ik kom droog te staan. De bluts met buil balorig en wanhopig. Flo gaat dood, ze stoot op bodems van genot. Ze spreidt haar armen naar mijn warmte die afwezig blijft. Ik ben af-lijvig in mijn geest bedrijvig, virtueel aanwezig in een tweede leven. Do wast mij de oren met haar sop in second live, ze leest de specie in mijn space. Het wasvat bromt zich op, de motor van mijn blote kleren ronkt. Ik monkel als avatar voort met ome Harry, zon-der weet van deze wereld en zijn zondig feest. Ik vreet mijn afgestorven kas op, smakelijk een lijk. Die Vanco gaat verdwijnen, Marlon rijst weer op. Hij blijft en schrijft (voor niemand anders dan) voor ik en gij.

20:49 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: avatar, second live, space, specie |  Facebook |

16-12-07

het kan verkeren met een winterheer

Keikoud en helder, de hemel staat staalblauw te kij-ken op de aarde die beneden leeft. Nog steeds, wij geven ons niet op. Aanwezig als de wilde beesten. Sterven is de pech van anderen. Wij zijn echt wel anders, strevers naar goed eten en geregeld geld voor heel ons ego. Onze eega mag het weten dat wij mediteren over volk en soortgenoten, sores rond de kop. Zoals met tante Bé die heden stoned is, in haar badjas woont, haar fantasie verschoont. Ze drinkt niet meer zoveel, ze compenseert met rook. Ze zweeft in kringen om haar hoofd en zet verkeerde koffie, giet jenever in de thee, gaat over boord, raakt kant noch wal, ze zwalpt wat af. Ik steek mijn kop eens in haar afwasbak, verzet gedachten op een bord. Ik schiet alweer te kort, ze lacht hysterisch.

Ik stap op, de trap gaat aan de haal met elke trede,
ik vergeet dat ik te vlug ben voor een klein begrip.
De stad ontvangt mijn snelle pas met open armen,
ik noteer de wintergangen en bega dezelfde bange flaters, zie de taterkramen van de zaterdag. Ik ben een dronken woordkramer. Verzameling van taal in opspraak. Ik geraak niet voort, de massa is een boot die tegenstoot. De mensen zwemmen in hun pakjes naar het kerstgeluk. En lullen veel. Het weer zit mee, de regen niet. De lucht is droog gemolken, donder op Al Gore, wij zijn verbonden met klimaat en zeden. Alle wolken zijn tevreden met het drijven van de mensen. Denk ik met wat twijfel aan mezelf. De deining dat dit inzicht geeft. Nochtans, het is perfect de tijd voor har-de vrede. Leg het haar maar uit.

Ik ruim haar puin niet op. Ik trek haar lingerie niet aan haar blanke vel, ik blijf met al mijn fikken van haar blote blikken af. Ze staat in brand, ze vonkt, ik heb geen water in mijn mond. Soms zit haar verstand verstopt, dan denkt ze met haar kont. Ik ben begot geen gatlikker. Mijn gsm begeeft weer onder haar gewicht. Ik draai de knoppen om, het licht gaat uit, ik zie haar buiten lopen. Langs de straten spoken en hoe mooi ze desondanks kan zijn. In haar onbewaakt en naakt gewaad. Ik ben de kwaadste niet, dat zegt ze simpel als een kind, ze kent geen woord voor kommer om een vrouw die implodeert. Ze stelt mijn vriendschap in de vraag terwijl ik haar verpleeg. Dat tracht ze op te vangen met een vracht aan drank. En gras dat in haar tabak zit gerold.

Ze krijgt de zegen in het hooi: van hasj en van de zwarte heer die haar soigneert. Hij is een strohalm in de nacht, hij inhaleert haar keer op keer. Zij teert de roes op hem. Ik slaap terwijl ik woel en al haar woede hunkert. Ik ervaar een miss-tevreden die de junkie speelt, mijn hele eenzaamheid begeert. En wakker claimt. Ik reclameer nog steeds. Ik wandel in een droom van onbekoring, koning van mijn afgebakend land. Ik ben de grage eenzaat in het spel. Gezelschap is geen plaag, ik leg een andere dame in mijn bed. Met vlagen van zelfstandigheid. De lakens lachen nuchter en ik ruk de dekens af met haar.

20:09 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hooi, joint, hasj |  Facebook |

12-12-07

afrikaanse maat van drank en naakt

Ik dacht die mens is dood. Het was een tamme scha-duw op de grond, het lichaam gaf geen licht of teken. Ik stond stom te kijken, dit leek een lijk dat net nog in het echte leven lelijk was geweest, misschien de liefde had bedreven, elementen warm gewreven. Moederziel alleen, of was de droefheid met zijn twee beleefd? De living gaf geen kick. Ik stapte het niet af, te bang om langer te bewegen. Blote ogen zag ik, naakt zijn spillenbenen, zwarte stelten, steeltjes haast. Een deken was als sneeuw geweven over vastgevroren knoken. Ik herkende in het donker A. , een doorsnee-neger uit de achtersteeg. Hij lag ge-knakt en dwarsgebroken naast het Gordon bier. De flesjes snakten naar zijn adem. Gans de tafel was beschonken, ook de dronken Duvel danste mee, ik telde glazen tussen twaalf en twintig, ruw geschat.

Een reutel bracht wat onverwachte vreugde. Want
de zatte dageraad ontwaakte plots in A. Hij staarde stomweg op en schrok van mij, hervatte op karakter in de coma. Ik bedacht zijn ledematen, even lenig als zijn rasverstand. Te nemen of te laten. Afrikanen zijn van deze aarde om te slapen op een tapis-plein. Een weiland waar het gras de jointen spreidt, de kelken van de bloemen sproeit met alcohol. Wij zijn witte boeren, broeders van de negrofielen. Door dezelfde god als grap geschapen, zij wat meer van speer en wij wat minder wild. Hij gaat vanzelf van bil met B.

Zij zat na te beven in de kamer, door te dromen in het leven, in de zetel neer te liggen, zag ik nu. Ik citeer haar naaktheid als een laken dat de nacht gedragen heeft. Ze lacht verlegen (en verspreekt zich bleek).
Ik dek haar leden af, zij werkt niet mee, gaat bloter staan. Ze toont me al haar wonden, het verhaal van wat ze samen dronken, harder klonken op wat waar verzonnen was. Dit is een fabel en parabel, lieve B.
Je bent een zombie, bijna uitgehold en afgeleefd, je kansen zijn de wensen van de mannen, blond of zwart. Ik pas je op, maar trap niet op mijn hart, ik spaar het voor een ander. Ik wil deze ochtend voor je plukken, maar geen nukken oogsten morgen. Al het zaad is opgespaard, jij moet je kater met een neger delen, mijn respect voor A. Hij tolereert je sneren en de regen. Hij verkent de verse sneeuw. Jij was van-nacht zijn hete evenaar, hij spoot je op omhoog en daalde langs je dijen af, je werd zijn evennaaste in het natte vel: je greep op geil. Reeds later grijpt het lijden door, dezelfde tijden breken aan. De dag klimt in getouw, het kind wordt wakker in de vrouw. Een Afrikaan verlaat het huis voor open ruimte. Hij woont in de verte op het vlakke, aan de horizon. Zijn lach verwarmt de zon. Je villa met jacuzzi is een speeltuin voor zijn blote huid. Dat weet je, beste B. Je bent een bruid die
al zijn lusten deelt. Ik sta hier niet voor lul. Maar als ik mij verveel, dan red ik weer je tranendal.

21:36 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: naakt, afrikaan, drank |  Facebook |

09-12-07

hapje tapje, zonder grapjes overboord

Ter receptie gaan, er is op zich geen erg, geen kunst noch gunsten aan. Behalve ergernis in gedachten-gang, de ingebeelde sleep naar achterwaarts, de zijpas en de schuifel, schuw met huichelblikje. Van onwennigheid, van wat en wie wil ik hier kennen, zonder afgang voor een vraag. Ik wil behagen zonder blaam. De eerste spetterpartner, uiteraard een man, zet zich aan het zagen. Over huizen zelf tot thuis verbouwen. Ik help slepend met het sjouwen. Tors en mors wat woorden af. Er is geen tegenhouden aan, hij speekselt van extase, een doe-het-zelver in de zelfbevestiging. Beaam ik hem in tekst en taal. Hij is de kwaadste niet, ik ben het bijna. Al mijn tijd is op, de schaal met chips gaat weer aan mij voorbij, ik drink hier kelken leeg, ik lees de rimpels in de plastic be-kers, slik wat drap van plat en bubbels, zie de visjes dubbel in mijn sap. Ik vind de situatie claustro-sur-reëel, het lokaal benauwt als een bokaal.

Mijn kop loopt af en Beatrice komt op. Zij is verschij-ning in het ijle, engel en bewaarder van mijn eigen-waan. Ze vraagt me hoe het gaat en of ik nijg en pal in drank met hapjes sta. Ze is de borrelnoot met blonde pit, een ongezouten mening, slank en zoveel groter dan mijn houten deelneemhoofd. Een pop met ballen aan haar bollen. Ik kijk bang en pijnlijk op, mijn adem stijgt omhoog naar haar, ik ruik de krullen in haar ogen (die van lokken afgesprokkeld komen). Om mijn woordenstroom met horten lacht zij niet of nau-welijks, ook mijn stotter laat haar koud, zij kent geen schroom. Zij trekt de kuiltjes in haar kaken open tot een stout icoon. Zij pruilt naar mij, ik hoor haar rode perzikmond. Zij spreekt met malse watertanden: van verlangen in het leven, heel de menigte verbleekt rond haar. En wentelt rond haar lenden. Hinde en gazelle, zij is opgetogen mijn gezelligheid. Ik ben een kring met Beatrice, wij zijn een tweetal in de wereld van theater, cel en cirkel in de tater om ons heen. Zij wipt op elke bips en springt plots verder weg. Voorbij mijn ego. Sneller dan het licht de lucht verplaatst. Of omgekeerd in evenredigheid. Ik ben opeens alleen en denk mezelf een kelderend subject. Van interesse in ontreddering. Ik hoor de kaders rechts en links, het kirren van directiekinderen, alles praat met iedereen, ik ben een eiland zonder secretaris. In het water van dit drijfkantoor verblijf ik op mijn zwalpje, vlot van talmen, trappen op de golven, handen scheppen vol met bellen zuurstof voor nog minder dan minuten. Kopje onder, geen gedoe en geen gedonder, in den duik ben ik mijn redder in de nood. Terwijl ik naar de uitgang zwem en zwadder, zwelt hun naklap op, ik krijg nog woorden naar mijn kop. Het laatste loodje weegt geen halve pond maar lood gewoon. Ik zink van boord, in scha en schande om mijn ganse adem-nood. Ik heb geen Beatrice gehoord, wat was er mis met haar? Ik sla een slecht figuur, ik ben een blinde muur die klank weerkaatst. Een meisje wordt een vrouw, zij nipt aan ijs dat plat gaat, glad ligt in het glas. De smeltperiode is een episode waar de massa snel bezinkt. Ik drink niet mee met hen. Ik ben een hele scheve schaats, ik blijf mijn schaamte trouw. De daver galmt en gaat zijn gang door het gebouw.
 

13:46 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: beatrice, chips, episode, smeltperiode |  Facebook |

05-12-07

het winterlicht gaat liggen in het kind

De wind op woensdag wil iets zeggen. Echo zie ik aan mijn venster dat een raam is op de wolken: panorama om op de vlagen weg te vliegen. Ik zit klaar, ik staar paraat en stil. In stand by van mijn bestaan. Wat valt er nog te praten? Alles is verteld, al wat vermeld mag worden. Rest een kantje nagedachten, boordje over-schot van hoe ze mij aan boord wil leggen. Als ze denkt dat ik de laatste man ben op de wereld, zal ze om mij geven. Het gesprek vond plaats terwijl ze met haar kont op tafel zat, ik kan de sporen detecteren. Hete strepen ongeduld en glad de afgrond langs. Of had ik beter moeten weten? Achteraf was dat me om het even. Ze wil ook nooit eens wat, maar altijd strijkt ze plooien nat. Ze rijmt op alles wat mij vastplakt, heel haar taal is what you see is what you get. Maar spreek haar van geen bed, tenzij om bij te slapen van de lege dagen, op verhaal te komen, van kantoor een droom te malen die orgasmes scoort. Ook sores olala.

En hoe (alsof) ik haar benaderen moet, het is geen doetje. Lievemoederen helpt geen halve zier, haar ziel zit onder vol bewolkte cup. Zo dik en dubbel E & E bedekt. Geen denken aan wat simpele seks. Het vlees is weelde en begeerte, ik de eerste om te eten als ze ooit haar tafel dekt. Geen wik en wegen aan: verhaalt ze deze anekdote van het onvermogen. Ik vertel haar verder, groot mijn ogen op haar tepelhoven. Een pla-teau om zwoelig op te wonen. Doe ons schoon pla-tonisch een genoegen, vraag ik aan de wereld van het werk. De baas heeft oren om zijn onderdanen sterk te maken, hij spreekt taken van versterving in.

Dat zit ik voor mijn ogenblik naar buiten uit staren. Geen gebaren of gedachten die mij op haar golven zorgen baren, zij is deining in het reine met zichzelf en mij. Tot blijdschap van de goden en de wind, ik zit mijn dagen achter glas. De winter komt met licht dat langer schijnt, zij lacht al later, blijft nog wat. De glans van blijdschap en geen handen aan ons lijf. Wij zijn de nieuwe zedigheid, geheel onevenredig met de dieren, wij zijn meesters van de zelfbeheersing. Of zij soms zichzelf bevredigt, vraag ik aan de storm die plots komt kloppen, bonken geeft op mijn balkon. Verwondering, ik ben een zonde die niet zonder kan, wat gaat haar lichaam in genot mijn kommer aan? Ik kwel niet langer deze regendag, ik leg mijn hart te week naast overlast van kleren die zij draagt. Zij is een lichaam dat mij tegenlacht, mij stevig wederkeert. Zij raakt de man in mij niet aan, zij streeft op afstand van een haak in mijn verstand, een anker langs de wijsheidstand. Ik dicht haar naderbij, ik wijs de ader van het zaad de weg: het pad naar de woestijn. Ik aanvaard de maagd in haar, het water in oasezand.

20:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (2) | Tags: winterlicht, kind, wind |  Facebook |

02-12-07

het kan verkeren in het leven, ik vergeet

Sarah dacht ik, da’s een makkie. Ik ga in daden aan de slag en pak haar. Oeps, ik floepte. Eénmaal, tweemaal, andermaal amaai. Ik klop er telkens naast en leg gebelgd de laptop weg. De slapte lacht, ik klap het deksel dicht. Er is omzeggens geen beschrijven aan. Ik vind voor haar geen stijl, ik grijp naast elke ader van verklaring. Stijf staat gans mijn onvertaalde lijf, ik heb het raden naar dit falen. Het wordt somber, ik verdroef vanavond. Ik ben moe en donker in mijn mond. Het godverdomt begot. Het woord bekoort niet, brombeert door mijn kop. Te stom voor taal of teken. Ergens ketst een vonk in mijn spelonk. De teksten dralen. Ik vermaan me en hervat weer als een man. Begeer haar, leg me teder neer bij de pc, ik tik een zin voor toege-ving: omdat ik Sarah niet bemin is mijn begin. Ik tast aan haar contouren, spreek bonjour toujours, pour mon amour. Ik vind helaas geen opening. Ik voel me als Leterme, held van Vlaanderen in zijn achterland. Die mensen missen elk charisma. Ik word pissig van een volkse prinses uit de naaste winkel. Elke aanslag is een miskoop in de Spar. Er is gewoon geen houden van, geen vatten aan. En nochtans blinkt ze simpel (blingbling) aan de kassa. Sarah is mij graag genegen, leest mijn mantra van behagen. Ik was voor haar gepland geweest van-daag. Nadat ze alles afgelezen had. Aangaande wat hier schoon geschreven staat. Daarna met haar in bad misschien. Ach wat, het water is te diep voor warm verdriet.


Ze is oneven, wicht van negentien en vers ver-jaard, vandaar dat ik theater speel. Toneel acteer, ik optater tralala. Ik ben de zelfverklaarde draver in het overdrijven. Zeer beklijvend voor mezelf en zonder twijfel in de averij. De schade spreekt van schande in de schede. Sarah is een meisje dat ver-kleint, dat mannen aanzet tot bescheiden razernij. Ze had het met mij aangelegd in een verlengd ver-leiden, haar geheim gebed. Ik moest het zwijgen, pijn verbijten. Desnoods tot venijnen in mijn staart. Ik brei er draden aan, van ijzer en van staal. Mijn stem zit klem. Ze heeft me afgesteld, een nestel rond mijn keel. Ik zing niet meer, ik kerm en kweel, ik denk: ben ik besneden in de pezen van mijn poëzie, mijn weke onderdelen afgebeten? Sarah, geef hier klaarheid, praat de waarheid naar mij weer. Ik wou hier triomferen, heel je gevel tapis-seren, weetjewel. Dit is geen spel om met een man te spelen die je vader enzovoort etecetera. Geneer je, repelsteeltje, heel je leeftijd spreekt je tegen. Ambeteer mij niet. Ik ben een kerel die de rekening vergeet. Die piekt en paradeert, je billen omkeert bij je grillen en je witte reet. Ik wil geen steekspel genereren. Ik ga voortaan naar de overkant, daar heerst de rust. Ik koop mijn spullen morgen met succes in de Express GB. Een plek voor lullen die hun lid verhullen. In de klare taal van laffe man. Dat denk ik dan, so what zomaar. Voor Sarah: leg je glimlach sober naast je libido, lik liever aan de gratis tandpasta. Bedankt voor al je aandacht. Dag

13:53 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: glimlach, sarah, spar, tandpasta |  Facebook |

28-11-07

ze komt te vlug en is terug vertrokken

Van haar benen ben ik altijd afgebleven. Om van de rest maar niet te spreken. Wel oplettend en intens gekeken. Daar had ze niks op tegen. Integendeel, no way, dacht ik. Ze zag always hetgeen ik placht te menen en te fantaseren: terwijl ik onder andere al haar maten mat. Haar intellect was heavy sexy, mijn intenties mateloos. We waren opgerekt geco-relleerd. Zo stond dat onlangs in de Flair beschre-ven. Als een handicap, zoals verwantschap van het hart. Een koppel dat zich zowat aantrekt op kan-toor. Correct van imperfectie, onbevlekt ontweken. Zonder haren in de boter, sober met een bodem in de woorden.

Laat mij vierkant overkomen, maar ik heb geen hand gestoten aan haar hart (ik stort nog liever in), ik ben van haar inwendigheid een onverkenner, al mijn verre pootjes af en kopje onder voor de donder kwam. Zoals het hoort en ook geschreven staat. Zie en lees de tien geboden, nietwaar Nicol-leta, afgelijnd model. Uw haren spraken Italiaans gelijk uw warme vel. Ik lag graag wakker van uw lichaam, smaakte ziel en aanverwanten: uw fysiek gerief. De witte nachten waren vaak in ademnood. Ik vermaakte slapeloos de mankementen in mijn taal, om maar te zeggen: jij was ongenaakbaar open bloot. Ik raakte hoogstens aan uw billen met mijn oogverblinding. Wilde borsten opgetepeld, ik verzon ze. Edele delen die gestreeld in beeld ge-houwen werden door een trouwe meester. Weet ik strict intiem. Hij heet uw man en draagt zijn han-den vol materie, smeert met liefdesspecie lang en slank uw leden in. Ik ben geen kunstenaar, ik mets en imiteer met flarden tekst. Ik hark afgunstig naar uw schaduw. Gun mij deze waan van zinnen eer wij verder gaan. Het is dus over morgen. Helemaal ge-daan. Dit is geen wartaal, Nicoletta. Stel het ver-der wel. Ik draag je koffers traag en bel de taxi van verdriet. Verschiet niet als ik wit word, hees en heet van streek. Het pakt me reeds op voorhand bij mijn keel, ik heb aan jouw vertrek geen schuld. Geen bult met eelt op mijn geweten.

Schaamte overheerst, de weelde van het leed. Ik baad en week in eigenwaan, omdat je mij verlaat. Je rechte weg naar werkgeluk. Ik lul en stamel uit verband, ik baal. Je tranen zijn een blanke baan. Ik streel de wind nog in de vlucht terwijl je rug mijn flank verkent. De lucht kermt plotseling, wordt dof. Het onweer gromt en roffelt. Rolt weer verder weg. De goden leggen hun geboden neer: ik lees van zes tot negen, reken op een zekerheid, de wijsheid van de bijbel. Rest de eerste twijfel, hijgt en krijst af-wezigheid, de lege lijn van heel je strakke lijf. Het langgerekte teken dat in stippen vager stapt, het nat van lippen achterlaat. Je wezen is verleden reeds, je wordt beweend met verse regen, heel de aarde beeft en vreet ellende, ik mijn deel. Maar wat geweest is, was een feestballet. Het heden daar-entegen wordt een harde beet, een eenzaam beest. De liefde is verlegen voor ons twee.

18:43 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: beeldhouwer, model, liefdesspecie |  Facebook |

25-11-07

het drama van de grens te bed gelegd

Wie heeft een uitleg voor een uitlekbekken? Het staat er letterlijk op een bord gezet en neerge-plant. Ik lees in geen verdwazing geen verklaring. Dit zijn uitgesproken tekens, dit is surreëel en Bel-gisch. Op een schaal van evenwicht. Ik aarzel in dit niemandsland. Een raakvlak tussen Vlaanderen en de Walen. Ik ben nergens overal te gast. Een op-losvlek, een wolkenmens. Kent iemand een ver-klaring voor het raadsel van de zaadvang? Het kan ook zandvang zijn, de tweede a was vaag gespo-ten. Ik loop er langs, vertaal de woorden in de waarden van een lege vlakte. Water staat hec-taren stil, geen rimpeling langs het taalverschil. Geen kloof, geen aarzeling. En vatbaar voor het bos en losse bladeren. Er draven dampen achter sommige paarden. Op een warme rug zit daverend Daphne. Ze komt uit Rixensart, ze heeft de zones van het woud vergalopeerd, de grens met gratie afgelegd, de rand vertrappeld. Ik vetraag en vraag comment ça va? Ze lacht en gaat in draf. De spo-ren in de bodem graven goedendag. De groeten enzovoort tot in Jodoigne, we zien elkaar nog wel in Geldenaken. Of bij Hildelief in Tirlemont, ze woont in Tienen liever. Meisjes zijn belles filles, rillend vrouwen, op zijn Belgisch klaar om bij te slapen.
Ik wil houden van en open vouwen. Of voorzichtig splitsen zonder scheiding, heiden zijn en held van Belgenland. My kingdom voor een worst, de borsten bij de ballen van de vorst. Ceci n’est pas ma pipe, bonjour Magritte. Dag Brel naast Hugo Claus. De noordzeewind, het Meerdaalwoud, Oud-Heverlee op snee van volk en vrede. Ik verleg mijn grenzen, jog tevreden langs de wegen van Hamme-Mille en zie de kilometers die me resten tot in Beauvechain: welkom bienvenu in Bevekom. Wie heeft last van nabuurschap, wie plaatst hier vreemde termen? Tonton Yves, ontferm u over ons. Of sterf in mon-kel van ellende. Separeer in as.

De nevel hangt weer breed, de was van mensen ligt te drogen op het veld van stroverlangen. Ik noteer symbolen van het bekken en van zaad of zand in nergensland. Ik stort mij op het strand van bomen die absurd vertakken tot in dromen, raken aan de naakte vrouwen van Delvaux: ze staren naar het volk op een perron. Gependel zonder hen-del in Pécrot ofzo. Hun lippen ogen nat, vertikken om een kik te geven in een taal die triomfeert. De liefde domineert. Ik laat de dieren komen, pak de manen van de paarden, leg mij plat naast Daphne, ga van bil met Hilde. Schrijf de korte historiek van mijn geschiedenis pour la petite histoire. Bonsoir Belgique, bonjour tot morgenvroeg. Ik leg mijn bek-ken weg, verzet een baken en ga slapen. Droom van neige tot in Liège.

14:18 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: belgie, bekken, zaad |  Facebook |

21-11-07

't bordje boter smelt een toontje lager

Ik zit hier momenteel wat dikkig doorgezakt voor mijn teevee ik denk diep na in pieken over wat er voorgevallen is vandaag ik ben beschaamd ik val traag achterover met mijn kop van canapé naar zetel maar allee zegt sonja van gezonde gestapo het is maar folter in de kolder op zijn antwerps rochelen met een uitspraak-a in opgelachen taal waar ik mijn glimkuil aan bezondig voor gezelligheid nog wel dag allemaal geweldig vind ik haar verval-sing met die blonde robot in zijn idiote pak met op-gekrolde maten droog gewichtig afgestreken grap-jas heb ik hangels aan mijn achtergat gekregen veegt hij strepen naar zijn wijf bestrijkt de moord-schuur van haar mond tot perkament een hooi-muur op haar hoofd een schraal portret zij wedden voor een ton van onzin opgeplukt met volk dat klunzig blinkt op beeldcultuur ik schakel mijn ge-dachten door denk verder aan de schande over mijn persoon gekomen heden deze middag kreeg ik onverwacht visite van madam met blitse titten en met franje aan haar randen tierlantijnen aan haar zijde fijn haar flanken geen begijntje noch een non van aan de overkant daar staat een klooster heb ik eens gehoord zij weet van niks en niemendal geen schrik zij schopt haar baas een kloot af overhoop de dag kan van zijn ballen niet meer stuk de teelt is in zijn aard geraakt zij zet haar nijge billen op mijn vensterbank vol wijventongen zijn gespleten langs haar kruis van benen opgesplit geeft overspel on-nozel woord is niet ter zake daarom dat zij kwam met handen schoon devoot gevouwen in gebed een klein verpakt serviette gebak met crème-au-beurre dag bellefleur is dat voor mij begot ik word snel rood ik speel dat door mijn kop ik eet dat straks wel op zij pardonneert mij in het erospaans parleert ik kan niet meer mijn frans blokkeert voor bijzit onbe-leefd ik leef weer op vertaal een concubine zonder bustecup een kubus van fluweel om in te liggen rond het vierkant af te zonderen zingezang sirene likjes boter van mijn lippen ben ik koekiemonster ongezond ik vraag het aan mijn televisie die op krimpen sonja staat sonoor zijn draai niet in mijn ogen vindt wat piekt die kapstok met zijn trouw-kapittel grinnikmans de eerste dans met rammelaar het rinkelt van het foute goud ik denk aan haar en hoe ik oud word op dieet van trouw ik zweer ver-zaken aan de smaken van gebakken zoetigheid het bord koekt blakend klaar de wandelgang was gaar ik keek begerig beet ernaast te laat in dit verhaal mijn slaap sleept door de kamers rolt zijn matten buiten jankt een kale poes zoals een kater met castraat ik zet de radio aan de buis gaat uit om-hoog ik val in dalen vang een zachte dij glij lang-zaam weg in onbekende banen van de droom der benen zie ze open wenen in gesmolten vorm ont-waak niet meer vandaag het leven is een plaag.

17:26 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: creme-au-beurre, bellefleur |  Facebook |

17-11-07

de lusten & de lasten van de laatste rust

Ze is een geometrisch meisje, zonder hoek of snij-punt in haar kleren. Zelfs geen raakvlak aan te krijgen. Cirkel in het vierkant, diameter van oneven cijfers. Drie maal negen en zoveel keren twee. Ze is verkeerd in mijn begeerte, mist berekening. Ik rond haar danig op en af. Ik wind er zwoele doekjes over en ik tover haar bedoeling weg en weer. Zij is een halve tweeling (haar manier van spreken), veel te veel voor mij alleen. Een zogezegde moederziel, maar ziek van miserabel erotiek. Ik val haar flanken aan. Daar sta ik dan. Te hijgen zonder iets te krij-gen. Een bewijs te zijn van al wat twijfelt aan het ongerijmde. Zij is het speelveld en de weide ruimte naar de vlucht vooruit. Tot in de melkweg, zelfs een statie verder. Tussendoor een halte in de diep- en ondergang.

Verwondering bij avond en bij sombermans. Zijn woorden zijn doordronken van het dansen in zijn hoofd. De cola smaakt naar alcohol vermengd met pep. De speed spat uit een blik, ik rem het leven af en denk: héhé, ik ben er nog, de zorgen zijn weer thuis in huisje weltevree. Ik heb het in de nevel op teevee gezien. Een man zat in de krant en las een pagina. Ik dacht aan vage associaties. Zat zijn is een hete grap, haha. Ik deed een tukje in het ana-gram. Ik wist niet beter waar te liggen met mijn kop. Een plooi van mals allooi. Er valt nog door te denken aan een pornofilm met hooi. Een zolder van genot. Ik kan niet zonder deze kolder, ik verdraag geen onbehagen in mijn ballen. Rammel alles op een hoop, van zotte troost tot hopeloos in nood naar woord.
 

Ik ga niet dood. Dit is een tussenpose, rustpunt voor een jump naar hoger. Higher op de building van mijn leven, klim naar wolkenkrabben aan mijn hart en springen naar beneden. Zicht met zwier op elke kick, dat geeft nog wat te denken bij het zwe-ven. Beef ik of beleef ik een verleden? Heer, ver-berg je want ik tutoyeer de meester en de knecht. Ik zeg bezwerend mijn gebeden, dat ik lak heb aan de plichten en een laatste biecht. Ik richt mij tot de liefde en wat restjes, alsjeblief. En wie mij grief-de, arme opgeblazen ik. Mijn afgezaagd verhaal. Ik val vanzelf wel op de daken van gemak. Met pret in petto in het bed. Ik maak een pirouette in spiraal. Ik daal langs lakens, haal het deken naar mij toe, geef tekens van genoegen. Toe maar, lady, duw en doe. Ik haal uw lichaam open: van uw ogen naar de wonde. Ik verlaat gezond en moe de laatste zonde. Ik verzak en smak nog harder (hola) naar de hemel. Helemaal de max!

13:16 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hemel, lasten, lusten, rust |  Facebook |

13-11-07

zo de ouden zongen, vogelen de jongens

Ik bel hen. Zij neemt op. Verrast en kort van stof.
Ze zal hem roepen. Hoeft niet. Ja hoor. De stappen sloffen weg. De kilte in de gang loopt achter haar. Ik daver door mijn gsm. Verpleeg de leegte. Ik hoor niks meer aan de overkant. Behalve het gebrom, de brutale stilte van de wandklok. Dat ding dat altijd doorgonst, boos op elke afgelopen tijd. De opge-klopte gong van sterven in seconden. Hij komt aangehijgd. De goeie man, hallo hoewist. Zoals het weer dat rammelt. Oud en gammel, barstens koud, zeer onderbenen. Moet genezen, maar wanneer. Anders ook geen nieuws. Behalve het verdriet van elke dag. De leeftijd zit niet mee, de zomer hinkt weer achterop, de winter kan versplinteren. Of ik het al vernam van Rose-Marie, die met haar paar-denstaart van veertig jaar? Ik denk aan repel-steeltje, die afgebleekte del van Nelekes. Nee, niet die pannenlat, wel die felle zwarte. Ze waggelt soms nogal, ze pronkt hovaardig met haar gat. Ze ligt de ganse zomer in de zon. In haar blote boven-lijf. Volgens nonkel Fons althans vertelt. Die weet het van zoiets per ongeluk te zien. Stiekem op de gluurmuur langs zijn haag. Door het gat in zijn cul-tuur. Helaas, ik ken dat bronstig mens van haar noch pluimen aan haar kont. Ze lijkt me anders wel een vrouw met inhoud aan haar lichaamsapparaat. Ik volg de lijnen van het telefoonverhaal en ver-zwijg het sensueel beschrijf. Ik ben een zwever.

Grapje, vader. Ik nam uw tekst weer al te letterlijk, ik zag het sekstheater in de appelgaard. Het blozen van de bomen. Verse pruimen en frambozen, het uitgeperste fruit en honing die van ons vingers druipt. Weet ge nog, denk ik verlegen: waar is nochtans (pertang) de tijd dat ge graag een trage danste, walste met uw Martha? Malse stoten vol bekoring, kerkerotisch door het kletsend dorp. Ver-loren poses sop en Gigi l’Amoroso. Zeven kontjes, zeven rozen heel onnozel. Bosjes schaamte in de grot van namaak-Lourdes. En pret met naakte Bernadette, verzet met Betty naast Maria Maagd (een zakdoek om de kop als boerka). Dertien jaar en één streep haar op onze borst, de oksels blon-ken blank. Vertel maar vader, leg dat mokkel Rose-Marie eens lekker bloot. Ze is pas opgewarmd, te berde op de brem gebracht. Een schotel uit de he-te oven van het herfstpaneel. Pas uit- en aange-kleed in ’t bruin van bleke huid. (Ik pers de poëzie).

Ik ben een uitgewoonde jongen, vader, onbezonnen en verdorven in het stadskwadraat. Uw hart slaat over en ons moeder kan het niet geloven. Ik kom zeker op het kerkhof praten later. Met de stenen van uw graven spreken. Tekens van affectie ket-sen, krassen met mijn nagels en een harde traan markeren. Onze taal is misverstand en aarzeling bij leven. Wat ik van Rose-Marie wil weten is geen story van de cowboy. Laat ze liefde, laat ze strelen wat haar hand begeert. Een mannenmond, een deel of twee verloren billen. En vergeef mij evenredig aan mijn hart. Het klopt weer gillend in mijn keel.

23:21 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boerka, maagd, zakdoek |  Facebook |

10-11-07

zoveel als zeker in de zever van de zee

Je boezem roezemoest. En wat zoiets met mannen doet. Je haalt je schouders op, de lintjes blinken strak. De diepte stijgt en zakt weer weg tot straks. Je weet het van je weelde want je kijkt vertede-rend. Je strekt een been verlegen, legt een glim-lach op je lippen weg. Ik lees je kleren verder af, ik spreek wat klare onzin, onder andere over al mijn streken: waar ik zogezegd geboren ben. Verloren land, het gras was malser aan de overkant. Mijn zelfverkozen eiland, wars van elke heimat. Ik ver-baas je zonder heimwee, steek de brand in onze weide. Vonken op de donkere heide. Geef mij zonde godverdomme. Jij mankeert een reden om mij op te vreten. Door te slikken. Uit te zweten. Spijs- en pijnvertering. Lijkenpikken. Lik en ruk wat stuk. Op de vloer en naar de stenen zweeft je volle wezen. Geen genezing overleeft de hemel. Zeg iets, jiezes. Geef een teken, kerel. Deze tafel springt en slingert van begeerte, keert verlangens tegen beter weten, stampt zijn hete poten onder ons en trapt op te-nen. Zuchten en gezever, weet ik veel. Ik schud me nuchter af, de wind blaast regen door burelen, brengt verwarring in de wereld van ons twee.

Tot plots: het meisje Laura wandelt zonder vragen binnen, geeft zich helemaal en ongeschonden, schenkt ons warme thee. Wij drenken vingers met een koekje, blazen zwoelte af. De storm gaat lager liggen, strekt zijn lichaam open, wit doorweekt van onze lege wonde. Wij zijn nagenoeg bijna tevreden. Nietwaar Lorelei? Je bent het feestkonijn, de zenuw zonder pees. Ik vrees je schaduw, beef beleefd. Je moest eens weten wat dat geeft. Ik smeek je, zet je radio aan, vertel verhalen aan het spel van bleke schaamte (zogenaamd). Zing de roddels uit het raam. De losse flodders. Man met dame ongehoord, verdriet valt van verdieping, kiepert uit de boot. Geen kreet, geen nood en ook geen save our souls.
Beweeg niet water. Staar en laat de sporen droog, vergiet geen traan. Het zilte nat wordt liever zat van onze ziel. Verdrinkt zich van spectakel tot de laatste adem. Grappig is de nadering, de onder-gang. Het net vangt vissen zonder vin noch pin, geen stekels meer. De zee is groots en grot van plotse inzinking. Gesmoord vergeten dringt nog door in ons geweten. Reeds is heden wat geweest is te vergeefs geweest. Ik vraag haar geen gebed, geen achterhaalde zegen en geen teken van vergeving meer. Ik zink gelaten, zonder taal, ik slaap al later, dieper op de bodem van de vrede. Ver in zen ben ik

23:56 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: heimat, heimwee, zee, zen |  Facebook |

07-11-07

ter zake met een onverzadigbare dame

Grossieren in dossiers. Het is me wat. We beuken en we beulen. Uit den treuren. Ondersten uit de kan en uit de kast. We sleuren deze verse eeuw naar up to date. Verslagen over zeven jaren vette achterstand. De virtuele magere sakkeren in ons kas, we vreten aan de dag van morgen. Komt de leegte, én de schaamte, komt de schaduw van de schreeuw naar meer. Wie zal het zeggen, zegt Matrona, abdis-maagd die ons kantoorgemoed af-knaagt  Een troetelnaam voor schone baas en bazig meisje tegelijk. Of ze echt waar over lijken gaat, ik vraag het haar. Ze stapt me razendsnel voorbij, haar tijd is opgedeeld in cijferij en statis-tiek. Tel uit je winst om dik bevriend te zijn. Ik zit wel close als gaar cadaver, vrij onnozel. Gaap haar wandelwinkel na. Haar décolleté is opgevuld met dynamiek, de deining schudt me heen en weer. Ik twijfel tussen lijf en vlees en vrees voor sneren om mijn naverlstaarderij. Hier wordt niet gek gedaan, dit is geen plek voor verder denken aan wat fuck and fun kan zijn. De pret zit digitaal en netto in computer, in de motor van de stuwdrang naar het saldo dat een climax scoort. Ik lees haar bijbel texto, letters die succes voorspellen bij aanvaar-ding. Geen aanvaring met Matrona als de quota volle pond geweldig overdonderend zijn. Zij komt als moederkloek hoog kraaiend klaar. Laaiend nuch-ter in een back up salvo van verlossing om de drempelstress. Haar tepels laten kreten van pro-centen, opcentiemen aan verbetering, ze geven dozen melk en honing vloeit nog meer beneden. Vegen maar. Ik ben de beste dweil, de leerling met een slappe bezem, hark en uitverkoren onbekoor-ling, zeg maar hele uitslover.

Het wil wat zeggen als er nergens tijd is om iets uit te leggen of eens bij te praten. Begin maar hevig door te zweten als er geen beminnen aan is. Ga er ongewild eens aan en naast staan: aan haar zij met grillen. Deze aanpak snijdt geen hout, het raakt haar kouwe kleren niet. Verspreek u niet, zij ziet hier geen verdriet. Zij is een wentelwolk, ze drentelt niet, ze wervelt en ze kerft. Het volk, dat is ze zelf, ze is het centrum van haar spectrum. Ik verdraag de spiegel van haar perspectief. Haar mals gerief walst over mij. Het is behekst, door-spekt met toverij, dat heet onuitgesproken seks. Matrona heeft geen aanzet van besef voor jongens zoals ik, de dommerik in se. Verstomming is mijn deel en deels bewondering. Ik vergeef haar dage-lijkse zonden. Onze dienst is een triomf van peis en vree en pezerij. Het heersend wijf bevriest de losse zeden, kiest voor macro rapporteren en de maxi-malen opwaarderen. Exit mister Vanco. Dixit manco.

14:36 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: exit, macro, manco, minus |  Facebook |

03-11-07

het theater van de warme stadsmadam

Ze hadden gebadderd in de binnenstad. Ik wist het van de buurvrouw. Zij had de klappen horen vallen. Iemand trok een mes. Een ander had gebokst. En Moke zijn gezicht was opengekrabd. Zijn zwarte kop zat onder de spatten, het bloed had in het rond gespoten. Zij aarzelt met de rest, bedenkt zich, trekt haar badjas recht, verzet een glas, gaat dan liggen. Ik zeg niks, ik zit haar aan te zien. Ze is sinds gisteren kort en straf gekapt. Ze bibbert wat. Een sigaret is een remedie. Ik had ook Duvel meegebracht. Een sixpack kon volstaan. Ze komt al drinkend op verhaal. Ik nip voorzichtig van mijn cola zero, zie de schade aan. Wat baat het? Ze is geschapen voor ravage. Spaans en zwart en knap. De mannen kloppen op mekaar om aandacht, om haar lichaam aan te vragen. Van verbazing valt ze dan in armen, tast ze in het donker van een jongen, wordt ze niet volwassen van zichzelf. Ze is het zachte wonder van de nacht die dronken inslaat, vriendschap in kabaal vertaalt.

Ze staart mij aan. Ik geef geen antwoord aan haar trieste lippen, liegen helpt geen lieve zier. Ik zal geen minnaar zijn, geen wekker van haar droom, ik lig niet in haar bed. Ik ben verplicht een biechtvader (ik bid niet), ongenadig als een vriend die zonder adem zit, verraden kan met dwarse daad. Want haar theater heeft mij hard geraakt, ik speel perfect mijn tekst. Ze heeft de stad nogmaals in rep en roer gezet, op hoge stelten afgekraakt. De Grote Markt galmt na van dwazigheid, restanten damp van hetze en gescheld. Een echo en een schets. Ze schiet de kamer uit, ik hoor de douchespuit. Ik raap haar badjas op en doof het smeulen, leg de peuken in de asbak, drink een teug, giet gulzig Duvel weg, de pompbak zwelgt. Ze komt geweldig schoon de living in, een opgeblonken pop, ze inspecteert een spiegel, strijkt een rimpel glad. Ze lacht inwendig en vertelt het nagenot. Ik ben haar navelstaarder, schenk genade en aanvaard.

Ze is zoals ze uitlegt: soms erotomaniakaal. Ze schuift haar dijen uit een rok, verlegt een lok, verleidt een discodanser. Hete kansen hitsen kerels aan. Ze keert haar billen in het rond. Wie kust mijn warme kont, ze flirt en kirt de lusten op. Er komt ambras. Een flits, een mot, een shot, de bliksem mikt een schicht en tikt een kin, een lel geweld, het kluwen velt een vent. Wie belt om hulp, de buurvrouw tilt haar borsten op en snelt zich weg. Ze kleedt zich langzaam aan, geen letsel aan haar vel. Haar lichaam blinkt en zingt de nieuwe liefde in. Ik hinder niet, ik laat begaan. Zij trekt haar rode schoentjes aan, weer uit. Past blitze laarzen en herschikt haar blouse (wikt en weegt de inboedel).

Ik stap maar op, zij tast mij na en kust tot nog eens later. Deze avond start en kantelt, valt in stukken van de nacht. Ik wandel en berust. Geen zeggen aan mijn zus van lichte zeden. Zuchten helpt niet meer. Zij is gelukkig uitgedaagd. De schade is een kater die voor-barig klaagt. De kat komt grandioos ter plaatse klaar.

14:57 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kater, theater, stadsmadam |  Facebook |

30-10-07

de tering om de mening van een meisje

Dag Mia Cornelis. Of was het Ria Ornelis? In ieder geval een kind van weeklacht en miserie. Je schreef me aan, je was gemeen, je beet hard in mijn taal en  in mijn schema’s. Wie denk je dat je bent, Kornelia? Ben je de geijkte verongelijkte, de moreelste middelmaat, het grijze wijf dat niet kan schaatsen op het scheve ijs. Lijk je op je neefje Sven, die met zijn waterbak als onderkin, de radio-gigolo met een grol in elke buik, besmuikt en opge-taterd. Hou je van een goed gesprek, dan ben je blabla voor mijn bek. Met onrespect omdat ik lak heb aan voorspeld gekakel, taterdame. Scharrelkip.

Ik neem hier tijd om diep te ademen. Daverend kom ik op verhaal. Ik krijg mijn doordeweekse fanmail, meestal zijn het naakte missen, schoon misbaksels ook. Ze klappen en ze zappen tegen voorgevallen veertigers. Prettig is hun blote voorstelling. De stouten bouwen op en gaan ten aanval: pak me droog en koud. Ik lees jou, overschatte vrouw. Ik geef twee sneren (meer nog) naar je ware naam (infaam). Je fantaseerde ongevraagd mijn afge-ronde leeftijd. Je begon meteen te kwetteren dat je verpletterend goed gehuwd was. Geletterd en gelukkig. Amehoela, van wat heb ik jou daar! Je trouwboek zal me graag een rouwregister wezen. Je man is vast geen macho-hufter. Anders had hij hard geschoten op je scheldepistel. Nee, hij heeft je laten spelen, dat siert die vent afwezig. Jij was zijn onberekenbare egaa. Ongeremd betweterig van taalmoraal. Je ging geëxiteerd je achterwaartse gang. Je preekte en je smeekte schizofreen. Jij hebt het webluik in je nest misbruikt, scharminkel.

Ik dol wat met je, lieverd. Ik mag je bijna, maar het is wel randje ambetantje, kantje overboord. Ik stoor je met mijn kleren (ik citeer je), mijn manier-tjes, mijn gerief om mij te presenteren. Toe maar, troela, hoepel op met al je trammelant. Ben je som-tijds aanverwant aan K., mijn afgeschreven aca-demica? Ik ben niet kwaad maar radeloos aangaan-de contra-erotiek. Waar zit de vonk in jullie leven? Laat wat billen beven, schud het grillig zweet en veeg het stof van tussen jullie benen. Excuseer mij als ik dweep en derangeer, ik ben een leerling die moet lezen, niet kan schrijven (als jij groot gelijk hebt, nietwaar Ria). Roep en gil maar om politie.

Tijd om korter door de bocht te gaan, ik hou niet van mascottes die mijn stijl beknotten, die om aandacht knokken op mijn aambeeld. Ik beoordeel als een meester die de knecht wil spelen van zijn alter ego. Ik veeg de modder van mijn woordenpad. Ik klop de dolle Mina’s en Ornelia’s weg. En ween.


De avond valt, ik zet de vuilbak buiten. Doe een klapke met mijn nonkel Oscar. Over wafels bakken. In de zandbak zit ik dan, het stille kind van al die jaren. Onmentaal volwassen speel ik. Onnozel als een halfwas nozem die de dames opfokt, kokhalst van moraal. Ik lust geen mores om een verse les te leren, ik vertolk mijn rollen ongestoord, de dwaaste jongen van de klas, vereerd met streken. Veren aan de panden van mijn jas. Die Oscar was een Wilde gast. Een omgekeerde snob, een teddybeer die niet kon mailen. Maal maar verder, maskes, ik vergeef. Het kan verkeren in dit leven. Pak de climax, klim en sterf een beetje. Bij gelegenheid.

Vaarwel aan zedenspelen, moeke Mia. Ik noem je liever Ria Paranoïa. Deze pagina wordt omgedraaid. Ik heb nooit aan je vagina gedacht. Ik verkies de nacht om in te slapen. Zogezegd en zo gelaten.

23:54 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: oscar wilde, ria paranoia |  Facebook |

27-10-07

een stil verdriet: versierd op vrijdagen

Ze heeft verdriet, zegt ze niet gekweld. Zo simpel klinkt dat. Als een frons, een rimpel. Ze kijkt verle-gen weg van mij en zwijgt. De tijd valt uren stil  (en tuurt…). Een traan slaat blinkend van verlos-sing toe. Ik ben een muur die pal staat, sprakeloos en stom gezond. Gewapend van beton, een onge-barsten steen. Geen nood noch oplossing (loser!). Morsdood in materie, harde specie. Ik heb geen-eens een zakdoek. Vraag verschoning. Jong toch, lacht ze met haar natte wangen, glazig doorgezakt van Spaanse zang. Zij praat lamento, langzaam opgewonden, hees crescendo. Hoor ik horzels van verlangen, hark ik leegtes op, de bocht in naar bevrediging? Mijn spiegelredenering, snelle reden, zelfs reflex om heen te gaan. Ik weet het van weerlegging niet. Ik lieg een sprankel, maak een opening. Ik raak haar, lig er ongenaakbaar over, dichte kilometers naast. Ik pak mijn woorden op een loopje in, mijn zogezegde deelneming. Ik ben herinnering, een blinde vlek verleden. Heden le-vend, nogal stevig, liever laf. Ik ga weer aan het werk, een snelle terug naar af. De koffie was een opkikker, de vrouw een appelflauwte van begeerte.
Heer, vergeef mij deze uitgestelde weduwe. Zij leidt mijn wegen in bekoring. Hoort mijn holle taal, mijn tekens van berekening. Zij wankelt en weer-staat. Biedt weerstand aan haar man. Hij leeft nog als een plant die water krijgt en eten en verveling aan de haard. De dagen korten, voortaan valt de nacht reeds vroeger in zijn slaap. Zij gaat de hort op. Ik verken haar in de verte achterop, verslagen maak ik aan (ik zend haar alles na). Ik rapporteer verloren wegen, leg de velden vol met borsten en met benen. Al haar naakte weelde. Teksten zonder volk, de onbekenden, warme wensen en geen mens ziet om naar haar. Haar hart neemt niemand aan, zij verveelt haar eigen lichaamstaal. Een teken aan de zelfkant van de rand. Zij wandelt langs de af-grond van genot. De afgedaalde grot, de neerge-legde vent. Ik noteer en speel niet mee, ik ben een fugitive, een vage figurant. Ik fantaseer de slag-veldseks, haar mals geweld. Een oorlog haalt intiem zijn oorzaak uit een kleed dat valt. Vertoont de wonde van haar lijf. De krijgers hijgen met een pijl.

Ik tik de lijntjes af, ik schrijf mij veilig weg. Verleg mij in mijn eigen graf. Wat is het lijden aan de zij-kant gaaf. Ik ben te goed, te braaf, genadig in mijn schik.  Gekwiekste staat. Ik ben de man van nie-mendal, alleen met haar. Was alles waar (wat ze allemaal verhalen), dan had ik schimmel op mijn ziel, bananen in mijn broek, een dode koekoek die om nagenoegen roept (hij poept niet meer). Het fruit vreet lustig aan mijn vlees, ik heb geen leed aan mijn geweten. Rustig rijdt de trein haar huis voor-bij. Ik staak de strijd, verzaak aan ziekte van de liefde. Gun mezelf geen grief van haar gerief. Ik ben intern een bange hartendief, ik sleep me naar het pad van allerzielen. Pleeg chrysanten op de graven, leg mijn kransen neer. Ik ben een grage misdienaar. Ik bid voor haar.

16:24 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: haard, lamento, misdienaar |  Facebook |

23-10-07

het zwarte ding dat verticaal kan zingen

Gé en ik stonden perplex. Was me dat een klepper. Onze eieren werden geil geklutst. Mijn eigen beeld-spraak, Gé was solidair onthutst. Wat vertelde zus-je Bé? Verbluft bekeken wij elkaar. Zij herhaalde elke centimeter, hield de hele paal intact. Terwijl haar brave Jo er knikkend bij zat, kolenzwart vanuit Angola. De techno in de tent stond paf, de dansers vielen stil. Alsof een wereldrecord gemeld werd. Flinke dertig in de broek. Een Afrikaanse maat, geen modale Vlaamse maatstaf. Maar Bé beaamde zonder schaamte. Dat Jo-Jo het vaandel hoog draagt als hij aan komt kloppen. Een erectieve de-tective die een diepe analyse wil. Een drilboor en een loden kogel. Falluskrijger, heibel in de klus met beitel. Harde metafoor om als symbool te stoten.

Moker, neger Jo, de beuk er in, je bent een geile stukadoor. Verpak en ram je reuzenboom, pikeer in Bé. De hittekop er af, verneuk de knop. Ontplof.
 

Wij hijgen nog wat na, de sound hervat en Bé lacht al wat blank is weg. Behalve haar gezelschap, ik de bange man en Gé al grappend. Van de slapte en gepeins aan het verstijven. Een verrijzenis in ge-dachten, donkere Jo die hier zijn aanloop neemt, een polsstok in zijn broek. Hij plooit zich dubbel met het rubber om de bamboe. Elk taboe aan flarden. Moeder moest het weten, vader vrat zijn kas op. Het tapijt dat splijt en Bé krijgt meer dan wat zij krijst. Wij vragen of die dadenkracht geen klachten geeft. Ons zusje kucht en zucht verzaligd. Vraagt verzadiging: pikzwart geaard het zaad. Zij valt de donkere parels aan. Ze velt hun zwaarden, knelt de Afrikaanse vent. De ganse tent gaat plat. Wij pra-ten om dit niet te vatten vlagvertoon, de totem die zich laat bepotelen tot hij torenhoog- en hoger neerstort in de malse bodem. Een ravijn is Bé, een blije beek. Ze woont en weekt in een vallei. Haar wei ontvangt Jo-Jo, een spitse nikker. Inswinger. Op- en neerspringer. Een diepsneeduiker, een tor-pedopenistuig. Hij huichelt met geen achterklap, zijn voorhuid smacht. Hij vogelt elke nacht en dag.

Wij twijfelen aan de warme haalbaarheid. De witte soort schiet korter in de hoogte, kromt zich bleker in een boog. Een meetlat ligt niet waterpas op kleuren in het ras. Jo-Jo pakt uit met dit spontaan gezegde. Zeer onwesters echt. Hij fluit daarna met al zijn lippen tot de disco trilt. Als een goeroe van genoegen treedt hij op. Mijn goede gigolo, bidt Bé. Hij doet een trage rondgang, seksseconden lang. Het ding klimt langzaam, priemt zich bloter op zijn buik. Wij huiveren en wij wuiven. Om de stonde van crescendo aan de dertig: lees hier volle centime-ters opgezwollen huid. Genot voor zusje tot ze huilt. Hoe meet je zulke dingen zuiver? Geen be-ginnen aan voor ons. Hoewel een eind voor elke eikel. En racisme is een piemel met narcisme. Très merci Jo-Jo. Je sopje is verdiend, mijn beste vriend.

22:32 Gepost door Marlon | Permalink | Commentaren (0) | Tags: disco, polsstok, techno, tent |  Facebook |

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende